
Multatuli
(1820-1887)
Ideën (7 delen, 1862-1877)
Idee Nr. 1
Misschien is niets geheel waar, en zelfs dát niet.
kempis poetry magazine
Filed under: FICTION & NON-FICTION,FICTION: SHORT STORIES,Multatuli,FICTION & NON-FICTION,BOOKS,Multatuli

.jpg)








Anton K. photos: Nature Morte (9)
kempis poetry magazine
Filed under: EXHIBITION,Anton K. Photos,EXHIBITION,Dutch Landscapes
.jpg)
Mikhail Yuryevich Lermontov
(Михаи́л Ю́рьевич Ле́рмонтов 1814 – 1841)
Gifts of the Terek
Mid huge rocks, the Terek, leaping,
Onward courses, wild and fierce.
Like a storm he howls, and, weeping,
Sprays the cliffs with angry tears.
But he broadens out on reaching
The great steppe and waxes meek.
To the sea in half beseeching,
Friendly tones we hear him speak:
"Give my waters refuge, ancient,
Give them shelter, Caspian Sea.
Long enough have they, impatient,
Roamed the hills, it seems to me.
Sired by peaks Caucasian soaring,
By the clouds above them fed,
They dispute man’s rule, and, roaring,
Rush impetuous ahead.
They have robbed Daryal of treasure,
Herds of boulders, free of fear,
For your sons’ delight and pleasure
Driving off year after year."
But the Caspian Sea is drowsy
And he does not seem to hear,
And the Terek, his friend rousing,
Murmurs softly in his ear:
"Here’s a gift, a rich one, for you -
A Kabardian who fell
On a battlefield. Before you
He is lying, cold and still.
Precious is his mail of iron;
On his elbow guards – behold!-
Lines from the Koran incised are,
All in lettering of gold.
Dead, he wears a look unbending,
Knit his brows are, while a trace
Of dark blood his lip stains, lending
Something solemn to his face.
On it enmity is graven,
And ’tis mirrored in his stare.
Round his neck there steals a raven
Lock of wet and matted hair."
But the Caspian Sea is pensive
And to answer does not deign,
And the Terek, apprehensive,
Pauses and then speaks again.
"Look, O sea, I have another
Gift to offer – take it, pray.
From the world, my friend and brother,
I have kept it hid away.
Tis a Cossack maid, a daughter
Of the steppes. Long has she been
Cradled by my friendly waters,
Long no man the maid has seen.
Fair is she, her hair a gleaming
Mass of gold, and seems at rest,
With the blood still thinly streaming
From the wound that mars her breast.
On the shore, come night, come morning,
Crowd her people, young and old.
All save one her death are mourning,
All save one young Cossack bold.
The Chechens he battles, smiting
Right and left, his sword held high.
In the hills he is and fighting,
And ’tis fighting he will die."
Low the Terek’s voice is growing
As the sandy shore he laves,
While a maid’s head, pale hair flowing,
Bobs and bounces on the waves.
And the sea, huge billows raising,
Fearful as a thunderstorm,
Starts awake, his blue eyes blazing,
Full of passion newly born.
Swept by sudden joy and rapture,
With love’s tenderest whisper, he
Folds the waters and their capture
To his old heart eagerly.
1839
.jpg)
Mikhail Lermontov poetry
kempis poetry magazine
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Lermontov, Mikhail

jef van kempen 1980
Untitled
► Website Museum of Lost Concepts
kempis poetry magazine
Filed under: EXHIBITION,Jef van Kempen Photos & Drawings,EXHIBITION,K=M Art Gallery

Henry Wadsworth Longfellow
(1807-1882)
The Old Clock on The Stairs
L’eternite est une pendule, dont le balancier dit et redit sans
cesse ces deux mots seulement dans le silence des tombeaux:
"Toujours! jamais! Jamais! toujours!"–JACQUES BRIDAINE.
Somewhat back from the village street
Stands the old-fashioned country-seat.
Across its antique portico
Tall poplar-trees their shadows throw;
And from its station in the hall
An ancient timepiece says to all,–
"Forever–never!
Never–forever!"
Half-way up the stairs it stands,
And points and beckons with its hands
From its case of massive oak,
Like a monk, who, under his cloak,
Crosses himself, and sighs, alas!
With sorrowful voice to all who pass,–
"Forever–never!
Never–forever!"
By day its voice is low and light;
But in the silent dead of night,
Distinct as a passing footstep’s fall,
It echoes along the vacant hall,
Along the ceiling, along the floor,
And seems to say, at each chamber-door,–
"Forever–never!
Never–forever!"
Through days of sorrow and of mirth,
Through days of death and days of birth,
Through every swift vicissitude
Of changeful time, unchanged it has stood,
And as if, like God, it all things saw,
It calmly repeats those words of awe,–
"Forever–never!
Never–forever!"
In that mansion used to be
Free-hearted Hospitality;
His great fires up the chimney roared;
The stranger feasted at his board;
But, like the skeleton at the feast,
That warning timepiece never ceased,–
"Forever–never!
Never–forever!"
There groups of merry children played,
There youths and maidens dreaming strayed;
O precious hours! O golden prime,
And affluence of love and time!
Even as a Miser counts his gold,
Those hours the ancient timepiece told,–
"Forever–never!
Never–forever!"
From that chamber, clothed in white,
The bride came forth on her wedding night;
There, in that silent room below,
The dead lay in his shroud of snow;
And in the hush that followed the prayer,
Was heard the old clock on the stair,–
"Forever–never!
Never–forever!"
All are scattered now and fled,
Some are married, some are dead;
And when I ask, with throbs of pain.
"Ah! when shall they all meet again?"
As in the days long since gone by,
The ancient timepiece makes reply,–
"Forever–never!
Never–forever!"
Never here, forever there,
Where all parting, pain, and care,
And death, and time shall disappear,–
Forever there, but never here!
The horologe of Eternity
Sayeth this incessantly,–
"Forever–never!
Never–forever!"
.jpg)
H. W. Longfellow poetry
kempis poetry magazine
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Longfellow, Henry Wadsworth

RIETVELDJAAR Utrecht
24 juni 2010 – 30 januari 2011
Over het Rietveldjaar
De stad Utrecht is er trots op dat de meeste Rietveldgebouwen binnen haar grenzen liggen en dat het gemeentelijke Centraal Museum de grootste Rietveldcollectie ter wereld heeft.
Daarom heeft de stad Utrecht 2010 tot Rietveldjaar uitgeroepen als startpunt in een meerjaren campagne om Rietveld als icoon van de stad Utrecht te profileren en zijn naam blijvend aan Utrecht te verbinden. Het Rietveldjaar wordt gelanceerd op 24 juni, de verjaardag van Rietveld. Vanaf dan vinden er wekelijks activiteiten plaats in de stad, de provincie maar ook daarbuiten. Er wordt samengewerkt met verschillende partners zoals onder andere het Nederlands Filmfestival, Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, bewoners van Rietveldhuizen, Armando Museum, Kröller Müller Museum, Dick Bruna, Krisztina de Châtel, Stichting Rietveldprijs, Studium Generale Utrecht, C-mon & Kypski, poppodium Tivoli, Culturele Zondagen en Premsela. Het multidisciplinaire karakter van het programma wordt ingezet om een breed en divers publiek te interesseren voor Rietveld en de tentoonstelling Rietvelds Universum.
Het Centraal Museum laat zien dat Utrecht al eeuwenlang geldt als voedingsbodem voor artistiek en cultureel talent van nationaal en internationaal niveau. Zo beschikt het oudste stedelijk museum van Nederland over de grootste collectie Rietveld-objecten ter wereld en toont het werk van de wereldberoemde Dick Bruna. Ook de collectie oude meesters met onder andere werken van Jan van Scorel, Abraham Bloemaert en Hendrick ter Brugghen is zeer de moeite waard. Naast het werk van al deze Utrechtse iconen biedt het Centraal Museum een overzicht van 2000 jaar turbulente geschiedenis, maar staat ook het nu centraal met actuele mode, vormgeving en beeldende kunst.
Het museum is grotendeels gevestigd in een voormalig middeleeuws klooster. Andere delen van het gebouw hebben dienst gedaan als weeshuis, militaire paardenstal en psychiatrisch ziekenhuis. Het is in 1999 verbouwd door de architecten Stéphane Beel, Lieven Achtergael en Peter Versseput. Het museum bestaat uit een verzameling gebouwen rond een grote binnentuin.

Gerrit Rietveld (1888-1964)
Van krullenjongen tot architect
Gerrit ging als twaalfjarig jongetje werken in het meubelmakersbedrijf van zijn vader. Daar leerde hij stap voor stap de kneepjes van het vak. Zijn creativiteit kon hij echter niet kwijt in het kopiëren van klassieke stijlmeubelen. Rietveld wilde duidelijk meer.
Vier jaar lang volgde Rietveld avondcursussen bij het Utrechts Museum voor Kunstnijverheid en bij architect P.C. Klaarhamer. Hij kwam hierdoor in aanraking met de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de architectuur, vormgeving en beeldende kunst. In 1917 opende hij zijn eigen werkplaats, waarna hij in korte tijd een reeks revolutionaire stoelen ontwierp, waarvan de rood-blauwe stoel later wereldberoemd zou worden. De filosofie achter het ontwerp van deze stoelen was nauw verwant aan de ideeën van De Stijl beweging, waaraan ook schilders Bart van der Leck en Piet Mondriaan, en de architecten Theo van Doesburg en J.J.P. Oud deelnamen. De beweging groeide uit tot een van de belangrijkste avant-garde stromingen in de 20ste eeuw.
Hoewel Rietveld in die tijd toetrad tot de internationale avant-garde van de beeldende kunst en architectuur, leverde het hem nauwelijks betaald werk op. Via via kwam hij in contact met Truus Schröder-Schräder. Een ontmoeting met verstrekkende gevolgen. Na het overlijden van haar echtgenoot vroeg Truus Schröder aan Rietveld een voorstel te maken voor een nieuw te bouwen woonhuis aan de Prins Hendriklaan 50. Het was zijn eerste volwaardige bouwproject en daardoor dé kans zijn droom om architect te worden te realiseren. Truus Schröder bleek de ideale opdrachtgever. Ze gaf hem niet alleen alle vrijheid, maar daagde hem ook uit zijn ideeën in een ongekende vorm te gieten. Het resulteerde in een revolutionair manifest voor een nieuwe architectuur. In 2000 is het Rietveld Schröderhuis door de UNESCO op de Werelderfgoedlijst geplaatst en werd daarmee definitief een van de iconen van de twintigste-eeuwse architectuurgeschiedenis.
Vestiging als architect
Na de oplevering van het Rietveld Schröderhuis, in januari 1925, vestigde hij zich als architect in de atelierruimte op de begane grond. In de jaren vlak daarna ontwierp hij verscheidene fraaie projecten, o.a. de Erasmuslaan en ontwikkelde hij ideeën over woningbouw en massaproductie die de kern van zijn hele, latere oeuvre vormen. Waarschijnlijk was Rietvelds carrière sneller verlopen als de economische crisis niet was uitgebroken, gevolgd door de Tweede Wereldoorlog. Pas in de jaren vijftig kwam de wederopbouw van het verwoeste Nederland weer goed op gang. Ook ontstond er in die tijd een oplevende belangstelling voor De Stijl. Het leverde Rietveld enkele prestigieuze opdrachten op in de culturele sfeer, waaronder de bouw van het Nederlands Paviljoen voor de Biënnale in Venetië. Opdrachten in de volkswoningbouw, wat Rietveld het meest ambieerde, vielen hem slechts mondjesmaat ten deel. Pas toen hij in 1961 met de architecten Van Dillen en Van Tricht een maatschap oprichtte, kon hij meer werken realiseren.
Rietveld in het Centraal Museum
In 1958 organiseerde het Centraal Museum de eerste overzichtstentoonstelling over Rietveld. Sindsdien is de band tussen Rietveld en het museum blijven bestaan. De tentoonstelling legde de basis voor de huidige collectie Rietveld-meubels en -ontwerpen, de grootste van de wereld. In 1964 overleed Rietveld, een dag na zijn 76ste verjaardag.
Een tweede belangrijk moment voor het museum was de overdracht van het Rietveld Schröderhuis en het Rietveld Schröder Archief aan de Gemeente Utrecht in 1987. Het Centraal Museum kreeg toen het beheer over het huis en het belangrijke archief van Truus Schröder. Dankzij deze unieke collectie heeft het Centraal Museum zich ontwikkeld tot het internationale kenniscentrum bij uitstek over Rietveld en zijn werk.
Tentoonstelling Rietveld’s Universum
Centraal Museum, Utrecht
20 oktober 2010 – 30 januari 2011
De tentoonstelling Rietvelds Universum laat zien dat de Utrechtse architect en ontwerper Gerrit Th. Rietveld (1888-1964) veel meer heeft ontworpen dan de klassieke rood-blauwe stoel en het beroemde Rietveld Schröderhuis.
Hij realiseerde meer dan honderd gebouwen en vele meubelen. Het Centraal Museum plaatst Rietvelds werk in een brede context. Door de persoon en zijn manier van werken centraal te stellen en te vergelijken met beroemde tijdgenoten als Wright, Le Corbusier, Mies van der Rohe komt het creatieve genie van Rietveld in een nieuw licht te staan en wordt er een beeld gegegeven van Rietvelds bijdrage aan 20ste-eeuwse architectuur en design. De tentoonstelling wordt gerealiseerd in samenwerking met het Nederlands Architectuurinstituut.

Centraal staat Gerrit Rietvelds experimentele manier van werken. Zo is zijn zoektocht naar een stoel uit-één-stuk te volgen, waaruit de zigzagstoel is ontstaan. Door het werk van Rietveld naast dat van tijdgenoten te plaatsen wordt duidelijk dat hij als architect en vormgever soms zelfs radicaler was dan collega’s als Mies van der Rohe en Le Corbusier. Ook blijkt dat op cruciale momenten kunstenaars als Van der Leck, en Van Doesburg een beslissende invloed hebben gehad op zijn werk. Op zijn beurt heeft Rietvelds werk een belangrijke wending gegeven aan de ontwikkeling van architecten en vormgevers zoals Breuer en Aalto.
Rietveldjaar 2010 Utrecht
kempis poetry magazine
Filed under: -N E W S & E V E N T S,-Art & Poetry News 2010,FICTION & NON-FICTION,DADA & DE STIJL,De Stijl
.jpg)
W i l l e m B i l d e r d i j k
(1756-1831)
Aan mijne Egade,
by haar herstel uit haar kraam- en ziektbed,
op haren verjaardag, 1807
Zijt ge my weêrom gegeven,
Eenige adem van mijn leven,
Zijt ge ’t my, of is het waan,
En wil God mijn laatste snikken
Door dit droombeeld nog verkwikken,
Dat ik u weêr op zag staan?
Neen, gy kondt het niet verduren,
Wt het lot ons deed bezuren.
Gy vermocht het niet, ô neen!
Neen, uw’ boezem, noch den mijnen,
Bleef de kracht voor zoo veel pijnen :
’t Graf is toevlucht, dit alleen.
Ach! wat had dees schuddende aarde
Nog voor u of my van waarde,
Dan een eenzaam plekjen grond,
Waar wy leefden voor ons beiden,
Van een wareld afgescheiden,
Die voor ons niet meer bestond?
Waar wy storm en leed vergaten,
’t Schamel brood der onschuld aten
Met het dankbaar oog op God?
Lieve telgjens zagen groeien,
En den zegen nedervloeien
Zonder kommer voor ons lot?
Waar ons de arbeid onzer handen,
’t Lachjen onzer liefdepanden,
’s Harten rust by eenzaamheid,
’s Levens nooddruft mocht doen smaken,
En het traantjen dierbaar maken,
Dat gevoel van weldaad schreit?
Ach! dit had ons ’t ijdel harte,
Als het eind van zoo veel smarte,
In een’ zoeten droom verbeeld!
Leyden, ’t stil en vredig Leyden,
Zou ons zachte rozen spreiden;
Alle jammer was geheeld.
Wy herademden (ô hemel!)
Van het wareldlijk gewemel,
In der Zanggodinnen schoot.
Ach! de voorboô allen tijdens
Stoort den schemer diens verblijdens,
Lieve Alexis, door uw dood.
’k Zwijm van weedom. — In uw armen
Voelt mijn boezem Gods erbarmen :
’k Heb uw kroost, ik lij en leef,
Lieve! ja, mijn ziel wil hopen :
Maar één vonk moet Leyden slopen;
En neemt alles wat my bleef.
Waar nu, ach! waar heen gevloden ? —
Die geen schuilplaats by uw dooden,
Dierbaar Leyden, beuren mocht!
Die uw bloedig puin doorzweven,
En niet danken kon voor ’t leven,
ô Waar vindt die ademtocht!
Hoe het middelpunt der plagen,
Waar ik ’t bloeien van mijn dagen
Vijftien jaar verwelken zag :
(Afgrond van herinneringen,
Die my hart en keel verwringen!)
Dit mijn toevlucht, hemel ach!
Doch ook daar leert God betrouwen
’t Christlijk harte, moed te houên :
Geef slechts rust, genadig God! —
Rust? — ach, rust in ’t helsche woelen
Der afgrijsbre duivelpoelen!
Rust, in ’t gruwzaamst roovrenrot ! —
Zalig, die in holle rotsen,
By des afgronds dompig klotsen,
’t Hoofd mag duiken in haar kloof!
Die en wind en schorre meeuwen
Om zijn peuluw heen hoort schreeuwen,
Voor den Haagschen straatkreet doof!
Zalig, die met kraai en wolven,
Van de winden, van de golven,
Voedsel vraagt of honger lijdt:
Geenen vijand dan de gieren
Om zijn’ stranddisch heen ziet zwieren,
En het vloekbaar menschdom mijdt!
Die zich in zijn strooien wallen
’s Hemelsch gift niet ziet vergallen,
Noch de weldaad van zijn’ Vorst!
Die in vreê den Ongezienen
Met een stil gemoed mag dienen,
Zonder wrevel in de borst!
ô Mijn waarde! dat wy ’t mochten!
God ons leven wou verknochten
Aan dat eenig, eenig goed!
Maar ô neen, wy moeten treuren,
En ons eigen hart verscheuren!
Drinken tranen! schreien bloed!
’t Luttel van dat geestvermogen
Dat my ’s hemels mededogen,
Ons ter redding, overliet;
Daar ik ’t vreedzaam brood van wachtte — !
(Zieldoorvlijmende gedachte!)
Ach! dat alles is te niet!
’k Voel my, nutloos pak der aarde,
(Horzel in Gods honinggaarde!)
Ieder beet op ’t harte gloên.
’k Moet, voor nooddruft, steenen zwelgen;
’k Moet en u en onze telgen
Ach! met blote giften voên.
Zoo, zoo jaagt men — uit meêdogen?
Neen, verachting voor zijn pogen —
’t Nutloos ploegpaard in de wei:
Laat hem, voor een dienstrijk zweeten,
Zich de dood in ’t klaver eten,
’k Voel die weldaad, ja, en schrei.
Ach! daar wring ik dan de handen,
Knars en sla verwoede tanden
In de sponde van mijn bed :
Roep tot God met angstig kermen :
Maar geen uitkomst, geen ontfermen!
Maar geen Almacht meer die redt!
Dan, met mijne ramp beladen,
Zie ik u in tranen baden,
En dit tranen…! ô Mijn hart!
Ja, die koken my en branden
In het holst der ingewanden,
En verdubbelden mijn smart. —
Doch! ik zie uw kaak besterven;
’k Zie uw’ frisschen mond ontverven?
Ach! daar rijpt uw zwangre schoot!
Van de last des leeds bezweken,
Zie ik u de kracht ontbreken,
En uw oogblik spelt de dood.
Dierbre! — en te kunnen leven!
Voor uw kraambed niet te sneven!
Waar dit menschlijk? dit, voor my ? —
God, Gy zaagt, zoo Godlijke oogen
Menschlijk jammer aanzien mogen,
Ja, Gy zaagt mijn razerny. —
Maar gy leeft, mijns levens leven!
Ja, gy zijt my weêrgegeven!
Neen, het is geen bloote waan.
’k Sluit u, na ’t wanhopigst kermen,
Met uw lieve vrucht in de armen,
Uit het graf weêr opgestaan.
Dank! ô Hemel! — ach, het danken
Werd my, uitgeputten kranken,
’t Altijdlijdend hart reeds vreemd.
’k Weet geen beê meer uit te spreken,
Dan om ’t sterfuur af te smeeken
Dat my aan mijn leed ontneemt.
Dank nochtans! ô God des levens!
Stort en dank en zegen tevens
In mijn afgepijnd gemoed!
Dank! voor ’t leven van een Gade!
Met haar lijden, is genade;
Voor haar lijden, hemelzoet.
Ja, het uitzicht zij verloren,
Dat mijn grijsheid scheen beschoren
Op een troostvol avonduur;
In een nietig, werkloos kwijnen
Moet mijn levensdag verdwijnen,
Altijd somber, altijd guur.
Ja, hy mag geen rijpende airen
Van zijn’ zonneschijn zien gaâren
Door een dierbaar Vaderland;
Treurig zinkt hy in de kimmen,
En de hoop van zijn ontglimmen
Ligt verstrooid in ’t barre zand.
Doch, aan hare borst te sterven!
ô Dit mag mijn hart verwerven!
Van haar tranen overspat!
Stervend, aan haar lieve lippen
D’adem uit te laten glippen!
Geef, ja Hemel, geef my dat!
En, Gy dag van haar herrijzen,
Laat mijn zang u eer bewijzen,
Dubbel heilig is die plicht!
Liet Gy de eerste morgenstralen
Op haar kinderaanschijn dalen,
Thands hergeeft gy haar aan ’t licht.
Keer, ô keer aan ’s Hemels transen
Altijd met de schoonste glansen
Voor wat oog u nimmer ziet!
Schoonst voor haar en voor die spruiten,
Die haar schoot my mocht ontsluiten,
En Gods goedheid gaf en liet!
Moge uw aanbraak uit het Oosten
Haar nog eens van ’t wee vertroosten
Dat zy torscht met zoo veel moed!
Geve een kroost, niet minder teder,
Haar het zoet des levens weder,
Dat zy afstond voor mijn’ gloed!
Strooi zy op mijne asch de rozen,
Die mijn oog vergeefs zag blozen,
Door mijn handen nooit geplukt!
Mogen die, na mijn verscheîen,
Haar een zachter leger spreîen,
Dan zy met my heeft gedrukt!
Moog haar ’t Nakroost zalig roemen!
Naar heur’ naam die vrouw benoemen,
Die heur’ hoogsten kring vervull’!
Wie haar eert, gelukkig wezen!
En de dag haar roem doen lezen,
Waar hy zich met licht omhull’!
Dierbre, ja, gy mocht herleven!
Ja, gy zijt my weêrgegeven!
Vieren wy dit denkbeeld bot!
ô Vergeten wy ’t voorleden!
Juichen wy in ’t zalig HEDEN!
Morgen — ? Ach, ook dan leeft God.
En, gy lief onnoozel wichtjen,
Op wier donzig aangezichtjen
Ik Gods zegen kussen mag!
Ach, het traantjen, lieve kleene,
’t Weemoedtraantjen dat ik weene,
Dit vertroost uw eerse lach.
Mag uw Vader zich niet streelen,
Dat gy aan zijn kniën spelen,
Om zijn hals uw armtjens slaan;
Hy, uw jonkheid zal bewaken;
Gy, zijn vaderzorgen smaken; —
God, mijn spruitjen, neemt u aan.
Zoo, ten top van tegenspoeden,
Moeders borst u niet mag voeden,
In het ziekbed dor geschroeid;
Schrei niet, wichtjen, wees te vreden :
’t Is de bron van zaligheden,
Die uit God u tegen vloeit.
Ja, die Wel van zegeningen
Zal voor u, mijn wichtjen, springen,
Eeuwig springen van genâ.
Wat zijn Ouders? wat ’s hun pogen!
Moederborst en Vaderoogen
Zijn ons-allen even na.
1807
.jpg)
Willem Bilderdijk gedichten
k e m p i s p o e t r y m a g a z i n e
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Bilderdijk, Willem

Museum voor Moderne Kunst Arnhem
ELGER ESSER
Eigentijd
11 juli t/m 26 september 2010
De tentoonstelling Eigentijd toont een breed overzicht van het oeuvre van de fotograaf Elger Esser (Stuttgart, 1967), een van Duitslands belangrijkste fotografen van dit moment. Esser verbindt zijn eigen werk met het einde van de 19e eeuw, de tijd van de ontdekking van de fotografie en de daarop volgende totale ontsluiting van het landschap. Deze relatie met het verleden komt in het werk van Elger Esser niet alleen tot uitdrukking in het gebruik van oude technieken zoals de heliogravure, maar ook door het nafotograferen en bewerken van vroeg 20e eeuwse ansichtkaarten uit zijn eigen verzameling.
Esser groeide op in Rome en studeerde aan de kunstacademie van Düsseldorf waar hij les kreeg van de bijzonder invloedrijke Duitse fotografen Bernd en Hilla Becher. In tegenstelling tot de emotieloze, zakelijke benadering van zijn leermeesters heeft Esser een voorkeur voor landschapsfotografie waarin persoonlijke waarneming en subjectiviteit een grote rol spelen. Net als in de schilderkunst, koppelt Esser het onderwerp los van tijd en plaats en creëert in plaats daarvan een krachtig tijdloos en atmosferisch beeld. In zijn onsentimentele afbeeldingen zet Esser stille en onopvallende locaties neer die hij daarmee redt van de vergetelheid.
Vanuit de interesse in herinneringen, vergeten tijd en tijdloosheid wekt het geen verbazing dat Esser een enorme verzameling vroeg 20e eeuwse ansichtkaarten heeft, voornamelijk van de Bretonse en Normandische kust, die hij gebruikt voor zijn werk. In het begin van de 20e eeuw was er een ontzagwekkende verscheidenheid aan postkaartonderwerpen. De meest gewone marktplaatsen en ongewone evenementen als gestrande walvissen of scheepswrakken, werden het waard bevonden om een afbeelding van te maken. In Essers oeuvre spelen ansichtkaarten ook de rol van schakel tussen zijn landschapsfotografie en zijn meest recente heliogravures. Hij selecteert een sectie uit een postkaart en vergroot het zodat de korrel of ruis duidelijk zichtbaar wordt. Vervolgens kleurt hij de vergrootte secties in en slaagt er daarbij in om het onderwerp te vervreemden. Het oog dwaalt tussen nabijheid en afstand.
.jpg)
Tot slot zijn literaire referenties belangrijk voor een beter begrip van Essers oeuvre. Vandaar dat er bij de tentoonstelling in Stuttgart een uitvoerige catalogus is verschenen. Het bevat talloze illustraties en informatieve essays, die de rol van literatuur beschrijven – zoals die van Proust, Guy de Maupassant, Cees Nooteboom en W.G. Sebald – in het werk van Elger Esser.
Elger Esser, geboren in Stuttgart in 1967, groeide op in Rome en studeerde aan de kunstacademie Düsseldorf. Zijn werk is internationaal tentoongesteld, onder meer in New York, Rome, Paris, Madrid, Hamburg, Keulen, Düsseldorf, München en bevindt zich in belangrijke museale collecties waaronder in Nederland het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Eigentijd, een groot overzicht van Essers oeuvre, bevat 31 grootformaat kunstfoto’s, 11 kunstfoto’s n.a.v. ansichtkaarten en een aantal originele ansichtkaarten uit Essers verzameling en uit het Gelders Archief.
Eigentijd is het vervolg op de succesvolle tentoonstelling Eigenzeit die eerder dit jaar in het Kunstmuseum Stuttgart te zien was.
Museum voor Moderne Kunst Arnhem, Utrechtseweg 87, Arnhem. T. 026 3775300

kempis poetry magazine
Filed under: -N E W S & E V E N T S,-Art & Poetry News 2010
.jpg)
Mikhail Yuryevich Lermontov
(Михаи́л Ю́рьевич Ле́рмонтов 1814 – 1841)
No, not on you my passion’s bent
1
No, not on you my passion’s bent
And not for me your beauty’s splendour;
In you I love what I remember
Of sorrow past and youth misspent.
2
And sometimes when I look at you and seek
With steadfast gaze to penetrate your heart
In occult colloquies I bear my part -
But it is with another that I speak.
3
I speak then with that long-lost love of mine,
Seek other features in your features’ stead
And, in your living lips, see lips long dead,
And see your eyes with burnt-out ardours shine.
Not Byron – of a different kind
Not Byron – of a different kind
Chosen of fate, yet still unknown,
Outcast as he and driven from home
Yet Russian I – in heat and mind.
Earlier begun and earlier done
But slight will my achievement be…
And wrecked hopes lie like sunken suns
In my suol’s depths as in the sea.
Who, gloomy ocean depth has told
Your tale of mysteries? And who – if anyone
My thoughts can to the mob unfold?
Why – I myself, or God, or none.
.jpg)
Mikhail Lermontov poetry
kempis poetry magazine
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Lermontov, Mikhail

Karl Kraus
(1874 -1936)
In diesem Land
In diesem Land wird niemand lächerlich,
als der die Wahrheit sagte. Völig wehrlos
zieht er den grinsend flachen Hohn auf sich.
Nichts macht in diesem Lande ehrlos.
In diesem Land münzt jede Schlechtigkeit,
die anderswo der Haft verfallen wäre,
das purste Gold und wirkt ein Würdenkleid
und scheffelt immer neue Ehre.
In diesem Land gehst du durch ein Spalier
von Beutelschneidern, die dich tief verachten
und mindestens nach deinem Beutel dir,
wenn nicht nach deinem Gruße trachten.
In diesem Land schließt du dich nicht aus,
fliehst du gleich ängstlich die verseuchten Räume.
Es kommt die Pest dir auch per Post ins Haus
und sie erwürgt dir deine Träume.
In diesem Land triffst du in leer Luft,
willst treffen du die ausgefeimte Bande,
und es begrinst gemütlich jeder Schuft
als Landsmann dich in diesem Lande.
Poem of the week July 25, 2010
kempis poetry magazine
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POEM OF THE WEEK,Archive 2010,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POETRY ARCHIVE,Archive K-L
.jpg)
P. A. d e G é n e s t e t
(1829 – 1861)
ARS LONGA, VITA BREVIS
De kunst is lang, het leven kort –
En ’t werk van vluchtige uren,
Dat zonder strijd verkregen wordt,
Zal slecht den Tijd verduren.
De kunst is lang, maar kort de tijd
U, voor uw taak, gegeven,
Zoo spil uw kracht in lust noch nijd;
Niet velerlei uw hart gewijd!
Maar ’t éénig kunstwerk ál uw vlijt –
Of ’t u mocht overleven!
.jpg)
P.A. de Génestet gedichten
k e m p i s p o e t r y m a g a z i n e
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Génestet, P.A. de

Francois Pompon


‘New Monuments’, Nadia Naveau, Roman Riots

‘New Monuments’, Nick Ervinck

‘New Monuments’, Caroline Coolen, Flag

‘New Monuments’, Sven ‘t Jolle, Blue collar

‘New Monuments’, Kendell Geers, the F word
.jpg)
‘New Monuments’, Jan de Cock, Foro

Waiting for restauration



Henk Visch



Carl Milles

Hildo Krop

Philip Metten
Antwerp, Middelheimmuseum
It’s a visual feast to visit the Middelheimmuseum on a sunny Sunday. The permanent collection counts over 400 sculptures of celebrated artists like Henry Moore, Rik Wouters, Alexander Calder, Barbara Hepworth, Thomas Schutte, Ossip Zadkine etcetera. And currently there is an interesting temporary exhibition on view, ‘New Monuments’, with amongst others Kendell Geers, Wesley Meuris, Jan de Cock and Nick Ervinck, which merges seamlessly into the sculpture park. A couple of hours is not enough, i need to go back soon. Here a selection of pictures:
Photos & text Anton K. – June 2010
kempis poetry magazine
![]()
Filed under: -N E W S & E V E N T S,-Art & Poetry News 2010,EXHIBITION,Anton K. Photos,EXHIBITION,K=M Art Gallery
Thank you for reading KEMP=MAG - KEMPIS POETRY MAGAZINE - magazine for art & literature