• INDEX
  • ABOUT US
  • LINKS
  • AGENDA
  •        HOME  


    New

    1. Aloysius Bertrand: L’écolier de Leyde
    2. Jacques Perk: O, noodlot!
    3. Gabriele D´Annunzio: I Poeti
    4. Mark Twain: Post-Mortem Poetry
    5. Gevelgedicht van Erik van Os in Hulten NB
    6. Expositie n.a.v. De Val van Albert Camus in ZINGERpresents Amsterdam
    7. Ed Schilders Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (3)
    8. P.C. Boutens: In eenzaamheid
    9. George Eliot: Count That Day Lost
    10. A case of identity: Doris
    11. Velimir Chlebnikov: Wind is song
    12. Edith Södergran: 3 poems
    13. Gedicht Ton van Reen: Lopen
    14. Lola Ridge: Broadway
    15. William Shakespeare: Sonnet 045
    16. Dutch Landscape: Trees
    17. Marcel Proust: Antoine Watteau
    18. Anton Chekhov: The Doctor
    19. A case of identity: Alice
    20. Willem Bilderdijk: Uitboezeming
    21. Franz Kafka: Ein Brudermord
    22. Delmira Agustini: Debout Sur Mon Orgueil Je Veux Montrer Au Soir
    23. Henry Wadsworth Longfellow: Twilight
    24. Gabriele D’Annunzio: 3 Poems
    25. Ed Schilders: Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (2)
    26. Gronama gedicht: Kantoren
    27. Studium Generale UU: De biografie, een wetenschappelijk en literair genre
    28. Hans Hermans photos: Montagne
    29. Art Gallery Christian Nagel in Antwerp
    30. Mark Twain: The Danger of Lying in Bed
    31. Amy Levy: A Greek Girl
    32. Masaoka Shiki: Tanka
    33. Sappho: Sleep, darling
    34. Charles Dickens: Lucy’s Song
    35. Marina Tsvetaeva: Conversation With A Genius
    36. Virginia Woolf: The Man Who Loved His Kind
    37. Jef van Kempen: Stairs
    38. Ed Schilders: Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (1)
    39. Boeken rond het Paleis 2010 in centrum Tilburg
    40. Nachrichten aus Berlin: Reflections 3
    41. Gabriele D’Annunzio: La Pioggia nel Pineto
    42. William Shakespeare: Sonnet 044
    43. Dylan Thomas: Vision and Prayer
    44. Tropenmuseum Amsterdam: Expositie Betsabeé Romero – Cars & Traces
    45. Willem Bilderdijk: Troostzang
    46. Mikhail Yuryevich Lermontov: 3 Poems
    47. Primo Levi: The Survivor
    48. J.-K. Huysmans: 10 – Ballade chlorotique (Le Drageoir aux épices)
    49. Multatuli: Idee Nr. 16
    50. Masaoka Shiki: In the coolness

    Categories

    1. -N E W S & E V E N T S
    2. EXHIBITION
    3. FICTION & NON-FICTION
    4. KEMP = MAG POETRY LIBRARY
    5. MUSEUM OF LOST CONCEPTS
    6. MUSEUM OF NATURAL HISTORY
    7. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
    8. STORY ARCHIVE
    9. ULTIMATE LIBRARY
    10. zone

    Archives

    1. September 2010
    2. August 2010
    3. July 2010
    4. June 2010
    5. May 2010
    6. April 2010
    7. March 2010
    8. February 2010
    9. January 2010
    10. December 2009
    11. November 2009
    12. October 2009
    13. September 2009
    14. August 2009
    15. July 2009
    16. June 2009
    17. May 2009
    18. April 2009
    19. March 2009
    20. February 2009
    21. January 2009
    22. December 2008
    23. November 2008
    24. October 2008
    25. September 2008
    26. August 2008
    27. July 2008
    28. June 2008
    29. May 2008
    30. April 2008
    31. March 2008
    32. February 2008
    33. January 2008
    34. December 2007
    35. November 2007

     

    1. Subscribe to new material: RSS

    Herman Gorter: ‘t Is vol van schatten hier


    Poem of the week: February 28, 2008

    Herman Gorter (1864-1927)


    ‘t Is vol van schatten hier

    Mijn kamer is der stilte diepste groef,
    ‘s morgens om vijf uur, als de eerste haan
    nog slaapt. Stil is het vuur van ‘t lamplicht aan,
    dat goudstralend zich in schemer begroef.

    ‘t Is vol van schatten hier, en ik behoef
    maar even van mijn tafel op te staan,
    ‘t hoofd in den schemer, naar een hoek te gaan,
    waar ik iets opdelf en blader en proef.

     

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POEM OF THE WEEK,Archive 2008,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Gorter, Herman


    Willem van Haren


    VROUWEN WAREN ZIJN ZWAKSTE PUNT

    Door Jef van Kempen

    “De gebroeders Van Haren waren Friese edellieden, geen Hollanders, en desondanks geen boerse landjonkers maar uiterst gecultiveerd,” schreef E. du Perron in zijn in 1939 verschenen historische roman “Schandaal in Holland”. Du Perron had zich laten inspireren door het publieke schandaal dat het gevolg was van de beschuldigingen tegen Onno Zwier van Haren wegens incest met twee van zijn dochters. Maar ook diens oudere broer Willem kwam in opspraak toen hij, ten onrechte, werd beschuldigd van fraude in zijn functie als ontvanger-generaal van Friesland.
    Willem van Haren (1710-1768) was sinds het verschijnen van zijn epos “Friso, koning der Gangariden en Prasiaten” in 1741 een gevierd dichter. Zijn werk werd zelfs bejubeld door de Franse schrijver Voltaire.
    Willem had een zwak voor vrouwen. Hij was drie keer getrouwd en had vele buitenechtelijke verhoudingen. Du Perron: “De vrouwen waren van jongsaf Willem van Haren’s zwakste punt: hij ging op hen af met de naïeve begerigheid van een kind voor koekjes en zonder veel meer kieskeurigheid.” Er wordt beweerd dat hij aan het eind van zijn leven zoveel wettige en onwettige kinderen en kleinkinderen had, dat hij ze niet meer uit elkaar kon houden.
    Moe door familietwisten en achtervolgd door meer dan honderd schuldeisers trok Willem van Haren zich in zijn laatste jaren steeds vaker terug in zijn kasteel Henkenshage in Sint-Oedenrode, waar hij was benoemd tot schout en dijkgraaf.
    Op 4 juli 1768 pleegde hij daar zelfmoord voor de ogen van zijn hele familie. Toen iedereen aan tafel was gezeten, vroeg hij zijn bediende om een glas wijn en om een poedertje dat in de kast lag. “Met een theelepeltje had hij het rustig in zijn glas omgeroerd en opgedronken. (…) Soms sloot hij zijn ogen even, men dacht dat hij gelukkig, hoewel vermoeid was. Een half uur nadat hij het glas uitgedronken had, viel zijn hoofd op zijn borst; zijn ogen waren nu niet meer gesloten, maar staarden.”
    In zijn laatste gedicht “Het menschelyk leven” lijkt hij zijn eigen tragische einde te hebben voorspeld: “Helaas! helaas! hoe vlieden onze dagen, / Hoe spoedt zich ieder uur met onzen luister heen! / Hoe flauwe vreugd, hoe bitter plagen, / Hoe min vermaak, hoe veel geween.”
    (Brabants Dagblad, 22 maart 2005)

    kemp=mag poetry magazine

    Filed under: FICTION & NON-FICTION,NONFICTION: ESSAYS & STORIES,Jef van Kempen,FICTION & NON-FICTION,DEAD POETS CORNER,Oude meesters


    Titus Brandsma


    HEUTE NUR BRANDSMA GESTORBEN

    Door Jef van Kempen

    “Toen ik Donderdag, na even gewogen te zijn, op mijn cel terug kwam, ging juist de bibliothecaris met zijn wagentje rond.” Die had twee boeken achter gelaten: De klop op de deur van Ina Boudier-Bakker en De Bareelsen van Maurits Sabbe. “Hij kwam nog even terug om te vragen of die boeken me aanstonden. Ik moest bekennen dat romans mijn geliefde lectuur niet waren.” Liever had Titus Brandsma de twee boeken terug die hij bij zijn arrestatie had weten mee te nemen en die hem in de strafgevangenis van Scheveningen waren afgenomen: Jezus van Cyriel Verschaeve en een nieuwe uitgave van Het leven van de Heilige Theresia. De bibliothecaris zou ze hem terugbezorgen. “Ik heb nu meer de lectuur, die ik deze dagen het liefst heb”, noteerde Brandsma in zijn gevangenisdagboek.
    Dat Titus Brandsma uitgerekend de Vlaamse priester-dichter Cyriel Verschaeve tot zijn favoriete schrijvers rekende, is opmerkelijk. Verschaeve had in die tijd naast Jezus Christus nog een idool: Adolf Hitler. En juist Brandsma’s principieel anti-nationaal-socialisme zou hem noodlottig worden.
    De in 1881 in Bolsward geboren Titus Brandsma studeerde filosofie en sociologie. Hij was als priester, leraar en journalist actief in Oss en later gevierd hoogleraar in Nijmegen. Al voor de oorlog had Brandsma zich in artikelen tegen de jodenvervolging in Duitsland gekeerd. Tijdens de bezetting wierp hij zich, als geestelijk adviseur van de R.K. Journalistenvereniging, op als verdediger van de vrijheid van pers. In 1941 maakte hij een rondreis door Nederland om redacties en directies van kranten er van te overtuigen op geen enkele manier met de N.S.B. samen te werken.
    Dat was voor de bezetters de druppel die de emmer deed overlopen. Titus Brandsma werd op 20 januari 1942 door de Sicherheitspolizei gearresteerd. Na een verblijf in de gevangenis van Scheveningen werd hij op transport gesteld naar het concentratiekamp Dachau. Op 26 juli 1942 diende een S.S.-kamparts hem een dodelijke injectie toe. “Heute nur Brandsma gestorben”, was de cynische conclusie aan het eind van die zondag.
    Achter in de Sint Jan in Den Bosch is voor Titus Brandsma, een van de laatste grote katholieke helden van Nederland, een gedachteniskapel ingericht.
    (Brabants Dagblad, 18 mei 2004)

    kemp=mag poetry magazine

    Filed under: FICTION & NON-FICTION,CATHEDRALS,FICTION & NON-FICTION,NONFICTION: ESSAYS & STORIES,Jef van Kempen,FICTION & NON-FICTION,WAR & PEACE


    Joep Eijkens: Strange places

     

    Joep Eijkens photos

    Strange places

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    © j eijkens

    Filed under: EXHIBITION,Joep Eijkens Photos


    Wilfred Owen

     Poem of the week February 21, 2008

    Wilfred Owen (1893-1918)

    Strange Meeting

    It seemed that out of battle I escaped
    Down some profound dull tunnel, long since scooped
    Through granites which titanic wars had groined.
    Yet also there encumbered sleepers groaned,
    Too fast in thought or death to be bestirred.
    Then, as I probed them, one sprang up, and stared
    With piteous recognition in fixed eyes,
    Lifting distressful hands, as if to bless.
    And by his smile, I knew that sullen hall,-
    By his dead smile I knew we stood in Hell.
    With a thousand pains that vision’s face was grained;
    Yet no blood reached there from the upper ground,
    And no guns thumped, or down the flues made moan.
    ‘Strange friend,’ I said, ‘here is no cause to mourn.’
    ‘None,’ said that other, ‘save the undone years,
    The hopelessness. Whatever hope is yours,
    Was my life also; I went hunting wild
    After the wildest beauty in the world,
    Which lies not calm in eyes, or braided hair,
    But mocks the steady running of the hour,
    And if it grieves, grieves richlier than here.
    For by my glee might many men have laughed,
    And of my weeping something had been left,
    Which must die now. I mean the truth untold,
    The pity of war, the pity war distilled.
    Now men will go content with what we spoiled,
    Or, discontent, boil bloody, and be spilled.
    They will be swift with swiftness of the tigress.
    None will break ranks, though nations trek from progress.
    Courage was mine, and I had mystery,
    Wisdom was mine, and I had mastery:
    To miss the march of this retreating world
    Into vain citadels that are not walled.
    Then, when much blood had clogged their chariot-wheels,
    I would go up and wash them from sweet wells,
    Even with truths that lie too deep for taint.
    I would have poured my spirit without stint
    But not through wounds; not on the cess of war.
    Foreheads of men have bled where no wounds were.
    ‘I am the enemy you killed, my friend.
    I knew you in this dark: for so you frowned
    Yesterday through me as you jabbed and killed.
    I parried; but my hands were loath and cold.
    Let us sleep now….’

    Wilfred Owen

     

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POEM OF THE WEEK,Archive 2008,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,WAR POETRY,Owen, Wilfred


    Thomas a Kempis: Words

     
    Of the danger of superfluity of words

    Avoid as far as thou canst the tumult of men; for talk concerning
    worldly things, though it be innocently undertaken, is a
    hindrance, so quickly are we led captive and defiled by vanity.
    Many a time I wish that I had held my peace, and had not gone
    amongst men.  But why do we talk and gossip so continually,
    seeing that we so rarely resume our silence without some hurt
    done to our conscience?  We like talking so much because we hope
    by our conversations to gain some mutual comfort, and because we
    seek to refresh our wearied spirits by variety of thoughts.  And
    we very willingly talk and think of those things which we love or
    desire, or else of those which we most dislike.

    But alas! it is often to no purpose and in vain.  For this
    outward consolation is no small hindrance to the inner comfort
    which cometh from God.  Therefore must we watch and pray that
    time pass not idly away.  If it be right and desirable for thee
    to speak, speak things which are to edification.  Evil custom and
    neglect of our real profit tend much to make us heedless of
    watching over our lips.  Nevertheless, devout conversation on
    spiritual things helpeth not a little to spiritual progress, most
    of all where those of kindred mind and spirit find their ground
    of fellowship in God.

    Thomas a Kempis ca. 1380-1471
    (Imitatio Christi, Book 1, chapter X)

    Filed under: FICTION & NON-FICTION,BOOKS,Thomas a Kempis


    Sherlock Holmes theatre

     

     

    to be continued

    Filed under: FICTION & NON-FICTION,BOOKS,Arthur Conan Doyle,ULTIMATE LIBRARY,Sherlock Holmes Theatre


    Antony Kok: Vlahaisvatka poème dada

    Antony Kok 1923

    Vlahaisvatka

    poème dada

    Aan Kurt Schwitters

      

    L U -

    siberische appelbloesemtafelpeervla

                   reuze neuze

    plooi

    pluis

          L U I S

                                  renepepella

           huis


    Kooi

    vlooi

                kloosterkluis

                       peerhuis

                                     luisnat –

                       appelboomvat


                       D R

                      A N T O N I

                      K A K L O K


                       klokkenhuisklop


    har

            mo

                   ni

                          ka

    ha


                                   d a D A

     

    kemp=mag poetry magazine

    © Erven Antony Kok

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CONCRETE & VISUAL POETRY,Concrete + Visual Poetry K-O,FICTION & NON-FICTION,DADA & DE STIJL,Dada,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,EXPERIMENTAL POETRY,Kok, Antony,EXHIBITION,Visual & Concrete Poetry


    Ingid van den Bergh: Zonder titel

     

     

     Ingrid van den Bergh 

      Zonder titel 

       

    Da

    Da

    DaDa

     

    DADA

     

    Kla

    nk

    Klank

     

    KLANK

     

    Di

    cht

    Dicht

     

    DICHT

     

    Di

    ng

    Ding

     

    DING

     

    DADAKLANKDICHTDING

     

    DADAKLANKDICHTDING

    DADADICHTDING

    DADADING

     

    Da

    Ding

    DaDa

    Ding

     

    DADADING

       

     © Ingrid van den Bergh

    Naar aanleiding van thema Gedichtendag 2008: ‘Dingen in gedichten’

     

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POETRY ARCHIVE,Archive A-B


    Jef van Kempen gedicht: Onzichtbaar


    Onzichtbaar

    Soms sprak zij van
    alle planten van de wereld
    die ondergronds verbonden zijn
    door middel van onzichtbare draden
    en die door chemische stoffen in staat
    van seksuele opwinding geraken om daarna
    weer snel te bezwijken bij de geringste
    tegenslag en dat dit alles een geheim
    is dat door god en de heiland en
    anderen wordt bewaard.
    Zo sprak zij dan.
    Ik luisterde.

     

    Jef van Kempen   

    (Laatste Bedrijf. Gedichten 1966-2006)

     kemp=mag poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,MODERN POETRY,Kempen, Jef van


    W.F. Hermans: Een zootje gemankeerde schrijvers

     


    EEN ZOOTJE GEMANKEERDE SCHRIJVERS ZONDER TALENT
    Willem Frederik Hermans in Tilburg

    Door Jef van Kempen

    Het was koud, de avond dat Dominique de Vet en haar broer Joost naar Brussel reden, om schrijver W.F. Hermans thuis op te halen. Ze hadden dat al meer gedaan voor stichting J.H. Leopold, organisator van de "Nacht van het boek" in Tilburg. In een onlangs verschenen boekje over 22 jaar literaire activiteiten van de Leopoldstichting, haalt Dominique herinneringen op aan die autoritten met Reve, Campert, Kouwenaar en Claus. En aan die gedenkwaardige zaterdag 25 maart 1995 toen Hermans voor zou dragen in de Tilburgse schouwburg. Broer en zus vreesden eigenlijk voor Hermans’ reputatie, nogal humeurig te kunnen zijn. Maar dat viel heel erg mee. Hermans: "U komt helemaal van Tilburg naar Brussel om mij op te halen. Waarom zou ik onaardig tegen u zijn?”
    Hermans bekende dat hij naast typemachines ook touwtjes verzamelde. Dominique: "En hij typte zijn boeken – ik heb het zelf gezien aan het manuscript van Ruisend gruis dat hij in een plastic tasje bij zich had – op de achterkant van afgedankt briefpapier van bedrijven dat hij eigenhandig bij het oud papier had weggehaald."
    In de grote zaal vertelde Hermans, in een decor van typemachines uit de verzameling van het museum Scryption, over de dood van Multatuli: "Zijn leven ging als een nachtkaars uit. Na een hoestbui sliep hij voorgoed in. "Op datzelfde moment kreeg Hermans zelf een onbedaarlijke hoestbui. Presentator Michaël Zeeman riep bezorgd: "Voorzichtig, voorzichtig." Het publiek lachte uitgelaten. Niemand wist toen, dat de schrijver van De laatste roker terminale longkanker had.
    In de pauze stond ik in een lange rij om Hermans mijn exemplaar van Malle Hugo te laten signeren. Een vrouw voor mij durfde hem zelfs aan te spreken. "Ik ben een bewonderaarster van u," flapte ze er uit.  Haar volgende mededeling was, dat ze zelf ook schreef. "Maar volgens de recensenten bak ik er helemáál niets van." "Niets van aantrekken,"  sprak Hermans tussen twee hoestbuien door. "Het is een zootje gemankeerde schrijvers zonder talent. U moet gewoon rustig doorgaan."
    Een maand later was Willem Frederik Hermans dood.

    (Brabants Dagblad, 3 oktober 2002)

     

    kemp=mag poetry magazine

    Filed under: FICTION & NON-FICTION,NONFICTION: ESSAYS & STORIES,Jef van Kempen,FICTION & NON-FICTION,BOOKS,WF Hermans


    Robert Burns: The Lazy mist

    Poem of the week February 14, 2008

     

    THE LAZY MIST

    I
    The lazy mist hangs from the brow of the hill,
    Concealing the course of the dark winding rill;
    How languid the scenes, late so sprightly, appear!
    As Autumn to Winter resigns the pale year.
    The forests are leafless, the meadows are brown,
    And all the gay foppery of summer is flown:
    Apart let me wander, apart let me muse,
    How quick Time is flying, how keen Fate pursues!

    II
    How long have I liv’d, but how much liv’d in vain!
    How little of life’s scanty span may remain!
    What aspects, old Time, in his progress, has worn!
    What ties cruel Fate in my bosom has torn!
    How foolish, or worse, till our summit is gain’d!
    And downward, how weaken’d, how darken’d, how pain’d!
    Life is not worth having with all it can give—
    For something beyond it poor man sure must live.

    Robert Burns (1759-1796)

     

     

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POEM OF THE WEEK,Archive 2008,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Burns, Robert


    « Continue reading

    Thank you for reading KEMP=MAG - KEMPIS POETRY MAGAZINE - magazine for art & literature