• INDEX
  • ABOUT US
  • LINKS
  • AGENDA
  •        HOME  


    New

    1. Hans Hermans foto’s – Gedicht Johann Wolfgang von Goethe
    2. Van Abbemuseum: Spirits of Internationalism
    3. William Shakespeare: Sonnet 114
    4. John Milton: On time (Vertaling Cornelis W. Schoneveld)
    5. Forum d’art contemporain Luxembourg: L.A. Raeven – Ideal Individuals
    6. Poolse dichteres Wislawa Szymborska overleden
    7. Desinteresse
    8. Freda Kamphuis photos: Colours (1)
    9. Ton van Reen gedicht: spitsuur
    10. Bookshop: Shakespeare and Company in Paris. Death of George Whitman
    11. Schrijfster Doeschka Meijsing overleden
    12. Tilburgs literatuur- en theaterfestival TILT
    13. Kreunende tijd: gedichten Bert Bevers & foto’s Joep Eijkens
    14. ‘Poëzie in de kroeg’ in Assen op zondag 5 februari
    15. Philip Larkin: Maiden Name. Nieuwe vertaling Cornelis W. Schoneveld
    16. Richard Steegmans gedicht: Over het doorstaan van de rijpheid
    17. John McCrae: Then And Now
    18. Boris Vian: La vie c’est comme une dent
    19. Freda Kamphuis: Flatscape
    20. William Shakespeare: Sonnet 113
    21. Richard Steegmans gedicht: Blues met bekentenis
    22. J.A. Woolf: Making memories (06)
    23. Our base
    24. Ivo van Leeuwen: Portret van Esther Porcelijn
    25. Gedichtendag 26 januari 2012: Gedicht ‘Weggeblazen’ van Kinderstadsdichter Pleun Andriessen
    26. Hans Hermans foto’s – Gedicht Heinrich Heine
    27. Lawrence Weiner: Statements

    Categories

    1. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
    2. FICTION & NON-FICTION – books, literary history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, dead poets corner, etc.
    3. KEMP = MAG POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
    4. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
    5. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
    6. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
    7. NEWS & EVENTS – art & poetry news, talk of the town, repression of writers & artists
    8. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
    9. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
    10. _

     

    1. Subscribe to new material: RSS

    Ed Schilders: Verdronken dichters 1

     

    E d   S c h i l d e r s

    over 

    H e n d r i k   M a r s m a n

    Verdronken Dichters

    deel 1

    De zwart-wit foto die de voorkant van Phoenix Pocket nummer 82 siert heeft iets merkwaardigs. Het boek heet Drie Vrienden en het is W.L.M.E. van Leeuwens vriendschappelijke studie over het werk van drie Nederlandse letterkundigen. Menno ter Braak staat links. Hij glimlacht vriendelijk, draagt een grijzig colbert met vest en heeft de armen over elkaar geslagen. Rechts staat Du Perron. Ook hij kaalt al wat. Hij draagt een stevige jas met een gestippelde stropdas en probeert te lachen.
    Op de linkerpols van Ter Braak is een horloge zichtbaar. Hoe laat was het toen E. van Moerkerken die foto gemaakt heeft? Het lijkt, als we heel goed kijken, tegen de klok van elven te lopen. Dat zou kunnen. Het licht dat de foto beheerst is een ochtendlicht. Nederlands, grijzig ochtendlicht. En in dat licht valt voor het eerst bewijsbaar op wat er met deze foto aan de hand is. De derde man, de middelste heer, staat in een veel helderder, veel witter licht. Zijn glimlachende hoofd licht op boven een boord die witter is dan die van de twee vrienden. Dat fijner belichte hoofd is veel te wit in vergelijking met zijn handen. Die derde man is, natuurlijk, Hendrik Marsman. Wie de foto nauwkeurig bekijkt, ziet dat zijn hoofd, hals, boord, en stropdas eigenlijk helemaal niet bij deze foto horen. Het is niet zijn colbert dat we zien, en niet zijn handen zijn het. Marsman heeft nooit tussen Ter Braak en Du Perron gestaan voor zo’n stenen muurtje, zo’n Nederlands stenen muurtje dat het balkon afbakent van het balkon van de buren. Marsmans hoofd is in de foto ingeplant, ingesneden. In feite is dat hoofd gefotografeerd in 1934, in Madrid, en stond Marsman in een fel Spaans licht naast Arthur Lehning.
    De man die wel tussen Du Perron en Ter Braak stond voor dat muurtje was Simon Vestdijk. Zeer kort geknipt haar, een bril als die van Ter Braak maar dan met ‘armpjes’, en de meest norse trekken van alle drie om de mond. En zo is er dus een foto waarop Vestdijks romp het hoofd van Marsman stut; het is ook een foto van een vriendschap die een feit was maar die nooit gefotografeerd werd. Een beeld dat later werd samengesteld om ons idee van het verleden uit te drukken op de omslag van een boek.

    De collage voor het omslag van ‘Drie Vrienden’ door W.L.M.E. van Leeuwen; 
    Marsman gefotografeerd in Madrid met Arthur Lehning
     
    Ter Braak, Du Perron en Marsman samen op een foto. Ik hoef, denk ik, niet uit te leggen waardoor de vriendschap die in die samengestelde foto gevangen is, overstemd wordt. Soms is het licht nog nauwelijks een mengeling van Nederlands en Spaans ochtendlicht maar een licht van alle tijden en streken. Is het op Ter Braaks horloge bijna twaalf uur.
    Ze overleden kort na elkaar, in het eerste oorlogsjaar. Ieder op een eigen wijze. De twee originelen het dichts bij elkaar. Du Perron in Bergen, dicht bij zee, ziek, op veertien mei. Ter Braak, een dag later, gezond van verstand door eigen hand. Marsman stapt opnieuw uit de foto. Hij laat op zich wachten. Hij woont in Frankrijk en in mei 1940 schrijft Gerrit Achterberg:
    Red Marsman, die in Frankrijk woont, o God.
    Tevergeefs. Marsmans dood is misschien de meest tragische van de drie. Niet omdat hij maar amper veertig was – Du Perron was even oud, Ter Braak jonger – maar omdat zijn dood er een van het noodlot was, of althans door ons als zodanig het sterkst ervaren wordt.
    Marsman stierf op 21 juni 1940, dat weten we, maar niemand weet precies hoe. Dat is wellicht de mooiste dood die men zich kan wensen. Alleen, Marsman wenste geen dood.
    De eerste berichten die ons land bereiken zijn vaag. Van Leeuwen schrijft in zijn herinneringen: ‘Toen wij die avond in juni 1940 door de radio het bericht van zijn dood hoorden – een bericht gegeven tussen andere berichten – werden wij stiller dan ooit.’ Hij geeft zijn bericht aan het slot van een hoofdstuk, als een toegift, een bericht gegeven na alle andere berichten. Dit zijn Van Leeuwens feiten: dat Marsman in Frankrijk nabij Bordeaux op een schip wachtte en ondertussen zijn laatste gedicht schreef. Dat dat schip de ‘Bernice’ was. Dat de ‘Bernice’ getorpedeerd werd. Dat Marsman daarbij ‘de dood in de golven vond’.
    Luisterde Van Leeuwen naar een door de bezetter gecontroleerde zender? Klonk de stem van de nieuwslezer ontroerd? Was er veel ruis op de radio? Was het buiten al donker? Stond de kachel rood, was de kamer blauw van de rook? Viel het verdriet van hem af ‘als een laag europeesche sneeuw’? Van Leeuwen heeft het ons niet    geschreven. Luisterde Van Leeuwen wel in de maand juni?
    Een mooi toeval deed mij de eigenaar worden van een groot Marsmandossier. De vorige eigenaar knipte alles uit alle kranten over Marsman. Hij dateerde zijn knipsels scrupuleus. Berichten met betrekking tot de dood van Marsman bracht hij onder in een blauw schriftje. Op het etiket schreef hij met pen en inkt, ‘In memoriam H. Marsman.’
    Het oudste bericht in dat schrift is een knipsel uit het Algemeen Handelsblad, gedateerd 21 juli 1940. Vergiste de verzamelaar zich? Ik denk het niet, gezien de inhoud van het knipsel. Kop: De dichter H. Marsman overleden; inhoud: ‘Naar Het Vaderland meldt, is de dichter mr. H. Marsman, ruim veertig jaar oud, in het buitenland overleden’. Waarna een opsomming van Marsmans werk volgt en een portretfoto. Geen woord over de toedracht, ook twee dagen later niet als het AH terugkomt met een langer herdenkingsartikel. Heeft Nederland precies één maand op het definitieve bericht moeten wachten?
    In De Vacature van 12 november 1940 staat aflevering zeven van George de Sévooys Aantekeningen. De openingsalinea is sober: ‘Nadat wij enige dagen in onzekerheid hadden verkeerd omtrent de juistheid van het voorlopig bericht, dat de dichter Henri Marsman bij een scheepsramp om het leven zou zijn gekomen, bereikte ons tenslotte de definitieve tijding van zijn dood.’
    Hoeveel is ‘enige dagen’, denk ik dan, wanneer ‘tenslotte.’ Korter, in ieder geval, dan Arthur Lehning die in het openingshoofdstuk van De Vriend van Mijn Jeugd benadrukt hoe lang nieuws onderweg kon zijn voor het tijding werd. ‘Het bericht van zijn dood drong pas tot mij door zeven maanden na het vergaan van de boot, waarmee hij gehoopt had uit Bordeaux Engeland te bereiken. Het was in de late avond van de 17e Januari 1941, dat ik de juiste toedracht vernam.’
    De twijfel, het wachten, werden misschien het sterkst samengevat door Adriaan Roland Holst, die vanuit Bergen, vlak bij de zee, dichtte,
    Verdween hij? Verdween hij niet?

     

    E. van Moerkerken, foto van de drie vrienden, v.l.n.r.: Ter Braak, Vestdijk en Du perron

    Tien jaar later wordt Marsman door de Nederlandse pers uitbundig herdacht, al kan men zich bij het lezen van de artikelen niet aan de indruk onttrekken dat de colbertjes werden aangehouden. Tien jaar later, en het niet-weten over die 21e juni is veranderd in verwarring. In Vrij Nederland van 24 juni 1950 opent Hendrik de Vries zakelijk: ‘De 21e Juni 1940 verongelukte het schip dat Marsman uit Frankrijk naar Portugal zou redden. Hij kwam om, zijn vrouw overleefde die ramp.’ De Waarheid van dezelfde dag, een zaterdag, laat een andere De Vries aan het woord, Theun. ‘Hij en zijn vrouw vluchtten (voor het Italiaans offensief), zagen kans Portugal te bereiken en op een voor Engeland bestemd schip te komen, dat echter vlak daarna op een mijn liep.’ De Vrijdenker, nog steeds dezelfde zaterdag: ‘Het schip werd getorpedeerd…’ Al eerder, 12 juni 1948, had Het Vrije Volk laten weten, ‘de boot liep op een mijn of werd getorpedeerd.’ Wat de datum betreft schreef Godfried Bomans in 1945 in de Volkskrant van zaterdag 11 augustus, over ‘zijn dood in de Meidagen van 1940.’

    ‘Bernice’. Misschien was het een Engels vrachtschip. De Engelsen zeggen inderdaad ‘Bernice’, zoals in F. Scott Fitzgeralds verhaal ‘Bernice bobs her hair.’ Lehning heeft waarschijnlijk gelijk als hij het schip de Berenice noemt, een klassieke naam, ook in de scheepvaart. Berenice was de vrouw van Ptolemaios III van Egypte die een sterrenbeeld vernoemd heeft naar het prachtige haar van Berenice, de Coma Berenice, ‘Het hoofdhaar van Berenice’.
    Ptolemaios hield van zijn vrouw, van de haren van zijn vrouw en van de sterren. Het laatste omdat hij nogal eens op zeer was. Hij moet op de sterren gevaren hebben en het sterrenbeeld zal hem aan de weelderige lokken van Berenice herinnerd hebben. Dat is niet de reden waarom veel schepen Berenice heetten. De reden is, dat Berenice, als een offer, op zekere bange dag haar prachtige sterrenhaar afschoor om zo bij de Goden, de goden van de Egyptische Tempels, de veilige overtocht van haar man te bewerkstelligen.
    Marsman schreef in Tempel en Kruis,
    Ik die bij de sterren sliep en ‘t haar der ruimten droeg…
    Als ik deze en de drie volgende regels lees, het eerste kwatrijn van het zeventiende gedicht uit de bundel, dan denk ik dat hier pas in volle omvang wordt uitgedrukt wat Marsman eerder, fraai maar veel pathetischer had verwoord met zijn ‘Groots en meeslepend wil ik leven…’ Hier is geen wil of wens meer, hier is de tijd voltooid verleden, hier is geleefd op de meest begeerde wijze. En des te ingrijpender zijn daardoor de regels die volgen,
    ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand…
    ik voel de waatren stijgen in den nacht…

    … laat mij te pletter slaan en kermen als een meeuw tusschen het zwarte wier…

    Zelden werd poëzie zo krachtig verhoord. Droeg Marsman in het eerste kwatrijn een ‘zilveren gewei’, gemaakt uit ,’t haar der ruimten’, in Paradise Regained (‘Hiddensoe’) schreef hij over de ‘zilveren dood’. Hier vaart een ‘bronzen boot’ waarvan de boeg als een dolk door het maanbeschenen nachtwater snijdt.
    Schuim
    flarden bloed

    zijn de laatste twee regels.
    En dan is er ‘De Overtocht’ in dezelfde bundel. Na Marsmans dood is het alleen maar mooier geworden dan het al dertien jaar was. Is het ook herkend, in dit macabere spel van leven en dichten, als ‘voorspelling’ of ‘visioen’.
    De eenzame zwarte boot
    vaart in het holst van den nacht
    door een duisternis, woest en groot
    den dood, den dood tegemoet.

    Zo is het gegaan. Dat vermoeden kan niemand ontnomen worden. Toch moet bedacht worden dat Marsmans gedichten alle vormen van dood bevatten en veel vormen van leven. Sla Paradise Regained één pagina eerder op en zie daar hoe de samenzwering gestalte krijgt als de ‘zwarte boot’ de wateren binnendrijft ‘van het eeuwige leven of den eeuwigen dood’.
    Wat suggereer ik dan door fragmenten en feiten te versnijden? Nog even. Hier is Marsmans laatste gedicht, volgens Van Leeuwen geschreven in Bordeaux, wachtend op de Berenice,
    Hoger kunnen de golven
    van de wanhoop niet gaan,
    denkt het hart; ik ben aan
    het einde door het donker bedolven.

    Het is geen goed gedicht. Het is wel een mooi gedicht. Maar dan is het alleen omdat de Berenice geen goede overtocht voor de maanbeschenen boeg had. De golven konden wel hoger gaan, denkt de lezer. En hij heeft gelijk, maar niet helemaal.

    Ik ben niet de eerste die zich laat verleiden tot een versnijding van feit en poëzie. Hendrik de Vries wees op de ‘profetische’ combinatie in Vrij Nederland en citeerde ter illustratie ‘De Overtocht’ en een stuk ‘Maannacht’,
    Ik lig in het ruim naast een vrouw…
    ‘Kantekleer’ deed het in Het Vrije Volk aan de hand van ‘De Gescheidenen’,
    Wij liggen eenzaam op de zwarte baar
    en zullen weldra op de klippen stranden…

    en het slot van ‘Den Vreemdeling’,
    Vaarwel
    ik keer niet weer…

    Lehning stelde toch minstens de ‘bittere ironie van het noodlot’ vast door uit een oude brief van Marsman te citeren: ‘De zee is de eenige vrouw die ik nooit verried, mijn onsterfelijke geliefde, de eenige die mij niet verraden zal en die ik niet zal verraden.’ En ook hij citeert ‘De Overtocht’, zij het als een ‘bezwering’ van dat noodlot in plaats van een voorspelling.

     

    H. Marsman (door Valentijn van Uytvanck)

    Het verlangen naar een samenhang tussen werk en biografie in een dergelijke wonderlijke mate, getuigt van een romantische instelling van de lezer. Het bestaat echter ook alleen maar bij de gratie van de verstreken tijd. Het is de luxe van de achteruitkijkspiegel die de tijd ons kan voorhouden. Het gevaar is groot dat we Marsmans werk althans voor een belangrijk deel onrecht doen door het verlangen naar samenhang te bevredigen en het water die fatale, macabere hoofdrol toe te denken, door een deel van de poëzie te duiden als bijna bovennatuurlijke biografie. Ik geloof daar niet in, en ik denk dat Lehning en de anderen die geciteerd werden er ook niet in geloofd hebben. Het toeval is echter te groot, het Noodlot lijkt echter tezeer op poëzie om er aan voorbij te gaan. Zo sterk hoeft geen lezer te zijn. In De Vriend van Mijn Jeugd schrijft Lehning dat ‘er in de poëzie van een tijdgenoot een alleen voor de contemporaine lezer herkenbare geheimtaal leeft.’ En hij voegt er aan toe, ‘er spreken dingen mee, die later verdwijnen.’ Er spreken ook dingen mee, denk ik, die pas later verschijnen. Als dat niet zo was, als Lehnings stelling het enige was, zou alle poëzie door het verstrijken van de tijd steeds verder afbrokkelen en tenslotte verdwijnen. Er moet een andere geheimtaal ontstaan als een gedicht wil overleven. Alleen de krachtigste poëzie herbergt de elementen die tot dat ‘herstel’ aanleiding geven. Veel van Marsmans werk, en zeker Tempelen Kruis, bezit die kracht. Het vermoeden, hier besproken, van een relatie tussen betekenis van de poëzie en het geestelijk leven van de schrijver, is zo’n nieuwe geheimtaal, gebaseerd op de grammatica van zijn dood. Hendrik de Vries was in de speciale aflevering van Criterium, ‘In Memoriam Hendrik Marsman’, de eerste die de nieuwe geheimtaal signaleerde. Hij noemde het ‘een soort voorweten van zijn einde’, en hoewel ik begrijp wat De Vries bedoelt en ik graag in deze geheimtaal meelees, is dat niet geheel juist. Het is geen ‘voorweten’ van de dichter, het is ons ‘naweten’, geen voorgevoel, maar nagevoel. Als een foto die heel mooi is in wat zij uitdrukt maar waarvan we weten dat de lichtval niet helemaal klopt omdat de foto door onszelf in elkaar is gesneden.
     

    Ed Schilders

    Behalve van de knipsels en Marsmans werk werd gebruik gemaakt van:
    - W.L.M.E. van Leeuwen, Drie Vrienden, Zeist & Antwerpen, 1963.
    - Arthur Lehning, De Vriend van Mijn Jeugd, Amsterdam, 1976.
    - ‘In Memoriam H. Marsman’, herdenkingsuitgave van Criterium, Amsterdam, 1940.


    In december 1985 schreef ik voor de Volkskrant een lang artikel naar aanleiding van de opnieuw actuele vraagstukken rond de identiteit van Shakespeare, een raadsel dat in zoverre overeenkomt met dat van Marsman dat ook hier de vraag gesteld kan worden of een interpretatie van het werk van de schrijver ons een feitelijk uitzicht kan verschaffen op vraagstukken van biografische aard. Op de precieze dag waarop ik de kopij voor ‘Verdronken dichters I, Marsman’ inleverde, 13 januari 1986, ontving ik een brief van een man die op mijn Shakespeare-artikel reageerde: zijn vader had in de jaren vijftig een boekje geschreven over de identiteit van Shakespeare. De schrijver van die brief was E. van Moerkerken, de maker van de originele ‘drie-vrienden-foto’. Tot zover het toeval. De compilatie is geschied zonder Van Moerkerkens medeweten: ‘een afschuwelijke figuur van de uitgeverij heeft zonder mijn toestemming het hoofd van Marsman op de foto geplakt’. En: ‘het is straffeloos gebeurd. Juridisch hebben we er achteraf niets meer aan kunnen doen’. Hij wijst me nog op een aflevering van de Vestdijk Kroniek (Nr. 17, september 1977) waarin hij zijn verhaal over deze foto gepubliceerd heeft. De foto is daarin ‘het gewone erbarmelijke knoeiwerk dat ontstaat wanneer gemakzucht en commercie de dienst uitmaken’, waarna van Moerkerken zijn curieuze herinneringen aan de bewuste dag, 25 november 1939, aan de lezers toevertrouwt. Blijft er bij dit alles een wat tri vale vraag over. Wie de foto’s goed bekijkt zal de stellige indruk krijgen dat de stropdas van de middelste man niet de stropdas van Vestdijk is. Marsman droeg die das in Spanje ook al niet. Vraag: wiens stropdag zit er onder Vestdijks colbertje en om Marsmans nek?  E.S.

    Ed Schilders, Verdronken dichters 1: H. Marsman.

    In: SIC Letterkundig tijdschrift, Jrg 1, nr. 1, 1986

    wordt vervolgd

    © Ed Schilders

    Filed under: FICTION & NON-FICTION - books, literary history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, dead poets corner, etc.,NONFICTION: ESSAYS & STORIES,Ed Schilders,KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,CLASSIC POETRY,Marsman, Hendrik


    Letitia Elizabeth Landon


    Poem of the week
    March 30, 2008

    Letitia Elizabeth Landon (L.E.L.)
    (1802-1838)

    THE SOLDIER’S GRAVE.
    There’s a white stone placed upon yonder tomb,
    Beneath is a Soldier lying:
    The death-wound came amid sword and plume,
    When banner and ball were flying.
    Yet now he sleeps, the turf on his breast,
    By wet wild flowers surrounded;
    The church shadow falls o’er his place of rest,
    Where the steps of his childhood bounded.
    There were tears that feel from manly eyes,
    There was woman’s gentler weeping,
    And the wailing of age and infant cries,
    O’er the grave where he lies sleeping.
    He had left his home in his spirit’s pride,
    With his father’s sword and blessing;
    He stood with the valiant side by side,
    His country’s wrongs redressing.
    He came again, in the light of his fame,
    When the red campaign was over:
    One heart that in secret had kept his name,
    Was claimed by the Soldier lover.
    But the cloud of strife came upon the sky,
    He left his sweet home for battle;
    And his young child’s lisp for the loud war-cry,
    And the cannon’s long death rattle.
    He came again,–but an altered man:
    The path of the grave was before him,
    And the smile that he wore was cold and wan,
    For the shadow of death hung o’er him.
    He spoke of victory,–spoke of cheer:–
    These are words that are vainly spoken
    To the childless mother or orphan’s ear,
    Or the widow whose heart is broken.
    A helmet and sword are engraved on the stone,
    Half hidden by yonder willow;
    There he sleeps, whose death in battle was won,
    But who died on his own home pillow!

     

     

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,POEM OF THE WEEK,Archive 2008,KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,POETRY ARCHIVE,Archive K-L


    Johannes Theodor Baargeld Gedichte

    Johannes Theodor Baargeld

    1892-1927

     

    Bimbamresonnanz I

    Stutzflügelalwa schlägt die flügelleder

    schlägt alwa stutzuhr bimbamresonnanz

    Breschkowska-revolution der grossmütter schlägt die augenleder

    und ihren kalzionierten jordanwasserschwanz

     

    alwa pissoirgeläute brütet stutzige Landeseier

    Länderin herien un hierin alwa

    doch verbimmeltes pedal toniert schon alwenweiher

    flügeluhr schlägt bim auf ländermalve

     

    breschkowskaja schlägt die Lederdrüse

    bis die muttermöndchen bimmeln schöpfersalbe

    Und des Ewigen scheerenfernrohr überkrebst als alwe

    Bimmelnd toten alwa landgemüse

     

     

    Bimmelresonnanz II

    Bergamotten faltern im Petroleumhimmel

    Schwademasten asten Schwanenkerzen

    Teleplastisch starrt das Cherimbien Gewimmel

    In die überöffneten Portierenherzen

     

    Inhastiert die Himmelbimmel

    Feldpostbrief recochettiert aus Krisenhimmel

    Blinder Schläger sternbepitzt sein Queerverlangen

    Juste Berling rückt noch jrad die Mutterzangen

     

    Fummelmond und ferngefimmel

    Barchenthose flaggt die Kaktusstangen

    Lämmergeiger zieht die Wäschleine

    Wäschelenden losen hupf und falten

     

    Zigarrinden sudeln auf den Alten

    Wettermännchen kratzt an ihrem Beine

    Bis alle Bimmeln angehalten

     

     (Sprüche)

     Das ding an sich und das ding an ihr

     Der mesnch ist der beste freund des weibes.

     Die liebe auf dem zweirad ist die wahre nächstenliebe.

     Die axt im haus erspart den bräutigam.

     Wer gegen den wind spuckt, besuldelt die eigene mathilde.

     Nieder mit der kompakten majorität der damenschneider.

     

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,EXPERIMENTAL POETRY,Baargeld, Johannes Theodor


    Stéphane Mallarmé Poésie

    STÉPHANE MALLARMÉ
    (1842-1898)

    Le tombeau d’Edgar Poe
    Tel qu’en Lui-même enfin l’éternité le change,
    Le Poète suscite avec un glaive nu
    Son siècle épouvanté de n’avoir pas connu
    Que la mort triomphait dans cette voix étrange!

    Eux, comme un vil sursaut d’hydre oyant jadis l’ange
    Donner un sens plu pur aux mots de la tribu
    Proclamèrent très haut le sortilège bu
    Dans le flot sans honneur de quelque noir mélange.

    Du sol et de la nue hostiles, ô grief!
    Si notre idée avec ne sculpte un bas-relief
    Dont la tombe de Poe éblouissante s’orne

    Calme bloc ici-bas chu d’un désastre obscur
    Que ce granit du moins montre à jamais sa borne
    Aux noirs vols du Blasphème épars dans le futur.

     

    Le tombeau de Charles Baudelaire
    Le temple enseveli divulgue par la bouche
    Sépulcrale d’égout bavant boue et rubis
    Abominablement quelque idole Anubis
    Tout le museau flambé comme un aboi farouche

    Ou que le gaz récent torde la mèche louche
    Essuyeuse on le sait des opprobres subis
    Il allume hagard un immortel pubis
    Dont le vol selon le réverbère découche

    Quel feuillage séché dans les cités sans soir
    Votif pourra bénir comme elle se rasseoir
    Contre le marbre vainement de Baudelaire

    Au voile qui la ceint absente avec frissons
    Celle son Ombre même un poison tutélaire
    Toujours à respirer si nous en périssons.

     

     
    Les fenêtres
    Las du triste hôpital, et de l’encens fétide
    Qui monte en la blancheur banale des rideaux
    Vers le grand crucifix ennuyé du mur vide,
    Le moribond sournois y redresse un vieux dos,

    Se traîne et va, moins pour chauffer sa pourriture
    Que pour voir du soleil sur les pierres, coller
    Les poils blancs et les os de la maigre figure
    Aux fenêtres qu’un beau rayon clair veut hâler,

    Et la bouche, fiévreuse et d’azur bleu vorace,
    Telle, jeune, elle alla respirer son trésor,
    Une peau virginale et de jadis ! encrasse
    D’un long baiser amer les tièdes carreaux d’or.

    Ivre, il vit, oubliant l’horreur des saintes huiles,
    Les tisanes, l’horloge et le lit infligé,
    La toux; et quand le soir saigne parmi les tuiles,
    Son oeil, à l’horizon de lumière gorgé,

    Voit des galères d’or, belles comme des cygnes,
    Sur un fleuve de pourpre et de parfums dormir
    En berçant l’éclair fauve et riche de leurs lignes
    Dans un grand nonchaloir chargé de souvenir !

    Ainsi, pris du dégoût de l’homme à l’âme dure
    Vautré dans le bonheur, où ses seuls appétits
    Mangent, et qui s’entête à chercher cette ordure
    Pour l’offrir à la femme allaitant ses petits,

    Je fuis et je m’accroche à toutes les croisées
    D’où l’on tourne l’épaule à la vie, et, béni,
    Dans leur verre, lavé d’éternelles rosées
    Que dore le matin chaste de l’Infini

    Je me mire et me vois ange ! et je meurs, et j’aime
    - Que la vitre soit l’art, soit la mysticité
    A renaître, portant mon rêve en diadème,
    Au ciel antérieur où fleurit la Beauté !

    Mais, hélas ! Ici-bas est maître : sa hantise
    Vient m’écoeurer parfois jusqu’en cet abri sûr,
    Et le vomissement impur de la Bêtise
    Me force à me boucher le nez devant l’azur.

    Est-il moyen, ô Moi qui connais l’amertume,
    D’enfoncer le cristal par le monstre insulté
    Et de m’enfuir, avec mes deux ailes sans plume
    - Au risque de tomber pendant l’éternité ?
     

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,CLASSIC POETRY,Mallarmé, Stéphane


    Fatale gedichten

    FATALE GEDICHTEN

    door Jef van Kempen

    Deze bijdrage wil een waarschuwing zijn tegen het te lichtvaardig beoordelen van gedichten door redacties van literaire tijdschriften.

    Wie heeft er in zijn jeugd geen gedichten geschreven in de overtuiging een groot dichter te zijn? Rond mijn twintigste jaar was ik redacteur van een obscuur tijdschriftje waarvan maar vijf nummers zijn verschenen en dat gelukkig inmiddels onvindbaar is. De naam van het tijdschrift was ontleend aan een geestverruimend middel; we hebben het nu dan ook over het einde van de jaren zestig. Ik nam de poëzieafdeling voor mijn rekening, waarbij ik gedichten opnam van uiteenlopende types als Han G. Hoekstra, Guido Gezelle en Lucebert. Het was bovendien een mooie gelegenheid om ook eens gedichten van eigen hand onder pseudoniem te laten afdrukken. Met name voor het publiceren van die door mij ontdekte onbekende dichters heb ik indertijd nog de nodige complimenten gekregen. Niemand hoeft zich overigens illusies te maken: die pseudoniemen neem ik mee in het graf.

    Ik ben nooit een erg productief dichter geweest, bij twee gedichten per jaar houdt het wel op. Tenslotte heeft een mens meer te doen dan het nutteloze geschrijf van poëzie. Tegen mijn veertigste jaar had ik zo’n beetje een bundel gedichten bij elkaar geschreven en leek het mij een goed idee om weer eens wat te gaan publiceren, deze keer onder eigen naam.

    Begin 1987 richtte ik mijn eerste pijlen op Dietsche Warande & Belfort, het achtenswaardige Vlaamse tijdschrift waaraan de door mij altijd al zeer bewonderde dichter Guido Gezelle nog had meegewerkt. Als bijna veertigjarige leek het mij wel gepast om drie gedichten in te zenden, die de dood als onderwerp hadden. Deze gedichten hebben eigenlijk geen titel, maar om ze makkelijker bespreekbaar te maken heb ik ze voor deze gelegenheid een naam gegeven: Dood, Rand en Nacht.

    Dood
    Geen woord teveel
    overdacht hij zijn daden,

    ging stil voorbij
    niet gezien en
    niet gewogen.

    Welk kind
    werd niet verwekt
    met de sombere schoonheid
    van de dood voor ogen?

    Rand
    Staande aan de rand,
    werp ik mij ruggelings,
    en zie
    mijn voeten.

    Mijn voeten zijn
    jonger dan
    mijn handen.

    Ik zing een
    weerzinwekkend lied:

    mijn handen
    zijn ouder dan
    mijn geslacht.

    Nacht
    Deze laatste nacht
    liet zij hen
    in de waan.

    Het zou haar
    aan niets ontbreken.

    Op het wiegen
    van de wolken
    stapelt zij
    hun leeggeroofde
    huiden
    naar de maan.

    Op 26 mei 1987 kreeg ik het bericht van redactiesecretaris Philip Vermoortel dat het eerste gedicht: Dood in Dietsche Warande & Belfort zou worden opgenomen. Wie zei er ook al weer dat Belgen dom zijn? In afwachting van publicatie in DWB zond ik begin november 1987 de twee overgebleven gedichten naar concurrerende literaire tijdschriften: het gedicht Rand naar De Tweede Ronde en Nacht naar Hollands Maandblad.

    Nico Slothouwer, redactiesecretaris van De Tweede Ronde antwoordde bijna per kerende post. Hij had mijn inzending: Rand met aandacht gelezen, schreef hij, ‘maar u zult haar helaas niet in De Tweede Ronde zien verschijnen’. Veel tijd om daar met hem over van mening te verschillen kreeg ik niet. Ruim een week na zijn brief, op 13 november 1987, pleegde Nico Slothouwer, dertig jaar oud, zelfmoord, door zich op te hangen in zijn huurkamer in Amsterdam.

    Staande aan de rand,
    werp ik mij ruggelings,
    en zie
    mijn voeten

    Na bijna een jaar wachten verscheen in april 1988 eindelijk het gedicht Dood in DWB. Ik was in goed gezelschap. In hetzelfde nummer werden ook gedichten opgenomen van Leo Vroman en Hubert van Herreweghen. Verder drie bijdragen over Guido Gezelle en een essay van Wiel Kusters over Pierre Kemp. Dat maakte veel goed, want voor het honorarium van vijfhonderd Belgische francs had ik al die moeite niet hoeven te doen.

    Ik was Hollands maandblad intussen helemaal vergeten. Maar meer dan een jaar na inzending van het gedicht: Nacht, kreeg ik totaal onverwacht nog een reactie van redacteur K.L. Poll. Hij schreef op 31 december 1988 verontschuldigend dat hij mijn gedicht nu pas had gelezen. Maar tot zijn spijt leek hem mijn gedicht: ‘door de al te cryptische inhoud, niet geschikt voor plaatsing’. De inhoud van zijn brief was niet onwelwillend.
    Waarom ik zo lang heb gewacht met hem terug te schrijven weet ik niet meer. En ook niet waarom ik plotseling begin november 1990 het gedicht Rand, dat ik precies drie jaar eerder naar Nico Slothouwer had gestuurd, zo nodig ook nog naar Poll moest sturen.

    Op het wiegen
    van de wolken
    stapelt zij
    hun leeggeroofde
    huiden
    naar de maan

    Ik was mij niet bewust van de ramp die bezig was zich te voltrekken. Van K.L. Poll heb ik nooit meer antwoord gekregen. Hij overleed op 14 november 1990, enkele dagen na ontvangst van mijn gedicht, aan een hartstilstand.

    (De schrijver sluit elke aansprakelijkheid uit voor de eventuele gevolgen van het lezen van zijn gedichten.)

    (Gepubliceerd in: Leydraden, maart 2001)

     

    Filed under: FICTION & NON-FICTION - books, literary history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, dead poets corner, etc.,NONFICTION: ESSAYS & STORIES,Jef van Kempen,STORY ARCHIVE - olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens,JEF VAN KEMPEN ARCHIVE,Reading Room


    Leo Kogan Drawings

     

    L E O   K O G A N

    Leo Kogan was born in Moldova (former USSR) in 1974.  At a young age he moved with his family to the United States.  In the USA he first studied Graphic Design at RIT (Rochester, NY) and then at the Cooper Union (New York City) where he began painting full-time.  Having acquired his BFA from the Cooper Union in 1997, Kogan continued his studies at De Ateliers in Amsterdam, Netherlands.  Since then Leo Kogan has been living and working in Amsterdam and Los Angeles.  He has held a number of solo and group exhibitions and his works are in private and public collections in Europe, USA, and Japan.

     

    Preparatory drawings for the project

    W i n d o w s   o f   O p p o r t u n i t y

      

    Museum Explosion

       

    AS Pushking staging his famous

     

    Washington crossing the De La Where

      

    The crawler

      

    Windows of opportunity

      

    Divine Intervention Calendar

    © leo kogan

     

     Website Leo Kogan

     

    Filed under: EXHIBITION - art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.,Leo Kogan Drawings


    Christina Rossetti: Song

    Poem of the week
    March 22, 2008

    Christina Georgina Rossetti

    (1830-1894)

    SONG
    When I am dead, my dearest,
      Sing no sad songs for me;
    Plant thou no roses at my head,
      Nor shady cypress-tree:
    Be the green grass above me
      With showers and dewdrops wet;
    And if thou wilt, remember,
      And if thou wilt, forget.

    I shall not see the shadows,
      I shall not feel the rain;
    I shall not hear the nightingale
      Sing on, as if in pain:
    And dreaming through the twilight
      That doth not rise nor set,
    Haply I may remember,
      And haply may forget.

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,POEM OF THE WEEK,Archive 2008,KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,THE PRE-RAPHAELITES,Rossetti, Christina


    Fragments Gallery

    F r a g m e n t s

    from a private collection

     Ives Maes + Reinhard Mucha + Beat Steuli 

    Frank Hoehle + Ruchama Noorda + Andrea Fraser 

     Charles Freger + Segej Bratkov + Danica Dakic 

      Sarah Jones + Paul den Hollander 

    David Claerbout + Pepijn Provily

      

     

    Filed under: EXHIBITION - art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.,Fragments Art Gallery


    Francesca Woodman Photos

    Francesca Woodman

    Photographer

    (Denver 1958- New York 1981)

     

    Francesca Woodman Gallery

    Filed under: EXHIBITION - art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.,Francesca Woodman


    Hugo Ball Gedichte


    H u g o   B a l l

    (1886-1927)

    Seepferdchen und Flugfische
    tressli bessli nebogen leila
    flusch kata
    ballubasch
    zack hitti zopp

    zack hitti zopp
    hitti betzli betzli
    prusch kata
    ballubasch
    fasch kitti bimm

    zitti kitillabi billabi billabi
    zikko di zakkobam
    fisch kitti bisch

    bumbalo bumbalo bumbalo bambo
    zitti kitillabi
    zack hitti zopp

    treßli beßli nebogen grügü
    blaulala violabimini bisch
    violabimini bimini bimini
    fusch kata
    ballubasch
    zick hiti zopp

    Karawane
    jolifanto bambla o falli bambla
    großgiga m’pfa habla horem
    egiga goramen
    higo bloiko russula huju
    hollaka hollala
    anlogo bung
    blago bung blago bung
    bosso fataka
    ü üü ü
    schampa wulla wussa olobo
    hej tatta gorem
    eschige zunbada
    wulubu ssubudu uluwu ssubudu
    tumba ba-umf
    kusa gauma
    ba – umf

    Gadji beri bimba
    gadji beri bimba glandridi laula lonni cadori
    gadjama gramma berida bimbala glandri galassassa laulitalomini
    gadji berl bin blassa glassala laula lonni cadorsu sassala bim
    gadjama tuffm i zimzalla binban gligla wowolimai bin beri ban
    o katalominai rhinozerossola hopsamen laulitalomini hoooo
    gadjama rhinozerossola hopsamen
    bluku terullala blaulala loooo

    zimzim urullala zimzim urullala zimzim zanzibar zimzalla zam
    elifantolim brussala bulomen brussala bulomen tromtata
    velo da bang bang affalo purzamai affalo purzamal lengado tor
    gadjama bimbalo glandridi glassala zingtata pimpalo ögrögöööö
    viola laxato viola zimbrabim viola uli paluji malooo

    tuffm im zimbrabim negramai bumbalo negramai bumbalo tuffm i zim
    gadjama bimbala oo beri gadjama gaga di gadjama affalo pinx
    gaga di bumbalo bumbalo gadjamen
    gaga di bling blong
    gaga blung

     

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,EXPERIMENTAL POETRY,Ball, Hugo,KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,CONCRETE & VISUAL POETRY,Concrete + Visual Poetry A-E,FICTION & NON-FICTION - books, literary history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, dead poets corner, etc.,DADA & DE STIJL,Dada,EXHIBITION - art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.,Visual & Concrete Poetry


    Guillaume Apollinaire Poésie

    G u i l l a u m e   A p o l l i n a i r e

    (1880-1918)

     

    LE PONT MIRABEAU
    Sous le pont Mirabeau coule la Seine
    Et nos amours
    Faut-il qu’il m’en souvienne
    La joie venait toujours après la peine.

    Vienne la nuit sonne l’heure
    Les jours s’en vont je demeure

    Les mains dans les mains restons face à face
    Tandis que sous
    Le pont de nos bras passe
    Des éternels regards l’onde si lasse

    Vienne la nuit sonne l’heure
    Les jours s’en vont je demeure

    L’amour s’en va comme cette eau courante
    L’amour s’en va
    Comme la vie est lente
    Et comme l’Espérance est violente

    Vienne la nuit sonne l’heure
    Les jours s’en vont je demeure

    Passent les jours et passent les semaines
    Ni temps passé
    Ni les amours reviennent
    Sous le pont Mirabeau coule la Seine

     



    ANNIE
    Sur la côte du Texas
    Entre Mobile et Galveston il y a
    Un grand jardin tout plein de roses
    Il contient aussi une villa
    Qui est une grande rose

    Une femme se promène souvent
    Dans le jardin toute seule
    Et quand je passe sur la route bordée de tilleuls
    Nous nous regardons

    Comme cette femme est mennonite
    Ses rosiers et ses vêtements n’ont pas de boutons
    Il en manque deux à mon veston
    La dame et moi suivons presque le même rite

     

    LA BLANCHE NEIGE
    Les anges les anges dans le ciel
    L’un est vêtu en officier
    L’un est vêtu en cuisinier
    Et les autres chantent

    Bel officier couleur du ciel
    Le doux printemps longtemps après Noël
    Te médaillera d’un beau soleil
    D’un beau soleil

    Le cuisinier plume les oies
    Ah! tombe neige
    Tombe et que n’ai-je
    Ma bien-aimée entre mes bras

     

    L’ADIEU
    J’ai cueilli ce brin de bruyère
    L’automne est morte souviens-t’en
    Nous ne nous verrons plus sur terre
    Odeur du temps brin de bruyère
    Et souviens-toi que je t’attends

     

     

     

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,WAR POETRY,*War Poetry Archive,KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,EXPERIMENTAL POETRY,Apollinaire, Guillaume,KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,CONCRETE & VISUAL POETRY,Concrete + Visual Poetry A-E,EXHIBITION - art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.,Visual & Concrete Poetry


    Gerard Manley Hopkins Poetry

     

    G e r a r d   M a n l e y   H o p k i n s
    (1844-1889)

    The Lantern out of Doors
    SOMETIMES a lantern moves along the night,
       That interests our eyes. And who goes there?
       I think; where from and bound, I wonder, where,
    With, all down darkness wide, his wading light?

    Men go by me whom either beauty bright
       In mould or mind or what not else makes rare:
       They rain against our much-thick and marsh air
    Rich beams, till death or distance buys them quite.

    Death or distance soon consumes them: wind
       What most I may eye after, be in at the end
    I cannot, and out of sight is out of mind.

    Christ minds: Christ’s interest, what to avow or amend
       There, éyes them, heart wánts, care haúnts, foot
         fóllows kínd,
    Their ránsom, théir rescue, ánd first, fást, last friénd.

    Caged Skylark
    As a dare-gale skylark scanted in a dull cage
       Man’s mounting spirit in his bone-house, mean house,
         dwells–
       That bird beyond the remembering his free fells;
    This in drudgery, day-labouring-out life’s age.

    Though aloft on turf or perch or poor low stage,
       Both sing sometimes the sweetest, sweetest spells,
       Yet both droop deadly sometimes in their cells
    Or wring their barriers in bursts of fear or rage.

    Not that the sweet-fowl, song-fowl, needs no rest–
    Why, hear him, hear him babble and drop down to his nest,
       But his own nest, wild nest, no prison.

    Man’s spirit will be flesh-bound when found at best,
    But uncumbered: meadow-down is not distressed
       For a rainbow footing it nor he for his bónes rísen.

    The May Magnificat
    MAY is Mary’s month, and I
    Muse at that and wonder why:
         Her feasts follow reason,
         Dated due to season–

    Candlemas, Lady Day;
    But the Lady Month, May,
         Why fasten that upon her,
         With a feasting in her honour?

    Is it only its being brighter
    Than the most are must delight her?
         Is it opportunest
         And flowers finds soonest?

    Ask of her, the mighty mother:
    Her reply puts this other
         Question: What is Spring?–
         Growth in every thing–

    Flesh and fleece, fur and feather,
    Grass and green world all together;
         Star-eyed strawberry-breasted
         Throstle above her nested

    Cluster of bugle blue eggs thin
    Forms and warms the life within;
         And bird and blossom swell
         In sod or sheath or shell.

    All things rising, all things sizing
    Mary sees, sympathising
         With that world of good,
         Nature’s motherhood.

    Their magnifying of each its kind
    With delight calls to mind
         How she did in her stored
         Magnify the Lord.

    Well but there was more than this:
    Spring’s universal bliss
         Much, had much to say
         To offering Mary May.

    When drop-of-blood-and-foam-dapple
    Bloom lights the orchard-apple
         And thicket and thorp are merry
         With silver-surfèd cherry

    And azuring-over greybell makes
    Wood banks and brakes wash wet like lakes
         And magic cuckoocall
         Caps, clears, and clinches all–

    This ecstacy all through mothering earth
    Tells Mary her mirth till Christ’s birth
         To remember and exultation
         In God who was her salvation.
     

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.,CLASSIC POETRY,Hopkins, Gerard Manley


    « Read more

    Thank you for reading KEMP=MAG - kempis.nl poetry magazine - magazine for art & literature