• INDEX
  • ABOUT US
  • LINKS
  • AGENDA
  •        HOME  


    New

    1. Aloysius Bertrand: L’écolier de Leyde
    2. Jacques Perk: O, noodlot!
    3. Gabriele D´Annunzio: I Poeti
    4. Mark Twain: Post-Mortem Poetry
    5. Gevelgedicht van Erik van Os in Hulten NB
    6. Expositie n.a.v. De Val van Albert Camus in ZINGERpresents Amsterdam
    7. Ed Schilders Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (3)
    8. P.C. Boutens: In eenzaamheid
    9. George Eliot: Count That Day Lost
    10. A case of identity: Doris
    11. Velimir Chlebnikov: Wind is song
    12. Edith Södergran: 3 poems
    13. Gedicht Ton van Reen: Lopen
    14. Lola Ridge: Broadway
    15. William Shakespeare: Sonnet 045
    16. Dutch Landscape: Trees
    17. Marcel Proust: Antoine Watteau
    18. Anton Chekhov: The Doctor
    19. A case of identity: Alice
    20. Willem Bilderdijk: Uitboezeming
    21. Franz Kafka: Ein Brudermord
    22. Delmira Agustini: Debout Sur Mon Orgueil Je Veux Montrer Au Soir
    23. Henry Wadsworth Longfellow: Twilight
    24. Gabriele D’Annunzio: 3 Poems
    25. Ed Schilders: Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (2)
    26. Gronama gedicht: Kantoren
    27. Studium Generale UU: De biografie, een wetenschappelijk en literair genre
    28. Hans Hermans photos: Montagne
    29. Art Gallery Christian Nagel in Antwerp
    30. Mark Twain: The Danger of Lying in Bed
    31. Amy Levy: A Greek Girl
    32. Masaoka Shiki: Tanka
    33. Sappho: Sleep, darling
    34. Charles Dickens: Lucy’s Song
    35. Marina Tsvetaeva: Conversation With A Genius
    36. Virginia Woolf: The Man Who Loved His Kind
    37. Jef van Kempen: Stairs
    38. Ed Schilders: Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (1)
    39. Boeken rond het Paleis 2010 in centrum Tilburg
    40. Nachrichten aus Berlin: Reflections 3
    41. Gabriele D’Annunzio: La Pioggia nel Pineto
    42. William Shakespeare: Sonnet 044
    43. Dylan Thomas: Vision and Prayer
    44. Tropenmuseum Amsterdam: Expositie Betsabeé Romero – Cars & Traces
    45. Willem Bilderdijk: Troostzang
    46. Mikhail Yuryevich Lermontov: 3 Poems
    47. Primo Levi: The Survivor
    48. J.-K. Huysmans: 10 – Ballade chlorotique (Le Drageoir aux épices)
    49. Multatuli: Idee Nr. 16
    50. Masaoka Shiki: In the coolness

    Categories

    1. -N E W S & E V E N T S
    2. EXHIBITION
    3. FICTION & NON-FICTION
    4. KEMP = MAG POETRY LIBRARY
    5. MUSEUM OF LOST CONCEPTS
    6. MUSEUM OF NATURAL HISTORY
    7. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
    8. STORY ARCHIVE
    9. ULTIMATE LIBRARY
    10. zone

    Archives

    1. September 2010
    2. August 2010
    3. July 2010
    4. June 2010
    5. May 2010
    6. April 2010
    7. March 2010
    8. February 2010
    9. January 2010
    10. December 2009
    11. November 2009
    12. October 2009
    13. September 2009
    14. August 2009
    15. July 2009
    16. June 2009
    17. May 2009
    18. April 2009
    19. March 2009
    20. February 2009
    21. January 2009
    22. December 2008
    23. November 2008
    24. October 2008
    25. September 2008
    26. August 2008
    27. July 2008
    28. June 2008
    29. May 2008
    30. April 2008
    31. March 2008
    32. February 2008
    33. January 2008
    34. December 2007
    35. November 2007

     

    1. Subscribe to new material: RSS

    Lewis Carroll: A Boat

    Poem of the week

    June 1, 2008

     

     L e w i s   C a r r o l l

    (1832-1898)

     

    A BOAT BENEATH A SUNNY SKY

     A boat beneath a sunny sky,

    Lingering onward dreamily

    In an evening of July –

     

    Children three that nestle near,

    Eager eye and willing ear,

    Pleased a simple tale to hear –

     

    Long has paled that sunny sky:

    Echoes fade and memories die:

    Autumn frosts have slain July.

     

    Still she haunts me, phantomwise,

    Alice moving under skies

    Never seen by waking eyes.

     

    Children yet, the tale to hear,

    Eager eye and willing ear,

    Lovingly shall nestle near.

     

    In a Wonderland they lie,

    Dreaming as the days go by,

    Dreaming as the summers die:

     

    Ever drifting down the stream –

    Lingering in the golden dream –

    Life, what is it but a dream?

     

     

    kemp=mag poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,MODERN POETRY,*Children's Poetry,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POEM OF THE WEEK,Archive 2008,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Carroll, Lewis


    Jef van Kempen: De poort naar de hel

     

    Z I E K E N H U I S

    De poort naar de hel

    door Jef van Kempen

    De oorlog in een vreemd land had hem veranderd. Hij had gevochten tegen de hele wereld en tegen zichzelf. Alles was voor niets geweest. Hij was verbitterd en onthecht geraakt. Tenslotte had de kanker hem vernederd en gebroken.

    Hij was door de poort naar de hel gebracht. In de kleine duistere kamer hing een ondraaglijke lucht. Een mengsel van ether en lysol en urine. Zijn bed stond tegen een grauwe muur. Op het voeteind lag zijn beste vriend. Een rimpelig dik gedrocht met maar één oog, dat iedere dag opnieuw het ziekenhuis werd binnen gesmokkeld. Vanaf zijn kruis keek Jezus op hen neer, een palmtak triomfantelijk op de rug.
    Weken lang had hij geweigerd om te eten. Zijn huid leek aan zijn schedel te zijn vastgekleefd. Hij had al sinds tijden geen woord meer gesproken. Af en toe, met steeds langere tussenpozen, aaide hij nog eens zijn oude hond. Verder had hij het leven voor altijd afgewezen.

    Die nacht zat zijn kamer vol. Vriend en vijand verenigd in het laatste uur. Het theater van de dood. Zijn hond was hardhandig onder het bed gejaagd.Vanaf die plaats begluurde hij gelaten het aanwezige publiek. Op een tafeltje brandden twee kaarsen. Een priester diende de laatste sacramenten toe.
    ‘Door deze heilige zalving en door zijn vaderlijke liefdevolle barmhartigheid vergeve U de Heer al wat gij door het gezicht, door het gehoor, door de reuk, door de smaak en de spraak, door het gevoel, door te gaan, hebt misdaan.’ De priester maakte een kruis op de ogen, de oren, de neus, de lippen. ‘Per visum, per auditum, per odorátum, per gustum et locutiónem’.
    Op datzelfde ogenblik herleefde hij zijn verloren jeugd, het concentratiekamp, de oorlog, die alles kapot had gemaakt. Hij leek uit een diepe slaap te zijn ontwaakt. Zijn ogen schoten vuur. Zijn hand zocht naar de hond. Toen hij die niet meer vond, vervloekte hij de wereld, het leven en de dood in het bijzonder. Plotseling was het stil. Vastberaden beet hij op zijn tong. Er kwam bloed uit zijn mond.
    Zijn publiek reageerde hevig geschokt. De misdienaar wankelde. Er werd gegild en er vielen tranen. Iemand vluchtte de gang op. De priester, groot en grijs, leek onaangedaan. Hij kende zijn zondaars. Het monster onder het bed begon te janken. Eerst zachtjes, dan harder, tenslotte oorverdovend. Het klonk door alle gangen en zalen. Het ziekenhuis schudde op haar grondvesten.

    Het was volbracht. Buiten, op de binnenplaats, stond een ambulance. De slagboom was gesloten. In zijn donkere kantoortje onder de poort bladerde de portier slaperig in zijn krant. In een tuin aan de overkant zong een nachtegaal.
    Er was gewoon een nieuwe dag begonnen. Langzaam kwam het verkeer weer op gang. Midden op straat bleef de hond onbeweeglijk stil staan, kwispelend met zijn geamputeerde staart. Zijn enige oog staarde omhoog. Een vliegtuig trok een witte streep door de blauwe hemel.

    (Uit: Geschreven stad 1999)


     

    Filed under: FICTION & NON-FICTION,NONFICTION: ESSAYS & STORIES,Jef van Kempen,STORY ARCHIVE,JEF VAN KEMPEN ARCHIVE,Tales for Fellow Citizens


    Pessoa 35 Sonnets: 11-20


    F e r n a n d o   P e s s o a

    (1888-1935)

    English Poems

    35 Sonnets (1918)

    Sonnets 11-20

     

    11

    Like to a ship that storms urge on its course,

    By its own trials our soul is surer made.

    The very things that make the voyage worse

    Do make it better; its peril is its aid.

    And, as the storm drives from the storm, our heart

    Within the peril disimperilled grows;

    A port is near the more from port we part–

    The port whereto our driven direction goes.

    If we reap knowledge to cross-profit, this

    From storms we learn, when the storm’s height doth drive–

    That the black presence of its violence is

    The pushing promise of near far blue skies.

    Learn we but how to have the pilot-skill,

    And the storm’s very might shall mate our will.

     

    12

    As the lone, frighted user of a night-road

    Suddenly turns round, nothing to detect,

    Yet on his fear’s sense keepeth still the load

    Of that brink-nothing he doth but suspect;

    And the cold terror moves to him more near

    Of something that from nothing casts a spell,

    That, when he moves, to fright more is not there,

    And’s only visible when invisible

    So I upon the world turn round in thought,

    And nothing viewing do no courage take,

    But my more terror, from no seen cause got,

    To that felt corporate emptiness forsake,

    And draw my sense of mystery’s horror from

    Seeing no mystery’s mystery alone.

     

    13

    When I should be asleep to mine own voice

    In telling thee how much thy love’s my dream,

    I find me listening to myself, the noise

    Of my words othered in my hearing them.

    Yet wonder not: this is the poet’s soul.

    I could not tell thee well of how I love,

    Loved I not less by knowing it, were all

    My self my love and no thought love to prove.

    What consciousness makes more by consciousness,

    It makes less, for it makes it less itself,

    My sense of love could not my love rich-dress

    Did it not for it spend love’s own love-pelf.

    Poet’s love’s this (as in these words I prove thee):

    I love my love for thee more than I love thee.

     

    14

    We are born at sunset and we die ere morn,

    And the whole darkness of the world we know,

    How can we guess its truth, to darkness born,

    The obscure consequence of absent glow?

    Only the stars do teach us light. We grasp

    Their scattered smallnesses with thoughts that stray,

    And, though their eyes look through night’s complete mask,

    Yet they speak not the features of the day.

    Why should these small denials of the whole

    More than the black whole the pleased eyes attract?

    Why what it calls «worth» does the captive soul

    Add to the small and from the large detract?

    So, put of light’s love wishing it night’s stretch,

     A nightly thought of day we darkly reach.

     

    15

    Like a bad suitor desperate and trembling

    From the mixed sense of being not loved and loving,

    Who with feared longing half would know, dissembling

    With what he’d wish proved what he fears soon proving,

    I look with inner eyes afraid to look,

    Yet perplexed into looking, at the worth

    This verse may have and wonder, of my book,

    To what thoughts shall’t in alien hearts give birth.

    But, as he who doth love, and, loving, hopes,

    Yet, hoping, fears, fears to put proof to proof,

    And in his mind for possible proofs gropes,

    Delaying the true proof, lest the real thing scoff,

    I daily live, i’th’ fame I dream to see,

    But by my thought of others’ thought of me.

     

     

    16

    We never joy enjoy to that full point

    Regret doth wish joy had enjoyèd been,

    Nor have the strength regret to disappoint

    Recalling not past joy’s thought, but its mien.

    Yet joy was joy when it enjoyèd was

    And after-enjoyed when as joy recalled,

    It must have been joy ere its joy did pass

    And, recalled, joy still, since its being-past galled.

    Alas! All this is useless, for joy’s in

    Enjoying, not in thinking of enjoying.

    Its mere thought-mirroring gainst itself doth sin,

    By mere reflecting solid life destroying,

    Yet the more thought we take to thought to prove

    It must not think, doth further from joy move.

     

    17

    My love, and not I, is the egoist.

    My love for thee loves itself more than thee;

    Ay, more than me, in whom it doth exist,

    And makes me live that it may feed on me.

    In the country of bridges the bridge is

    More real than the shores it doth unsever;

    So in our world, all of Relation, this

    Is true–that truer is Love than either lover.

    This thought therefore comes lightly to Doubt’s door–

    If we, seeing substance of this world, are not

    Mere Intervals, God’s Absence and no more,

    Hollows in real Consciousness and Thought.

    And if ’tis possible to Thought to bear this fruit,

    Why should it not be possible to Truth?

     

    18

    Indefinite space, which, by co-substance night,

    In one black mystery two void mysteries blends;

    The stray stars, whose innumerable light

    Repeats one mystery till conjecture ends;

    The stream of time, known by birth-bursting bubbles;

    The gulf of silence, empty even of nought;

    Thought’s high-walled maze, which the outed owner troubles

    Because the string’s lost and the plan forgot:

    When I think on this and that here I stand,

    The thinker of these thoughts, emptily wise,

    Holding up to my thinking my thing-hand

    And looking at it with thought-alien eyes,

    The prayer of my wonder looketh past

    The universal darkness lone and vast.

     

    19

    Beauty and love let no one separate,

    Whom exact Nature did to each other fit,

    Giving to Beauty love as finishing fate

    And to Love beauty as true colour of it.

    Let he but friend be who the soul finds fair,

    But let none love outside the body’s thought,

    So the seen couple’s togetherness shall bear

    Truth to the beauty each in the other sought.

    I could but love thee out of mockery

    Of love and thee and mine own ugliness;

    Therefore thy beauty I sing and wish not thee,

    Thanking the Gods I long not out of place,

    Lest, like a slave that for kings’ robes doth long,

    Obtained, shall with mere wearing do them wrong.

     

    20

    When in the widening circle of rebirth

    To a new flesh my travelled soul shall come,

    And try again the unremembered earth

    With the old sadness for the immortal home,

    Shall I revisit these same differing fields

    And cull the old new flowers with the same sense,

    That some small breath of foiled remembrance yields,

    Of more age than my days in this pretence?

    Shall I again regret strange faces lost

    Of which the present memory is forgot

    And but in unseen bulks of vagueness tossed

    Out of the closed sea and black night of Thought?

    Were thy face one, what sweetness will’t not be,

    Though by blind feeling, to remember thee!

     

    English Poems
    35 Sonnets (1918)
    by Fernando Pessoa
    Sonnets 11-20

     

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Pessoa, Fernando


    Westminster Abbey: Poets’ Corner 2

     

    Poets’ Corner 2

    Westminster Abbey London

     

    Kemp=Mag in London:

     

     Poets’ Corner 2

    Westminster Abbey  London

    Filed under: EXHIBITION,Galerie des Morts,EXHIBITION,K=M in London


    Westminster Abbey: Poets’ Corner 1

    Poets’ Corner 1

     Westminster Abbey London

     

     

     Kemp=Mag in London

    Poets’ Corner 1

      Westminster Abbey London 2008

     to be continued

    Filed under: EXHIBITION,Galerie des Morts,EXHIBITION,K=M in London


    Nachrichten aus Berlin: Nie Wieder

     


    Wache gegen Faschismus
    Skulptur Käthe Kollwitz

     

    NACHRICHTEN AUS BERLIN

    Unser Korrespondent
    Anton K. berichtet:

    N I E   W I E D E R

    ‘Dort wo man Bücher verbrennt,
    verbrennt man auch am Ende Menschen’
    (Heinrich Heine)

    Checkpoint Charlie

    Bernauerstrasse

    Bebelplatz: Wo Bücher brennen

    Zimmerstrasse

    Torstrasse

    Jüdischer Friedhof Berlin-Weißensee

    Sachsenhausen – Oranienburg

    Wache gegen Faschismus
    Skulptur Käthe Kollwitz

     

    © kemp=mag

    Filed under: EXHIBITION,Nachrichten aus Berlin,FICTION & NON-FICTION,WAR & PEACE


    Elizabeth (Lizzie) Siddall: Worn Out

    Poem of the week
    May 25, 2008

    Elizabeth (Lizzie) Siddall

    (1829-1862)

    Worn Out

    Thy strong arms are around me, love
    My head is on thy breast;
    Low words of comfort come from thee
    Yet my soul has no rest.

    For I am but a startled thing
    Nor can I ever be
    Aught save a bird whose broken wing
    Must fly away from thee.

    I cannot give to thee the love
    I gave so long ago,
    The love that turned and struck me down
    Amid the blinding snow.

    I can but give a failing heart
    And weary eyes of pain,
    A faded mouth that cannot smile
    And may not laugh again.

    Yet keep thine arms around me, love,
    Until I fall to sleep;
    Then leave me, saying no goodbye
    Lest I might wake, and weep.


    kemp=mag poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POEM OF THE WEEK,Archive 2008,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,THE PRE-RAPHAELITES,Siddal, Lizzy


    Jef van Kempen gedicht: De Held

     

     D e   H e l d

    Nog een kind droomde ik een groot minnaar
    te worden. Het lot had bepaald dat ik een bron

    van liefde en lust werd en terwijl iedere vorm
    van verdorvenheid, van ontucht, mij vreemd was,

    bedreef ik met ware doodsverachting de liefde.
    Mijn dapperheid werd alom geroemd.

    Eeuwenlang was mijn lichaam een lust voor het oog.
    Dag in dag uit, jaar in jaar uit, bracht ik vals en

    vlug, zonder pijn, zonder omzien naar de wereld,
    onzichtbaar tussen droom en daad, mijn veeleisende

    bruiden geluk.
    Ook al was ik een toonbeeld van zelfbeheersing: mijn

    nooit aflatende inzet zou mijn arme hart meer en meer
    bedrukken. Totdat mij geen andere weg bleef dan mij te

    schikken naar de nukken van mijn laatste metgezel:
    mijn onovertroffen innerlijke schoonheid.

     

    Jef van Kempen

    (Uit: Laatste bedrijf. Gedichten)

    Jef van Kempen:

    Laatste bedrijf

    gedichten 1963-2008

    Uitgeverij Art Brut

    Postbus 117

    5120 AC Rijen

    ISBN: 978-90-76326-04-7

    KEMP=MAG poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,MODERN POETRY,Kempen, Jef van


    Alberto Manguel in Leiden

    Alberto Manguel eregast bij
    Lezen in een digitaliserende samenleving

    In samenwerking met de Universiteit Leiden en uitgeverij Ginkgo te Leiden organiseert Stedelijk Museum De Lakenhal in Scheltema op donderdag 29 mei van 19.15-22.15 uur een symposium over  ‘Lezen in een digitaliserende samenleving’.

    Het symposium vindt mede plaats in het kader van de tentoonstelling ‘Stad van boeken, zeven eeuwen lezen in Leiden’ die t/m 1 juni te zien is in het museum. Speciale gast op het symposium is Alberto Manguel, schrijver van ‘A History of Reading’ en ‘The City of Words’ maar ook toegewijd lezer en eigenaar van een bibliotheek met meer dan 30.000 boeken.

    Hoe erg zou het zijn als het boek als medium voor kennisoverdracht plaats moet maken voor andere media? Deze vraag staat centraal tijdens het symposium dat begint met een korte lezing door Alberto Manguel. Manguel verdedigt de stelling dat het boek in onze cultuur een unieke waarde vertegenwoordigt ten opzichte van andere vormen van informatie en kennisoverdracht. De hierop volgende paneldiscussie wordt geleid door Adriaan van der Weel, hoogleraar Book and Digital Media Studies aan de Universiteit Leiden. Boekhandel Selexyz Kooyker is aanwezig met een selectie boeken over lezen en geletterdheid.

    Het symposium wordt gehouden in Scheltema en is gratis toegankelijk.

    De voertaal is Engels; het programma is ook te vinden op www.lakenhal.nl; aanmelden voor deelname kan via e.echternach@lakenhal.nl onder vermelding van 29 mei.

    Stedelijk Museum De Lakenhal
    Oude Singel 28-32, 2312 RA Leiden

    kemp= mag poetry magazine – magazine for art & literature

    Filed under: -N E W S & E V E N T S,Art & Poetry News 2008


    Antony Kok: De Wisselwachter


    De Wisselwachter

     

    n Man.

    Hij bukt.

    Hij grijpt.

    Hij wringt.

     

    n Man.

    Hij fluit.

    Het botst.

    Het wringt.

     

    n Man.

    Hij fluit.

    Het kraakt.

    Het klinkt.

     

    n Man.

    Hij fluit.

    Hij leeft.

    Hij zingt.

     

    n Man.

    Hij ‘s vuil.

    Hij ‘s grauw.

    Hij ‘s zwart.

     

    n Man.

    Hij ‘s krom.

    Zijn hand

    is hard.

     

    n Man.

    Hij bukt.

    Hij grijpt.

    Hij wringt.

     

    n Man.

    Hij fluit.

    Hij fluit.

    Verminkt.

     

    n Man.

    n Wiel.

    n Stang.

    n Gil.

     

    n Man.

    Het kraakt.

    Hij krimpt.

    t Is stil.

     

    n Man.

    Hij ‘s vuil.

    Hij ‘s grauw.

    Hij ‘s dood.

     

    n Man.

    n Mensch.

    t Is rood.

    t Is rood.

     

    De Wisselwachter 1917

    Antony Kok


    © Erven Antony Kok.

    kemp=mag poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,EXPERIMENTAL POETRY,Kok, Antony


    Ed Schilders: Verdronken dichters 3

     

     E d   S c h i l d e r s

    over

    S h e l l e y

    VERDRONKEN  DICHTERS

    d e e l   3

    Het meest ambitieuze projekt dat ik me ooit heb voorgenomen, bestond uit een volledige toelichting, in de vorm van artikelen, op Hart Crane’s gedichtencyclus The Bridge.
    Misschien is ‘ambitieus’ niet het precieze woord. Misschien was het slechts mijn meest nieuwsgierige projekt.

    Ik schreef allereerst over The Bridge zelf; over Brooklyn Bridge, twee langere, mooi geïllustreerde verhalen waarmee de titel van de cyclus, het openingsgedicht To Brooklyn Bridge en een deel van het slotgedicht, Atlantis, verklaard mochten zijn. Volgde een eveneens lang artikel over het gedicht Cutty Sark, dat mij, de lezers en de liefhebbers van de bekende whisky terugbracht naar de Engelse driemasters en de tijd van Robert Burns en zijn Tam O’Shanter.
    Ondertussen was ik op de brug zelf verliefd geworden – zo kun je nieuwsgierigheid ook noemen – en een regelmatige stroom van in eigen beheer gepubliceerde odes was het gevolg. Literair ben ik in principe niet monogaam. Niettemin heeft de vele aandacht die Brooklyn Bridge steeds weer eiste, verhinderd dat artikelen over legendarische figuren uit Crane’s gedichten als Pocahontas en Rip van Winkle ook werkelijk verwekt werden.
    Na het avontuur met de Cutty Sark werd me echter ook het hopeloze karakter van mijn voornemens duidelijk: de harem zou te groot worden, en ik een eunuch in eigen dienst.
    Een voorbeeld. Een enkel woord, het laatste van het gedicht Cutty Sark, zou me naar Engeland brengen en naar Italië, in welke landen er research gedaan zou moeten worden naar de dichter Percy Bysshe Shelley. Een woord, een naam, lokte me naar La Spezia, naar Viareggio, Como, Pisa, en Livorno, en vooral naar Marina di Pisa, alwaar, op het strand van II Gombo, Shelley’s levenloze lichaam door de zee aan land werd geworpen. Dat was in 1822. In de jaren negentientachtig zou ik op dat strand staan, niet als Shelleypelgrim, maar om een enkele naam uit een gedicht van Hart Crane te verklaren. Het klinkt absurd. Ik had al andere absurde dingen gedaan, zoals de koers van de lire gevolgd en geïnformeerd naar Italiaanse benzinebonnen.

    Maar ik ging niet. Nog juist op tijd las ik in de New York Times Book Review het relaas van Shelley-biograaf Richard Holmes over zijn ervaringen tijdens zijn pelgrimage door Italiaans Shelley-territorium. In Lerici zag hij een café met als neonverlichting ‘Hotel Byron’. Dat was niet het ergste. Een Italiaanse vertrouwde hem, de Shelley-kenner, toe, dat Lordo Byron, daar, in dat water, verdronken was. En dus ging ik naar de Provence op bedevaart, naar Saintes-Maries-de-la-Mer en Saint-Maximin. Maria Magdalena achterna. Het woord dat me naar de golf van Spezia had moeten brengen, is Ariel. Het is een naam die tot nu toe hardnekkig wordt misverstaan door Crane-verklaarders. Het is niet een van de driemasters uit de generatie van Cutty Sark en Thermopylae die het gedicht bevaren en die door Crane door de ether van de poëzie worden opgeroepen. Geen supersnel koopvaardij schip, maar de log gebouwde schoener waarmee Shelley, zijn vriend Williams en hun jongmaatje, the boy Vivian, bij slecht weer naar de bodem van de golf van Spezia voeren. Ariel.

    Ik heb die reis dus toch gemaakt. Thuis, op papier, met boeken als instant – monumenten. Het werd een reis door het land van het Noodlot. De wegen zijn er van papier, de bezienswaardigheden van woorden. De bewoners heten schimmen. Het heeft een vreemd klimaat. De zon schijnt er altijd, het regent er altijd, het is er altijd dag en nacht tegelijk. Het is een land waar alles in elkaar grijpt. Afstanden bestaan er niet.

    Eerste dag

    Geland in The Oxford illustrated literaty guide. De sneltrein naar pagina 216 en aldaar een foto bewonderd van het Shelley Memorial. Het staat in de hal van Oxford University en werd in marmer gebeeldhouwd door Onslow Ford. Een krijtwitte Shelley, naakt gelegen op de linkerzijde. Een marmeren blad is het strand. Het marmer is rustig dood. Een mooi monument, te mooi misschien
    Een uitstapje gemaakt naar Sharps kleine Shelley-biografie. Zag daar een glimp van de echte dode. De lichamen van Shelley en zijn vriend Williams zijn na drie dagen angstig wachten aangespoeld op het strand; dat van Vivian zou pas drie weken later door de zee teruggegeven worden. Shelley kwam aan land ‘in de buurt van Via Reggio’, Williams ‘bij de Toren van Migliarino bij de Bocca Lericcio.’ ‘Het zout en het water hadden beiden zo verminkt dat herkenning moeilijk was; de gezichten en de handen waren van het vlees ontdaan, de lichamen jammerlijk aangetast.’
    Hoe ziet dat er in wit marmer uit?  In Sharp overnacht met de identificatie van Shelleys lichaam door Trelawny. Toen Shelleys lichaam gevonden werd, trof Trelawny in een jaszak een uitgave van Sophocles aan, in de andere een exemplaar van Keats’ laatste boek, omgeslagen bij The Eve of St. Agnes, alsof de dichter daar aan het lezen was op het moment van de ramp.’ Onrustig geslapen. Gedroomd over Dante Gabriel Rossetti die de manuscripten van ongepubliceerde gedichten in de lange haren van zijn overleden vrouw wikkelt en ze met haar begraaft.

    Tweede dag

    Terug naar Oxford en vandaar drie mijl naar het Oosten. Shotover Hill. Hier vertoefden Shelley en zijn studiegenoot en vriend Thomas Jefferson Hogg regelmatig voordat ze van Oxford verwijderd werden wegens hun publikatie The Necessity of Atheism. Shelley gaf zich hier over aan zijn hobby: het vouwen van papieren bootjes. De wereld is klein; mijn vriend Donaldson ontmoet die ook in Shotover is. Hij vertelt me hoe Shelley eens aan de rivier Serpentine stond en zin kreeg om een bootje te vouwen. Hij had echter geen ander papier dan een postcheque van vijftig pond. ‘Hij aarzelde lang maar gaf tenslotte toe; met inzet van alle vaardigheid die hij bezat vouwde hij een bootje en gaf het zo goed mogelijk over aan Fortuna; met zo mogelijk nog meer bange nieuwsgierigheid dan gewoonlijk keek hij toe hoe het voortvoer. Fortuna is hen die haar eerlijk en volledig vertrouwen goed gezind; de noordoostenwind dreef het kostbare scheepje langzaam naar de zuidelijke oever waar de eigenaar de aankomst geduldig stond af te wachten.’
    ‘s Avonds, Donaldsons anecdote in gedachten, bel ik William Keddie. De rivier de Serpentine? Jazeker, dat is de rivier waarin Shelley’s eerste echtgenote zichzelf verdronk.

    Derde dag

    Doorgereisd naar het Verzamelde Werk. Pas aan het eind van de dag gevonden wat ik heimelijk zoek, een verband. Shelleys postuum gepubliceerde gedicht bij de dood van Keats, in 1821. On Keats-Who desired that on his tomb should be inscribed - ‘Here lieth One whose name was writ on water’. De reisgids beveelt ‘De Route van het onverwachte verband’ aan. And so to bed.

    Amelia Curran: Portrait of P.B. Shelley 1819


    Vierde dag

    Up betimes and en route. Keats stierf aan tuberculose, net als zijn moeder en zijn broer. Even was er een misverstand, waarschijnlijk omdat een dichter in die jaren van het Romantisch hoogtij per definitie deze wereld niet normaal verliet. ‘Is het waar,’ vraagt Lord Byron in een brief aan John Murray (26 april 1821), ‘wat Shelley me schrijft, dat de arme John Keats in Rome aan de Quaterly Review is overleden?’ Of Keats stierf aan de slechte kritieken in de Quarterly Review. Tuberculose lijkt me romantisch genoeg. Keats werd gecremeerd en in Rome begraven. Shelly bezocht Lord Byron in Pisa voordat hij met Williams aan zijn laatste overtocht begon. Met Trelawny heeft Byron de crematie van Shelley en Williams op het strand gearrangeerd op de precieze plaatsen waar ze gevonden werden. Byron schreef aan Thomas Moore (27 augustus 1822): ‘We hebben de lichamen van Shelley en Williams zien branden op het strand… Je hebt er geen idee van wat een uitzonderlijk effect zo’n begrafenis op een brandstapel heeft, op een verlaten strand, met bergen op de achtergrond en de zee op de voorgrond, en de vreemde uitwerking van het zout en de wierook op de vlammen. Shelley keerde geheel tot as, behalve zijn hart, which would not take the flame, en dat nu in wijngeest bewaard wordt.’ De afstand van Byron tot Trelawny is kort; het uitzicht verschilt. Er werd meer wijn over Shelleys dode lichaam gegoten dan de dichter bij zijn leven gedronken had, schrijft Trelawny. Steeds hoger rezen de vlammen. ‘Het lichaam kreeg een donkere, indigo kleur, en viel te langen leste open, waardoor het hart zichtbaar werd’. Plotseling rukt Trelawny het hart uit en verbrandt daarbij zijn hand. Waar Shelleys hart rust is met niet bekend. De as werd overgebracht naar Rome en bijgezet in de nabijheid van Keats en Shelleys zoontje William. Twee jaar later zou Lord Byron in Griekenland sterven. Zijn lichaam werd verbrand op het strand van Missolonghi, zijn hart in de kerk aldaar bijgezet. Die kerk is verwoest en het hart is nooit teruggevonden.

    Louis Edouard Fournier: The Funeral of Shelley

    Laatste dag

    Ansichtkaarten van de Ariel verstuurd aan familie en vrienden. Het was geen beste boot. Shelley vouwde beter bootjes van papier dan dat hij boten bestuurde. Het zingen van de boegspriet noemde hij de roep van de Sirenen op de klippen. ‘Zoals gewoonlijk,’ zei Trelawny me eens, ‘had Shelley (tijdens het varen) een boek in de hand, en zei hij dat hij tegelijkertijd kon lezen en navigeren omdat het een mentaal en het ander mechanisch was…’
     

    Maar daarin school waarschijnlijk niet de oorzaak van de dood op zee. Noch in het slechte weer voor Spezia. Als laatste bezoek ik nog eens een voetnoot in Sharps biografie, een onbekend plekje langs de toeristische route. ‘We kunnen hier volstaan met de mededeling dat er nog nauwelijks enige twijfel kan bestaan dat de boot met opzet geramd werd door een klein vaartuig dat bemand werd door mannen die dachten dat de Ariel  het eigendom was van de rijke ‘Milord’ Byron, en dat die aan boord was met een grote lading goud. De mannen hadden de enorme kracht van de plotseling opgestoken stormwind niet voorzien of verkeerd berekend. De Ariel zonk zonder de schat die de Italianen dachten te vinden; niet lang daarna heeft een van deze liederlijke mannen zijn aandeel in de misdaad bekend.’
    Alsof de romantiek nog niet volledig was, de tragedie niet reeds compleet. Maar ook: het uiteindelijke verschil tussen een neonreclame op een café in de werkelijkheid, en de werkelijkheid van een fictieve reis.


    Ed Schilders: Verdronken dichters 3
    In: SIC letterkundig tijdschrift, jrg 1, nr 3, najaar 1986
    © Ed Schilders

    wordt vervolgd
     

    Filed under: FICTION & NON-FICTION,NONFICTION: ESSAYS & STORIES,Ed Schilders,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Shelley, Percy Byssche


    Percy Bysshe Shelley: Melody

    Poem of the week
    May 18, 2008


    Percy Bysshe Shelley
    (1792-1822)

     

    MELODY TO A SCENE OF FORMER TIMES

    Art thou indeed forever gone,
    Forever, ever, lost to me?
    Must this poor bosom beat alone,
    Or beat at all, if not for thee?
    Ah! why was love to mortals given,                               
    To lift them to the height of Heaven,
    Or dash them to the depths of Hell?
    Yet I do not reproach thee, dear!
    Ah, no! the agonies that swell
    This panting breast, this frenzied brain,                          
    Might wake my –’s slumb’ring tear.
    Oh! Heaven is witness I did love,
    And Heaven does know I love thee still,
    Does know the fruitless sick’ning thrill,
    When reason’s judgement vainly strove                               
    To blot thee from my memory;
    But which might never, never be.
    Oh! I appeal to that blest day
    When passion’s wildest ecstasy
    Was coldness to the joys I knew,                                    
    When every sorrow sunk away.
    Oh! I had never lived before,
    But now those blisses are no more.
    And now I cease to live again,
    I do not blame thee, love; ah, no!                                  
    The breast that feels this anguished woe.
    Throbs for thy happiness alone.
    Two years of speechless bliss are gone,
    I thank thee, dearest, for the dream.
    ‘Tis night–what faint and distant scream                         
    Comes on the wild and fitful blast?
    It moans for pleasures that are past,
    It moans for days that are gone by.
    Oh! lagging hours, how slow you fly!
    I see a dark and lengthened vale,                                    
    The black view closes with the tomb;
    But darker is the lowering gloom
    That shades the intervening dale.
    In visioned slumber for awhile
    I seem again to share thy smile,                                     
    I seem to hang upon thy tone.
    Again you say, ‘Confide in me,
    For I am thine, and thine alone,
    And thine must ever, ever be.’
    But oh! awak’ning still anew,                                        
    Athwart my enanguished senses flew
    A fiercer, deadlier agony!

    [Posthumous Fragments of Margaret Nicholson]

    kemp=mag poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POEM OF THE WEEK,Archive 2008,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Shelley, Percy Byssche


    « Continue reading

    Thank you for reading KEMP=MAG - KEMPIS POETRY MAGAZINE - magazine for art & literature