
Robert Louis Stevenson
(1850-1894)
Tropic Rain
As the single pang of the blow, when the metal is mingled well,
Rings and lives and resounds in all the bounds of the bell,
So the thunder above spoke with a single tongue,
So in the heart of the mountain the sound of it rumbled and clung.
Sudden the thunder was drowned – quenched was the levin light -
And the angel-spirit of rain laughed out loud in the night.
Loud as the maddened river raves in the cloven glen,
Angel of rain! you laughed and leaped on the roofs of men;
And the sleepers sprang in their beds, and joyed and feared as you fell.
You struck, and my cabin quailed; the roof of it roared like a bell.
You spoke, and at once the mountain shouted and shook with brooks.
You ceased, and the day returned, rosy, with virgin looks.
And me thought that beauty and terror are only one, not two;
And the world has room for love, and death, and thunder, and dew;
And all the sinews of hell slumber in summer air;
And the face of God is a rock, but the face of the rock is fair.
Beneficent streams of tears flow at the finger of pain;
And out of the cloud that smites, beneficent rivers of rain.
Poem of the week - May 31, 2009

kemp=mag poetry magazine
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POEM OF THE WEEK,Archive 2009,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Stevenson, Robert Louis
.jpg)
K21 DÜSSELDORF
Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen (2)

Thomas Struth

Gunter Forg

Tony Oursler

Gregor Schneider

William Kentridge


Katherina Fritsch


Ron Mueck

Magnus von Plessen

Robert Gober
K21 DÜSSELDORF
Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen (2)
photos Anton & Joseph K.
.jpg)
KEMP=MAG poetry magazine
magazine for art & literature
Filed under: EXHIBITION,K=M Art Gallery
.jpg)
![]()
Herman Gorter
Mei, een gedicht
Boek III (slot)
Het was de nacht
Toen alle wolken te begraven gingen.
Ik zat waar een rivier ging en er hingen
Treurwilgen over mij, waardoor de wind
Zoet en zoel weende tranen als een kind.
Het was zóó een rivier tusschen twee dijken
Als uit de bergen springt en door de rijken
Van Duitschland en van Holland naar zee gaat.
Het water gonsde, als een overlaat
‘s Winters des nachts van water, en een tjalk
Kwam soms den stroom af als een donk’re valk
Op ‘t tweetal vlerken, met karmijnrood licht
Voor op den boeg; die leek een zwart gezicht.
Menschestemmen hoorde ik uit het luik,
Terwijl het schip voortdreef, schuim om den buik.
Ik voelde mij zeer droevig, want ik wist
het droevig lot van Mei en in een mist
Zag ik nog de vergeefsche lange tocht.
En in de lucht klaagde het om me, ik zocht
Naar hare stem maar hoorde die nog niet.
Wel ‘t vochtig blazen door het jonge riet
En kleine wilge’ en berken van den wind,
En ‘t zoele en zoete weenen, of een kind
Door ‘t duister liep en zonder klagen schreide.
De takken plaste’ in ‘t water, tusschenbeide
Slokte het water gorgelend, een visch
Gelijkend, zwemmend in de duisternis.
En toen ik toen de oogen opwaarts sloeg,
Denkend, waar zou ze zijn? en ondervroeg
Elk van de wolken voor de hemelen,
–Ze leken op de groote kemelen
Zooals ze door Sahara dravend gaan -
Toen zag ik haar opeens tusschen hen gaan.
Eerst als een starre met een schemerschijn
Mind’rend rondom en toen een uit het klein
Fladdergewiekte volk der vlinderen
En toen als eene uit de kinderen
Die vogels nadoen, hoenders en kalkoenen,
Met de armen vliegende vergeefs, en toen ‘n
Lelieëbleeke, weenend, mijne Mei.
Haar bleek voeten trillende tot mij
Kwam ze en zat met mij te zamen aan
Den stroom, terwijl de boomen loofbelaan
Ruischten en rilden als onz’ eigen harten.
Het mijne kookte bloed, maar hare smarten
Bevroren haar van binne, en ze zei
Geheel en al niets en zat stil naast mij.
In vochte regen aan dien breeden stroom
En midden in dier droeve boomen droom.
En bij het komen van den rooden morgen,
Toen van het water, uit het loof, de zorgen
Heenvloden en het zonnelicht kwam huizen
Met vogels in de takken en het bruischen
Van golven vroolijk werd, toen zei ze mij
Wat ik al wist, en zei ook rij aan rij
De Balderswoorden, godd’lijk, wonderbaar.
Ik werd een tijd zeer stil en dacht veel, maar
Begreep het niet, want mijne ziel kon niet
Denken wat ze zou zijn, wanneer ze niet
Behoefte had aan oore’ en ooge’ en wensch
naar anders en naar meer: dat kan geen mensch.
En warmer werd het en de schaduw kwam
Onder de boomen waar wij waren, ‘k nam
Haar hand. — Wij gingen langs de dikke dijken
Waar ‘t gras langs wuift en soms bleven we kijken
Wanneer een stoomboot ver den stroom opkwam,
Met een sleep schepen, zooals men een ram
Vooraan ziet gaan voor al de tamme schapen.
Ook werd in haar weer wakker wat te slapen
Gegaan was en ze sprong wel naar beneê
En plukte een bloem en stond er droef tevree
Boven te zien en hield ze aan haar borst.
En alle bloemen wilden haren dorst
Toen stillen, en ze trippelden, en kleurig
Vonkte het daar en in de luchten geurig
Ademden ze, wij gingen aldoor voort.
En ook ter zijde af en van den boord
Die weerzijds sluit het breed rivierig water,
En groote velden in en wei, daar staat er
Een hooge boom, een zilverpopulier.
Wij zaten er en hoorden het plezier
Der bladeren — terwijl de zon hoog klom
En boven onze hoofde’ het loover glom.
En koeien loeiden en de boeren kwamen
Te melken en te maaien en de ramen
En deuren knersten van een boerderij
En wolken komend vulden met geglij
Van schaduw al de velden en van licht –
De schaduw kwam wanneer het leven zwichtt’.
Arbeiders kwamen ook in de bouwlanden,
En naast elkander zamelden ze de manden
Vol van de donkre aardvrucht en de rij
Gekromde mannen kropen zij aan zij.
Dat alles zagen wij heel ver gebeuren
Terwijl de zon klom en de natte kleuren
Des ochtends drooger werden en opgloorden
Eindlijk van goud en ook de klare woorden
Der bladen boven wij niet meer verstonden.
De stille morgen: òpblaften wachthonden
Toen boeren uit het veld kwamen te schaften.
Ze sprongen aan hun kettingen en blaften.
En maaiers legden zich diep in het gras,
Witte en blauwe hemden in het gras.
De wolken zwierven henen van den hemel,
Boven de aarde was er heet gewemel.
De zon stond roerloos boven uit te schijnen,
De aarde was een warme zee aan ‘t deinen.
Ik stond toen op en liep in ‘t weiland rond
Nu voor, dan achter haar, zooals een hond
Nu eens ter zijde en dan voor de kudde.
En telkens keek ik — en de bladen schudden
Het zonlicht boven haar, zij klein en rood
Zat stil en zag mij niet, haar oogen bloot
Flikkerden door haar tranen kleine stralen.
Ik liep dan voort en waar het eiland dalen
Ging naar een sloot, sleepte ik mijne voeten.
Er stonden bloemen die door het ontmoeten
Met mijne voeten schommelden, ik ging
Boven ze langzaam en mijn zwaar hoofd hing.
Er stond een vrouw tusschen de voorste struiken
Van een licht kreupelboschje, en de sluike
Willegetakken stonden om haar toe.
Ik kende haar wel, en zij mij, en toe
Lachten we flauw elkaâr, het was die vrouw
Die vroeger Mei ontmoet had en geen rouw
Had willen brengen om haar blijde oogen.
Zij hief den arm op en hield zoo lang haar hooge
Houding, ze wees naar Mei en zeide toen:
”Weent zìj nu ook, in deze zonnenoen?”
En dichter kwam ik bij haar, en zei haar
Het lot van Mei, zij hield haar arm op waar
Ze haar gewezen had — zoo’n pijn had ze.
Hoorde en ademde en mompelde
Zelf zìjnen naam toen ik gesproken had.
En zwijgend stonden we bijeen, ze had
Aldoor haar arm nog uit — hoog boven mij.
Wij beiden zagen haar, ver, van ter zij,
Onder den boom en eindlijk zeide zij:
”Balder en Mei, dat was een schoone droom.
Als dat geworden was, dan konden loom
Wij allen nederzitten en wel sterven
Alle demonen; en wie dan beërven
De aarde zou…maar dit is niet geweest.
Zij zit daar weer alleen — even verweesd
Als alle vrouwen zaten op de aarde,
Die hem eens hoorden en in ‘t oor bewaarden
Zijn stem — ik hoorde hem, ook ik ben bleek,
Als water is, beneê den mist, der beek.”
Ik rilde van een kouden lentewind,
We stonden nog en keken naar het kind.
Zij ging toen heen, de wilgetakken bogen
Zich om haar, ‘t hoofd ging boven het bewogen.
Haàr oogen gloeiden toen ik tot haar keerde
Mijn oogen en ik zag dat zij begeerde
Kussen en teere vingeren, zij brandde
Den hemel met haar oogen en de landen.
Gloeiende tranen vulden toen haar oogen
En zij bewoog zich niet ze af te drogen.
Later werd het en ook koeler toen,
De wei met schaduwen en zich opdoen
Van lichte nevel. En wij gingen heen,
Al stil rondom wijl de zon lager scheen.
Wij zagen toen den stroom ook weer terug,
Waar ‘t water schitterde, waarover vlug
De vogels trokken twee aan twee naar huis,
Zij liep met mij, niet ver was meer de stad,
Langzaam donkerder werd het om ons pad.
Der boomen stammen eerst en toen het loover,
Langer gekleurd en rood, maar ook daarover
Sloegen de golven duister en de lucht
Alleen bleef ademen een purpren zucht,
En geele glorie wellen in een glans
Den halven hemel groot, een schellepkrans,
Daartegenover dansten als fantomen
Roode verschijningen op hemelzoomen.
Toen zagen wij voor ons de poort der stad
En toren en daklijnen voor de mat-
Goude verlichting van de breede zee
Des hemels. Muren waren aan de twee
Zijden der poort, waarbinnen wij nu gingen.
En echo’s vingen daar wel aan te zingen
Van mijner voeten klank, van hare niet.
De avond was daarbinnen, in ‘t verschiet
Van straat en gracht hing om het blauwe duister
De schemering en in de huizen huist er
De nacht al of de lampen nog niet brandden.
De straten waren stil, maar aan haar wanden
Waar glazen waren, zat een enkle vrouw,
Een oude hier, een jonge daar, in schauw
Der kamer naar de lichtre straat te zien.
Eens hoorden ik en zij het melodieën
Achter uit huis van snaren van een veel,
Eens uit een tuin het heldere gekweel
Van lijstervink, die zat gekooid gevangen.
En zwarte menschen liepen met verlangen
Naar huis als moede beesten en de linden
Stonden aan grachten droomerig, gezwinde
Rillingen voeren soms door boomkruinen,
Wanneer een lichte wind kwam tuimelen.
Mijn huis was op den stadsmuur opgebouwd,
Ik deed het open en wat binnen rouwde,
De duisternis, werd licht toen zij intrad.
Het was zooals juweel uit een kroonschat
Die uitbeleend wordt in een donkre wijk
En in het huis ligt van een Jood en rijk
Dat duister maakt met gloed en flikkering.
Zoo was zij daar, de kamerzoldering
Schemerde en de donkre hoeken grijnsden.
Hoog was die kamer in het huis, er deinsden
Boomen beneden aan de lage straat.
Het raam was open en zij had ‘t gelaat
Naar buiten waar de zwarte daken waren
Als doodskisten gezet op hooge baren
Voor de begrafenis in zwarten grond.
Een enkel lichtje brandde in het rond
En schimmen sprongen langs verlichte ramen.
Een toren stond niet ver af met de namen
Der twalef uren op de wijzerplaat
Flauw zichtbaar, en beneden in de straat
Hoorde ze mannen spreken met elkander.
Een flauwe reukbeladen wind, als brandd’ er
Heel ver af wierook ergens in een schaal,
Gestold uit bloemenat en dauw, woei vaal
Voorbij en bij ons in, en de rivier
Gonsde en ronkte niet ver als een dier.
Ik hoord’ en zag het ook wel, duizelde
Mijn hart niet zoo in mij en suizelden
Mijn ooren niet en sloten mijne oogen
Niet bijna toe. Ik dacht niet, er bewogen
Nieuwe zinnen in mij, terwijl ik zat
Ver in het duister en mijn handen nat
Waren van angst om haar gestalte, daar
Ze stond zooals ik voor het eerst zag waar
De wilgen blauw waren voorbij den stroom. -
Toen zagen wij te zamen uit, een droom
Leek ‘t zwarte stadje daar voor ons te droomen
Met al zijn lichten uit, een man wien loome
leden geleiden naar zijn leger, dan
Droomen bezoeken, een dof droomend man.
En ook ik legde mij toen neer te slapen
Maar sliep niet, en zag haar, en dikke schapen
Van wolken langs den hemel door het raam,
–En haar zag ik — en zij liepen te zaam
Omhoog, ik zag ze een voor een verdwijnen.
De maan scheen, maar ik zag haar niet, wel ‘t schijnen
Der sterren en toen ook hun tragen gang
Over het huis heen, moeielijk — en bang
Bleef ik van hart, zij doodstil aan het venster.
Alles was donker en de stilte wenscht’ er
Klanken en woordgeraas, en aamde zwaar
Van haar naar mij, van mij tot haar, een schaar
Van lange zuchte’ in hangende gewaden.
terwijl de stilte peinsde om te raden
Geluid dat komen zou, terwijl ze ried
En peinsde nog en luisterde, een lied
Speelde daar al en floot een nachtegaal.
Het werd geboren uit de stilte, taal
Van stilte zelf, alsof het zwijgen sprak,
Onmerkbaar overgaand in spraak die brak.
Haar bracht te zwijgen ander klokkespel,
gezongen van den toren, door één schel
En toen nog vele andre van metaal.
Een boom van klokken en een kort verhaal
Van de oude toren, met zijn jonge stem.
En Mei keek naar hem op en hoorde hem.
Toen kwam ze binnen en sloot toe het raam
En lichtte door de kamer, handen saam
Hield ze, en liep een tijd lang heen en weder.
En stond toen stil en zat en legde neder
Zichzelve naast me, naar me toe gewend.
En haar nabijzijn maakte als een tent
Over mij heen van veiligheid en schemer.
Voor mij zag ik twee vlammen en gewemer
Voelde ik om mij van dier vlammen licht.
haar oogen blonken, van haar aangezicht
Woeien naar mij, op mij, haar ademen
Met breede armen en omvademen
Kwamen zij mij mijn wangen en mijn hoofd.
En voller kwamen ze en loeide’ en loofde’
Hun koelte en laafden mij, en een diep water
Maakten ze dompelend, als stroomen water,
Gesmolten en gezwollen door een lent’,
Die hare winden naar de bergen zendt.
Daarin verzonk ik en mijn lijf verdronk
In ademen van slaap en ooggelonk.
En zij lag heel stil, als soldaat op wacht,
De voorste voorpost, luis’rend in den nacht
Of hij den vijand hoort, hij denkt aan huis,
Aan veel wat ver is, hoort toch elk gedruisch
Met erg en argwaan breken door den nacht.
Eerst vlogen wel langs ‘t raam op veereschacht,
Eén veer droeg hen gemakkelijk, lichtelven,
En stonden toen er voor en in zich zelve
Peinsden ze lang en praatten niets, één zei
Toen eind’lijk iets, ze lachten toen voorbij.
Wel kwam een jonkvrouw aan: dat was haar zuster,
En keek op haar, bij ‘t raam staand’ en ze kust’er
aar vingers voor, hoewel ze d’oogen wischte -
Juni, een lichter licht rondom haar mistte. -
Maar onderwijl sloeg binnen haar een trom
Een doodsroffel — zoo gaan soldaten om
Voor ‘t laatst met dooden makker eer hij ligt
Onder de aard’, verborgen voor het licht.
Ze voelde het begin van kouden dood
In zich en ‘t was of stierven in haar schoot
De kinderen van wenschen en verlangen.
Ze lag naar boven en ze liet de lange
Lokken ter neer vallen ter legersteê.
Haar boezem ging met adem, adem, mee,
Haar bloote, bleeke voeten blonken in
De schaduw heel ver weg en om haar kin
Lichtte een blauwe ademing van vlam,
Haar handen lagen naast elkander, klam
En fijn gevingerd op ‘t geweven kleed.
En aldoor was ‘t of binnen haar omschreed,
Zooals een wind die omgaat ‘s avonds laat,
Zooals een kind dat ‘t oude huis rondgaat
Voor hij ‘t verlaat en nog wat speelgoed ziet,
En er mee staan blijft: ‘t is zoo groot verdriet.
En ‘t werd in haar zooals een woud in winter
In vreeselijken winter, als de wind er
Vergeefs blaast en de stijve stamme’ en takken
Zich harden ruw en op de open vakken
Bevroren gras, als steen staan en de maan
Zijn straal als ijs stort in de boomenpaan.
Zij huiverde en deed mij zoo ontwaken:
Zij leek een bloem, die onder het sneeuwlaken
Kou lijdt, niet slapen kan van kou en sneeuw.
Of als een vogel, sneeuwwitte zeemeeuw
Met roode pooten — ‘k leunde op mijn arm
En ademde op haar en weder warm
Werd ze als immer, zij een bloedebloem –
En toen maakte ik mijn adem tot den roem
Van adem, golfjes klank, veeren van klank,
En zong een liedj’ en zweeg, ze zei haar dank
Nog niet, want òp zat ze en zag mij aan
En zei als wou ze in haar stem vergaan:
”Gij zijt als hij, als hij, in uwe stem.”
En toen kuste ze mij, maar kuste hem
Op mìjnen mond, en toen op mijne oogen,
Maar hare oogen waarden in den hooge.
Toen werd het weder morgen en het pruilen
Der schemering begoon en toen het huilen
Van grijze tranen licht, en ongedegen
Zilveren druppe’, een parelmoeren regen.
En eindelijk daar waren àl de stralen
Der zon, die ‘s morgens wonderen verhalen,
Splinternieuwe en van fijn goud zijn.
En wij herleefden in der kleuren schijn
En stonden en wij zagen weer elkaar,
Zij mij, ik haar in ‘t goud van ‘t hangend haar.
Toen zei ze vele zoete woordekens,
Een vogel ‘s morgens, ‘k had maar énen wensch,
Dat zij daar blijven kon met haren mond
Waarom zich ‘t ranken van bloemwoorden wond.
En onderwijl stonden wij uit te zien
Naar ‘t gouden blauw en naar het vlugge vliên
Der stralen op en over blauwe daken.
De lucht werd door het licht verguld, te blaken
Stond op den kerktoren de gulde haan,
En hier en daar fladderde een windvaan
Nog wispelturig op onstagen wind.
Heel ver weg vloog en blonk het stroomelint
Wimpelend door de weiden, waar de ossen
Rustig in stonden en de wilgen losse
Takken bewogen en de blaân als vlaggen.
Klare meerplassen lagen er te lachen
En schaterden van zon, de overstrooming
Had ze daar nagelaten en de koning
Der zomerzon ze nog niet opgedroogd.
Het stadje lag met wallen opgehoogd,
Daar vlogen onze blikken in als duiven
Na het omvliegen in hun til, en wuiven,
Wuivelen zagen wij de buitenblaân
Der boomen, binnen groen licht, onderaan
Een enk’le stam de grijz’ en geele steenen,
En in de gracht een trekschuit schuivend henen,
Toen vroeg ze mij te zien der menschen stad,
Wat die voor werke’ en wezens in zich had.
Daar was een klein plein aan de watergracht
En boombeplant, vol schaduw en aandacht
Van dunne gouden zonnestralen, die
Door olmebladen kwamen met gespie
Nieuwsgierig, waar de hoenderen in blonken
Goudbruin op zwarte aard, de haan te pronken
Zijn dos opschudde en zijn rooden kam.
Een geele wipbrug lag daar en er kwam
Een trekschuit doorglijden vuurrood van kiel.
Het water rimpelde, de vuurkleur viel
Bibb’rend tot aan den oever in ‘t gekabbel:
Tegen de schoeiing klonk het nat gebabbel.
Nog was het stil, wij zaten toe te zien
Bij een straathoek: er kwamen meerdre liên,
Een vrouw naar buiten, strooiende geel graan,
De hoenders kakelden en vlogen aan
En aten gulzig — en toen ging er open
Een deur en kwam een jongen uitgeloopen.
Stil werd het toen een poos, het zonlicht klom,
Over de gevels schijnend hel en stom.
Een werkplaats lag er aan dat kleine plein,
De dag was aangegroeid in zonneschijn –
Die was vol koelte en van donker hout
Bevloerd en ook gezolderd en zeer oud
Leken de ramen, waar looflicht door scheen
Door de olmen buiten, en daar kwamen heen
Oude en grijze mannen om te werken.
Er lagen houtstapels: de eikesterken
En ‘t spleet’ge vurenhout van uit het noorden.
De werklui namen het en zonder woorden
Schaafden en klopten ze met timmering,
Bedrijving in de groene schemering.
En nog een andre was er aan dien kant,
Ook donker: en er voor lag het vol want
En touwwerk en scheepstuig, de houten blokken
En ankerkettingen en rondgetrokken
Gestapeld henneptouw, er binnen zaten
De oude zeilmakers, hun gelaten
Dicht op de naald, in ‘t wit, voor hen het zeil.
Wij stonden er en keken toe een wijl.
Wij gingen verder terwijl heel de stad
Onder de zon kwam en er als een bad
Zonlicht in omviel, dat de trappengevels
Van rooded steenen droogden en de nevels
Van glans die ‘s morgens vroeg overal is
Dampten: het overschot nachtdroefenis.
En door de straten zagen wij naar buiten
En door de poorten, die zooals de ruiten
Zijn in het huis: daar vloog de buitenwind,
Laaide het vlammend licht en staarden blind
De plassen zich, de sloten, de rivier.
Daar kwam een groote wagen: het trekdier
Stapte en trok, verstoppende de poort.
Hier een troep schapen, en ze liepen voort
Dat vachten wolzij schommelden, een ruiter,
Een boer te paard kwam aandraven, het tuitt’ er
Van flikkering en jongens schreeuwden dol
En vochten op hun klompe’, een kroeg liep vol.
De buurten in die aan den stadswal zijn,
De daken waren laag, de deuren klein,
Gras in de straten, mannen niet tehuis.
Alleen de vrouwen, luist’rend naar ‘t geruisch
In ‘t huis van vliegevleugels, naar ‘t gestap
Van voeten op de straat, en naar ‘t geklap
Der buredeuren. ‘t Sling’ren van een pomp
Hoorden wij wel en zagen soms den romp
Van een oud vrouwtje, die het natte linnen
Te droogen legde op de heg, en binnen
In huis schreide soms een zuigeling. –
Lang zaten wij daar op den breeden ring,
Den stadsmuur, waar de kamperfoelie klom
Omhoog met wingerden, klawieren krom
Kropen de muur over, de gracht benee
Was als een schor nat, van de Zeeuwsche zee.
En daar ook deed ze mij verscheide vragen,
Vragen hoog klimmende in fijne wagen
Van hare stem als tegen heuvels op:
We spraken lang, terwijl we van den top
Der kerketoren telkens de uren hoorden.
Nooit waren tonen zoet als die ik hoorde
Suizelen van haar mond, de lucht inklimmen:
Voor mìj omneveling van alle kimmen
Met tranendampen, en een wereldgroot
Gevoel in mij. Ze sprak me van haar dood.
Wij keerden ook weer in de stad terug -
De zon week uit de straten al terug
En was veel lager aan de Westerkant.
De straten waren stil en aan den band
Der effen grachten lagen stil de schuiten.
De steenen werden paarser om de ruiten
Die zelf ook blauw besloegen, het gordijn
Ging hooger in de ramen van ‘t kozijn.
Toen werd het zonlicht west’lijk weggedragen
Zooals een Oostersch heer, die op zijn wagen
Lang omgereden heeft door zijne stad,
En nu ‘t paleis genaakt. ‘t Gelaat is mat
En lichtgeel en lichtgoud onder den waaier.
Zoo ging de groote zon heen met gelaaier
Van licht rondom zich, in een palankijn
Van gloed karmijn, fluweel zoo rood als wijn.
En groepen vrouwen kwamen op de straat
Bijeen, die troosten ‘t leven met gepraat,
Haar moeilijk leve’, en grijsaards die het laat
Leven het meest genoten zaten stil
Dicht onder huis op stoep, door hunnen bril
Rustig de mensche’ en dingen aan te zien.
Een steiger stond nog voor een huis, van dien
Kwamen de mets’laars klimmen in een rij.
Een jong man met blond haar was ook daarbij,
Die bleef nog staan heel boven op den steiger,
Zooals men ziet in ‘t woud den blauwen reiger
In ‘t topje van den boom staan — hij keek rond
Naar den roodgeeln en zwarten dagavond
En lachte in den avond, en een lied
Neuriënd dalend, wist hij ‘t zelve niet.
De nacht kwam weer, schoon lampen nog niet brandden.
De straten werden stil, maar aan de wanden
Waar glazen waren, bleef een enkle vrouw -
Een oude hier, een jonge daar, in schauw
Der donkre kamer naar de straat te zien.
Eens hoorden ik en zij het melodieën
Achter het huis van snaren van een veel,
Eens uit een gang het heldere gekweel
Van lijstervink, die zat gekooid gevangen.
En zwarte mannen kwamen met verlangen
Naar huis als moede beesten en de linden
Stonden aan grachten zwaar van slaap, gezwinde
Rillingen voeren over het grachtwater,
Wanneer de wind zich neerlag op het water.
Toen dan de nacht er was, de zwartgehande,
De zwartgeborene die tot een schande
Der aarde is, beklommen wij het huis.
En in dien nacht zaten wij samen thuis
En sliepen niet en droomden niet, de zangen
Van slaap en dood die zongen we, die wangen
Verbleeken en benauwen in de keel.
hartstochtelijke stem. Voor mij, bleekgeel
Zat Mei weer en haar mond stond altijd open
En liet de klanken door, die als bij hoopen
Mannen en vrouwen bij begrafenis
Uitliepen, op een dag van droefenis.
Zoo zong ze soms alleen en soms wij samen
Als sombere bedroefde koren, namen
Van vele dingen die ze had aanschouwd.
beefden nu weer van hare tong, berouwd
Door klaaglijk lied, eentonig lang getreur,
Heel soms een blijde noot, wanneer ze heur
Oogen deed lichten, en haar hoofd een baken
Gelijk werd, en haar armen vooruit staken.
Maar dan zonk ze terug in droefenis,
Met hare armen en de duisternis
Die trilt voor de oogen en als blindheid is.
Wij hoorden buiten niets, zooals een graf
Was mijne kamer, dat ligt heel ver af
Van aller menschen schreden in den schoot
Der warme woestenij, en ‘s avonds rood
En ‘s morgens rood schouwen er over heen -
Zoo schouwden ook de oogen van ons tweeën.
En zoo kwam eindelijk de laatste dag,
Brandstapel van een dag, het fel gelach
Der vlammen om het arme brandend hout.
Toen het nog schemerde en ‘t om ons koud
Van morgenlicht werd, kwam ze dichter bij me,
En knielde aan mijn knieën en ze lei me
Het hoofd zoo zwaar van haar daar neer en toen,
Terwijl mijn hand op hare lokken was, een zoen
Kuste ik op het blonde haar, bleef zij
Zwijgen aldoor en eerst zonder geschrei,
Zooals een kind, maar ‘k voelde adem schokken
En branden uit haar mond. En toen als vlokken
Van sneeuw zoo langzaam, dreven groote tranen
Haar wangen af, — En zooals ‘s avonds ‘t tanen
Van ‘t zonlicht is, zoo zag ik nu uit haar
Veel licht verscheiden — zij, als een altaar
Waar ‘t vuur maar flauw brandt in den donkren nacht,
Bleef over, maar waar één vonk gloeit en wacht.
En toen zij opstond, stond ik ook naast haar -
Nog fonkelde zij voor mij van heur haar
En van haar oogen — lei ze nog haar hoofd
Dicht aan het mijne en ik zag gedoofd
Worden haar oogen weder door haar tranen,
En de armen om mij, zooals van de mane
De armen zijn, zoo fijn en ook zoo licht.
Zoo bracht ze ook haar droeve aangezicht
Dicht aan het mijne en bleef heel lang staan,
D’oogen in mijne, mijn hart ging vergaan.
Toen ging ze heen, terwijl haar mond niet sprak,
Achterwaarts heen, ik zag haar in het vak
Der deur staan, met de ooge’ aldoor op mij.
Toen ging ze heen en was ik zonder Mei.
En toen ze kwam in ‘t licht en dronken buiten,
Bedronken door den nacht, en dat te muiten
Des morgens slaat uit duister en zich kiest
Een opperhoofd: de zon, en zich verliest
Voor hem en voor zijn glans, waarin het valt
En sterft en opgaat na den doodstweespalt
Met duisternis, die òòk sneeft: Daar bleef hij
Met al zijn schijn alleen en trotsch en blij.
En droevig eenzaam kwam zij in dien dag.
De boomen maakten in hun loof gewag
Van morgenwinden en de jonge vogels
Zaten er op de wallen of als kogels
Vlogen ze van een tak boven den muur.
De klokken sloegen een vroeg morgenuur,
En droomerig en droevig gleed ze voort,
De poorte uit, een dijk langs en het boord
Des grooten strooms die met zijn water vocht.
Ze dacht aan mij en hoe ik wezen mocht
Nu zonder haar en of ik eene lief
Spoedig zou vinden, die ik even lief
Zou hebben als ik haar wel had gehad.
Toen dacht ze aan den dood en keek naar wat
Dood in het gras kon zijn, maar dat was niet
De dood noch droefheid. Want het leven schiet
In lente ied’re bloem en ieder kruid
Vol krach en glans, en recht de aarde uit. -
En zoo werd droevig hare laatste dag.
Maar zon, haar vader, ving toen met een lach
Een nieuwer glanzen aan en toen terstond
Wikkelde hij het louterst licht daar rond,
Dat zamelend wat anders van zijn kussen
Het beste van de aarde ten deel valt, tusschen
De bergen reinen meren, berg van sneeuw
Ons onbereikbaar, en in ééne eeuw
Misschien het aanzicht van een enkel mensch.
Dat zag ze, en ze voelde in zich wensch
En toen ook werk’lijkheid van zoo te zijn,
Zoo koel als ‘t goud, zoo koel als ‘t kind dat klein
Nog is en tusschen vreugd en droefheid leeft.
Zoo werd ze en de rijke zon omweefd’
Eén sluier na de andre om haar oogen.
Eén horizon verdween na de ander, hooge
Blauwende hemel en van zeer nabij
Had boom en loover een verguld kleedij.
Alles was ééne kleur, alles gelijk,
Zij zelve voelde in zich even rijk
Als wie voor goed alleen is en niets kan
Nu meer verliezen of verkwisten dan
Alleen zìjn leven en zijn eigen zelf.
En in dat godsgeschenk, dat goudgewelf
Liep ze al voort en voort, het schoof met haar,
Zij zelf het goudst daarin, het gouden haar
Een korenschoof rondom haar waar de aren
Uit neerhangen en zich de schoof omscharen.
Toen kwam ze — o ik weet wel waar het was,
Het was in ‘t jongste ongereptste gras
Tusschen vier eiken die hun roode blaan,
Nog rood hadden van ‘t lentebloed, te schaân
Door niets, maar wel door ‘t morgenlicht te kussen,
En dan aan ‘t trillen en elkaar te sussen.
En vol van haren gloed werd die kapel,
De onderzij der bladen glommen schel,
Blauw was de hemel tusschen ‘t groene loof,
Het roerloos loof, de wind was stil en doof.
Dat was der aarde heiligst heiligdom,
Zij stond er: alles recht en niets meer krom,
haar hals niet en haar knie niet, zonder zorgen.
Zoo stond zij op dien laatsten dag, dien morgen
Het schoonst, het guldenst wat op aarde is.
Zij dacht no veel, maar tot bekentenis
Kwam niets meer in haar kalmte: één gevoel
Hield ‘t roode bloed en ‘t blanke lichaam koel.
Zóó als op zomermorgen binnenzeilen
De groote zee een schip komt, zwaar met zeilen,
Maar licht zich heffend op der golven vloed,
Het hoofd in ‘t reine, in het schuim de voet,
Zooals de bark die zomermorgens komt,
Zichtbaar uit duisternis, van nacht ontmomd,
Zichzelve sieren met de gouden wimpels,
De zonnestralen aan den mast en rimpels
Ook wimpelend van goud voor om den boeg -
Zóó als een bloem van zomerrood, papaver,
Rustig vol staat, midden in gedaver
Van zonnevuur dat valt den grond in stuk
En smoort en schroeit het gras: maar zijn geluk
Blijft even groot: hij laat zijn roode vaan
Wapp’ren op wind of in de zon stilstaan -
Zóó stond ze in het grootst en stilst genot,
Het onbegrepen’, in den gloed van God
Den Vader, en hield recht het hoofd omhoog,
Haar armen stil, terwijl niets òverwoog.
En teer begon het hoofd over te neigen
Toen ‘t volste uur gevuld was, en te zijgen
De wimpers droom’rig neer, heel langzaam aan.
En teeder bleeker werd ze, af en aan
Voer bleek en rood op hare moede handen.
Nevel van goud week uit, uitzettend wanden
En walleschansen licht en medenemend
Al wat niet gansch’lijk rein was en heenzwemend
Met levend’ elven dat het heiligdom
Alleen voor haar zou blijven, als een kom,
Een klare vijver waar heel niets in drijve
Dan ééne zwaan en die nog roerloos blijve.
En rondom werd het schaduwlooze gras
Besprenkt met vonken als een waterplas,
Zooals de groote meeren van de zee
Wanneer de zon staat in de middagstee.
Zóó als een zonverlichte groote toren
Dien blok op blokken metselsteenen schoren,
Omhoog is ‘t fijn graniet en schijnt de zon,
De avond komt en van den horizon
Komen de stralen, hij wordt donker ouder
En van zijn voeten tot den hoogen schouder
Is hij vol schaduwen en ouderdom -
Zóó als een eik die op de bergen krom
Boog van de vlammen waar hij zich verbrandt,
Bliksemgetroffen, ‘t kleinste takje brandt:
Een huis van vuur geleek hij op de hoogte.
Een donkre regen viel en doofde, boog te
Vallen den zwartenden verkoolden stam,
Op enk’le rakken danst nog weinig vlam -
Zóó als die bloem van zomerrood, papaver,
Rimpelt zijn rood, verwelkend, en zijn staaf er
Zijn teeren stengel langzaam buigt omlaag -
Zoo boog ook Mei langzaam haar hoofd omlaag
En bleek en bleeker werden hare wangen,
En flauw en flauwere werd ook het verlangen
Dat in de oogen brandt der sterveling.
Al verder en al verder week de kring,
De wollige band van vuur, zooals de ruiters
Die uitrijden uiteen en op de muiters
Een aanval doen: ze maken ‘t heel ver stil.
En in zich voelde zij het laatste: wil
Den allerlaatsten wil der stervenden,
Den wil tot doodzijn die het zwervende
Menschengeslacht doet stilstaan en hen drijft
Van zelve naar den grond waar ‘t lichaam blijft.
Ze duizelde en in die duizeling
Werd ze zoo licht, een veer die uit den zwing
Der duive valt: ze daalde en viel niet:
Zoo valt een riethalm over in den vliet.
Zóó als een kind dat in het leven was,
Zóó a;s een bloem van zomerrood in ‘t gras,
Roode papaver die nu neder ligt,
Zoo lag ze en der zonne laatste licht
Scheen op haar, maakte haar een weinig rood
En goud voor ‘t laatst — en ging toen met haar dood.
De maan kwam toen ze daar gestorven was
En kwam over de aarde, uit het gras
Nam ze en beurde het doodkoel lichaam.
Wat was er over van haar warmen naam?
En zoo met blauw licht om zich, en gelaat
Van droefheid grauw en met een grauw gewaad
Van rouw en droefheid achter zich, ging zij
Hoog over de velden en kwam zoo tot mij.
Ik zag haar toen ze stond buiten de stad,
Het kind in hare armen, en ik zat
Niet meer, maar ging tot haar, en ging mee, neven
Haar, zóó hoog dat ik ‘t kind zag, opgeheven.
En toen wij kwamen bij den grooten stroom
Daalde ik weer, zij legde aan den zoom
Het bleeke kind en wijl ik weende, weende
Mijn oogen en mijn hoofd stuk, ging ze en scheen de
Wereld vol van licht van uit den hemel neer.
Ik wist wat ik zou doen en haar begeer,
En in een boot ging ik den stroom toen af,
In gonzend water door laag land — daar gaf
Hij ‘t water in de zee, daar steeg ik uit.
En langs het strand ging ik met haar, geluid
Maakten wij niet, maar werden toch gehoord.
Want uit het land kwamen de elven voort
En uit de lucht de hemelnevelingen,
En uit de zee tritonen en te zingen
Begonnen zij dicht achter mij gezang.
En toen de twalef uren die al lang
Wachtten op haar en op hun droeven plicht:
Ze hadden eene baar en het gezicht
Omhoog, droegen ze haar al ver en verder.
En ik vooraan, ik, die haar goede herder
Geweest was en er achter altijd meer:
Ze kwamen uit de duinen keer op keer
Glijden en dalen en uit alle golven
Staken er Tritons en het lijf bedolven
Zongen en zongen ze het lijkmisbaar.
Totdat we kwamen aan de zeezoom, waar
Zij ‘t eerst geland was, daar hielden wij stil.
De duinen werden vol en het geril
Van ‘t eeuwig brandend water stond vol ook,
Lichte gestalten, als verlichte rook
Zweefden er boven ons ook vele om.
Toen speelden eerst de gnomen op hun trom
En toen de elven op hunne cymbalen,
Toen Tritons, toen wij alle saam, verhalen,
Lange verhalen zang en droefenis.
Toen werden de uren van hun taak gewis
En zetten haar daar neer en lieten mij
Met haar alleen en gingen in een rij,
En zagen met de andren samen toe.
Ik groef een graf waar golven komen toe-
Dekken het zand en legde haar daar neer,
Daarover zand: de golven komen weer
En dalen weer met lachen of geschrei -
Daar ligt bedolven mijne kleine Mei.
1886-1889
![]()
Herman Gorter
Mei, een gedicht – Boek III
(slot)
kemp=mag poetry magazine
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Gorter, Herman
.jpg)
- Demonstration Deutsche Gewerkschaftsbund -
















Nachrichten aus Berlin
Unser Korrespondent Anton K. berichtet
Demonstration Deutsche Gewerkschaftsbund
Am 16 Mai 2009 gab es eine große demonstration organisiert vom Deutsche Gewerkschaftsbund unter dem Thema "Die Kriese bekämpfen. Sozialpakket fur Europa. Die Verursacher müssen zahlen.. " Von Treffpunkte Breidscheidplatz und Hauptbahnhof zogen etwa 100.000 Teilnehmer durch Berlin zu der Hauptkundgebung zwischen S-Bahnhof Tiergarten und Sieggessäule. Redner waren unter anderen Michael Sommer, Vorsitzender des DGB und John Monks (Generalsekretär des Europäischen Gewerkschaftsbundes).
![]()
KEMP=MAG poetry magazine – magazine for art & literature
museum of public protest
Filed under: MUSEUM OF PUBLIC PROTEST,EXHIBITION,Nachrichten aus Berlin

W i l l i a m B u t l e r Y e a t s
(1865-1939)
May God be praised for woman
T h r e e P o e m s
Politics
How can I, that girl standing there,
My attention fix
On Roman or on Russian
Or on Spanish politics?
Yet here’s a travelled man that knows
What he talks about,
And there’s a politician
That has read and thought,
And maybe what they say is true
Of war and war’s alarms,
But O that I were young again
And held her in my arms!
To A Young Girl
My dear, my dear, I know
More than another
What makes your heart beat so;
Not even your own mother
Can know it as I know,
Who broke my heart for her
When the wild thought,
That she denies
And has forgot,
Set all her blood astir
And glittered in her eyes.
On Woman
May God be praised for woman
That gives up all her mind,
A man may find in no man
A friendship of her kind
That covers all he has brought
As with her flesh and bone,
Nor quarrels with a thought
Because it is not her own.
Though pedantry denies,
It’s plain the Bible means
That Solomon grew wise
While talking with his queens.
Yet never could, although
They say he counted grass,
Count all the praises due
When Sheba was his lass,
When she the iron wrought, or
When from the smithy fire
It shuddered in the water:
Harshness of their desire
That made them stretch and yawn,
pleasure that comes with sleep,
Shudder that made them one.
What else He give or keep
God grant me — no, not here,
For I am not so bold
To hope a thing so dear
Now I am growing old,
But when, if the tale’s true,
The Pestle of the moon
That pounds up all anew
Brings me to birth again –
To find what once I had
And know what once I have known,
Until I am driven mad,
Sleep driven from my bed.
By tenderness and care.
pity, an aching head,
Gnashing of teeth, despair;
And all because of some one
perverse creature of chance,
And live like Solomon
That Sheba led a dance.

KEMP=MAG POETRY MAGAZINE
MAGAZINE FOR ART & LITERATURE
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Yeats, William Butler


W i l l i a m B l a k e
(1757-1827)
Seven poems from: Songs of Innocence
& Songs of Experience
Introduction
Hear the voice of the Bard,
Who present, past, and future, sees;
Whose ears have heard
The Holy Word
That walked among the ancient trees;
Calling the lapsed soul,
And weeping in the evening dew;
That might control
The starry pole,
And fallen, fallen light renew!
‘O Earth, O Earth, return!
Arise from out the dewy grass!
Night is worn,
And the morn
Rises from the slumbrous mass.
‘Turn away no more;
Why wilt thou turn away?
The starry floor,
The watery shore,
Is given thee till the break of day.’
The Blossom
Merry, merry sparrow!
Under leaves so green
A happy blossom
Sees you, swift as arrow,
Seek your cradle narrow,
Near my bosom.
Pretty, pretty robin!
Under leaves so green
A happy blossom
Hears you sobbing, sobbing,
Pretty, pretty robin,
Near my bosom.

Spring
Sound the flute!
Now it’s mute!
Birds delight,
Day and night,
Nightingale,
In the dale,
Lark in sky, -
Merrily,
Merrily, merrily to welcome in the year.
Little boy,
Full of joy;
Little girl,
Sweet and small;
Cock does crow,
So do you;
Merry voice,
Infant noise;
Merrily, merrily to welcome in the year.
Little lamb,
Here I am;
Come and lick
My white neck;
Let me pull
Your soft wool;
Let me kiss
Your soft face;
Merrily, merrily we welcome in the year.

Ah, Sunflower
Ah, sunflower, weary of time,
Who countest the steps of the sun;
Seeking after that sweet golden clime
Where the traveller’s journey is done;
Where the Youth pined away with desire,
And the pale virgin shrouded in snow,
Arise from their graves, and aspire
Where my Sunflower wishes to go!

The Lily
The modest Rose puts forth a thorn,
The humble sheep a threat’ning horn:
While the Lily white shall in love delight,
Nor a thorn nor a threat stain her beauty bright.
Laughing Song
When the green woods laugh with the voice of joy,
And the dimpling stream runs laughing by;
When the air does laugh with our merry wit,
And the green hill laughs with the noise of it;
When the meadows laugh with lively green,
And the grasshopper laughs in the merry scene;
When Mary and Susan and Emily
With their sweet round mouths sing ‘Ha ha he!’
When the painted birds laugh in the shade,
Where our table with cherries and nuts is spread:
Come live, and be merry, and join with me,
To sing the sweet chorus of ‘Ha ha he!’

The Echoing Green
The sun does arise,
And make happy the skies;
The merry bells ring
To welcome the Spring;
The skylark and thrush,
The birds of the bush,
Sing louder around
To the bells’ cheerful sound;
While our sports shall be seen
On the echoing green.
Old John, with white hair,
Does laugh away care,
Sitting under the oak,
Among the old folk.
They laugh at our play,
And soon they all say,
‘Such, such were the joys
When we all–girls and boys -
In our youth-time were seen
On the echoing green.’
Till the little ones, weary,
No more can be merry:
The sun does descend,
And our sports have an end.
Round the laps of their mothers
Many sisters and brothers,
Like birds in their nest,
Are ready for rest,
And sport no more seen
On the darkening green.
Hans Hermans Natuurdagboek- May 2009
Poems: Williem Blake – Photos: Hans Hermans

© hans hermans
KEMP=MAG poetry magazine – magazine for art & literature
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Blake, William,EXHIBITION,Hans Hermans Photos,MUSEUM OF NATURAL HISTORY

L e w i s C a r r o l l
(1832-1898)
Size and Tears
When on the sandy shore I sit,
Beside the salt sea-wave,
And fall into a weeping fit
Because I dare not shave -
A little whisper at my ear
Enquires the reason of my fear.
I answer "If that ruffian Jones
Should recognise me here,
He’d bellow out my name in tones
Offensive to the ear:
He chaffs me so on being stout
(A thing that always puts me out)."
Ah me! I see him on the cliff!
Farewell, farewell to hope,
If he should look this way, and if
He’s got his telescope!
To whatsoever place I flee,
My odious rival follows me!
For every night, and everywhere,
I meet him out at dinner;
And when I’ve found some charming fair,
And vowed to die or win her,
The wretch (he’s thin and I am stout)
Is sure to come and cut me out!
The girls (just like them!) all agree
To praise J. Jones, Esquire:
I ask them what on earth they see
About him to admire?
They cry "He is so sleek and slim,
It’s quite a treat to look at him!"
They vanish in tobacco smoke,
Those visionary maids -
I feel a sharp and sudden poke
Between the shoulder-blades -
"Why, Brown, my boy! Your growing stout!"
(I told you he would find me out!)
"My growth is not YOUR business, Sir!"
"No more it is, my boy!
But if it’s YOURS, as I infer,
Why, Brown, I give you joy!
A man, whose business prospers so,
Is just the sort of man to know!
"It’s hardly safe, though, talking here -
I’d best get out of reach:
For such a weight as yours, I fear,
Must shortly sink the beach!" -
Insult me thus because I’m stout!
I vow I’ll go and call him out!
Atlanta in Camden-Town
AY, ’twas here, on this spot,
In that summer of yore,
Atalanta did not
Vote my presence a bore,
Nor reply to my tenderest talk "She had
heard all that nonsense before."
She’d the brooch I had bought
And the necklace and sash on,
And her heart, as I thought,
Was alive to my passion;
And she’d done up her hair in the style that
the Empress had brought into fashion.
I had been to the play
With my pearl of a Peri -
But, for all I could say,
She declared she was weary,
That "the place was so crowded and hot, and
she couldn’t abide that Dundreary."
Then I thought "Lucky boy!
‘Tis for YOU that she whimpers!"
And I noted with joy
Those sensational simpers:
And I said "This is scrumptious!" – a
phrase I had learned from the Devonshire shrimpers.
And I vowed "’Twill be said
I’m a fortunate fellow,
When the breakfast is spread,
When the topers are mellow,
When the foam of the bride-cake is white,
and the fierce orange-blossoms are yellow!"
O that languishing yawn!
O those eloquent eyes!
I was drunk with the dawn
Of a splendid surmise -
I was stung by a look, I was slain by a tear,
by a tempest of sighs.
Then I whispered "I see
The sweet secret thou keepest.
And the yearning for ME
That thou wistfully weepest!
And the question is ‘License or Banns?’,
though undoubtedly Banns are the cheapest."
"Be my Hero," said I,
"And let ME be Leander!"
But I lost her reply -
Something ending with "gander" -
For the omnibus rattled so loud that no
mortal could quite understand her.

Jabberwocky
‘Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wade;
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe.
"Beware the Jabberwock, my son!
The jaws that bite, the claws that catch!
Beware the Jubjub bird, and shun
The frumious Bandersnatch!"
He took his vorpal sword in hand:
Long time the manxome foe he sought —
So rested he by the Tumtum tree.
And stood awhile in thought.
And as in uffish thought he stood,
The Jabberwock, with eyes of flame,
Came wiffling through the tulgey wood,
And burbled as it came!
One, two! One, two! And through and through
The vorpal blade went snicker-snack!
He left it dead, and with its head
He went galumphing back.
"And hast thou slain the Jabberwock?
Come to my arms, my beamish boy!
O frabjous day! Callooh! Callay!"
He chortled in his joy.
‘Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe;
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe.

Lewis Carroll: Three Poems
KEMP=MAG poetry magazine
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,MODERN POETRY,*Children's Poetry,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Carroll, Lewis

Elizabeth Barrett Browning
(1806-1861)
The Cry of the Children
Do ye hear the children weeping, O my brothers,
Ere the sorrow comes with years?
They are leaning their young heads against their mothers—
And that cannot stop their tears.
The young lambs are bleating in the meadows;
The young birds are chirping in the nest;
The young fawns are playing with the shadows;
The young flowers are blowing toward the west—
But the young, young children, O my brothers,
They are weeping bitterly!—
They are weeping in the playtime of the others
In the country of the free.
Do you question the young children in the sorrow,
Why their tears are falling so?—
The old man may weep for his to-morrow
Which is lost in Long Ago—
The old tree is leafless in the forest—
The old year is ending in the frost—
The old wound, if stricken, is the sorest—
The old hope is hardest to be lost:
But the young, young children, O my brothers,
Do you ask them why they stand
Weeping sore before the bosoms of their mothers,
In our happy Fatherland?
They look up with their pale and sunken faces,
And their looks are sad to see,
For the man’s grief abhorrent, draws and presses
Down the cheeks of infancy—
"Your old earth," they say, "is very dreary;"
"Our young feet," they say, "are very weak!
Few paces have we taken, yet are weary,
Our grave-rest is very far to seek.
Ask the old why they weep, and not the children,
For the outside earth is cold,—
And we young ones stand without, in our bewildering,
And the graves are for the old.
"True," say the young children, "it may happen
That we die before our time.
Little Alice died last year—the grave is shapen
Like a snowball, in the rime.
We looked into the pit prepared to take her—
Was no room for any work in the close clay:
From the sleep wherein she lieth none will wake her
Crying, ‘Get up, little Alice! it is day.’
If you listen by that grave, in sun and shower,
With your ear down, little Alice never cries!—
Could we see her face, be sure we should not know her,
For the smile has time for growing in her eyes—
And merry go her moments, lulled and stilled in
The shroud, by the kirk-chime!
It is good when it happens," say the children,
"That we die before our time."
Alas, alas, the children! they are seeking
Death in life, as best to have!
They are binding up their hearts away from breaking,
With a cerement from the grave.
Go out, children, from the mine and from the city—
Sing out, children, as the little thrushes do—
Pluck your handfuls of the meadow-cowslips pretty—
Laugh aloud, to feel your fingers let them through!
But they answer, "Are your cowslips of the meadows
Like our weeds anear the mine?
Leave us quiet in the dark of the coal-shadows,
From your pleasures fair and fine!
"For oh," say the children, "we are weary,
And we cannot run or leap—
If we cared for any meadows, it were merely
To drop down in them and sleep.
Our knees tremble sorely in the stooping—
We fall upon our faces, trying to go;
And, underneath our heavy eyelids drooping,
The reddest flower would look as pale as snow.
For, all day, we drag our burden tiring,
Through the coal-dark, underground—
Or, all day, we drive the wheels of iron
In the factories, round and round.
"For, all day, the wheels are droning, turning,—
Their wind comes in our faces,—
Till our hearts turn,—our head, with pulses burning,
And the walls turn in their places—
Turns the sky in the high window blank and reeling—
Turns the long light that droppeth down the wall—
Turn the black flies that crawl along the ceiling—
All are turning, all the day, and we with all.—
And, all day, the iron wheels are droning;
And sometimes we could pray,
‘O ye wheels,’ (breaking out in a mad moaning)
‘Stop! be silent for to-day!’ "
Ay! be silent! Let them hear each other breathing
For a moment, mouth to mouth—
Let them touch each other’s hands, in a fresh wreathing
Of their tender human youth!
Let them feel that this cold metallic motion
Is not all the life God fashions or reveals—
Let them prove their inward souls against the notion
That they live in you, os under you, O wheels!—
Still, all day, the iron wheels go onward,
Grinding life down from its mark;
And the children’s souls, which God is calling sunward,
Spin on blindly in the dark.
Now, tell the poor young children, O my brothers,
To look up to Him and pray—
So the blessed One, who blesseth all the others,
Will bless them another day.
They answer, "Who is God that He should hear us,
White the rushing of the iron wheels is stirred?
When we sob aloud, the human creatures near us
Pass by, hearing not, or answer not a word!
And we hear not (for the wheels in their resounding)
Strangers speaking at the door:
Is it likely God, with angels singing round Him,
Hears our weeping any more?
"Two words, indeed, of praying we remember,
And at midnight’s hour of harm,—
‘Our Father,’ looking upward in the chamber,
We say softly for a charm.
We know no other words except ‘Our Father,’
And we think that, in some pause of angels’ song,
God may pluck them with the silence sweet to gather,
And hold both within His right hand which is strong.
‘Our Father!’ If He heard us, He would surely
(For they call Him good and mild)
Answer, smiling down the steep world very purely,
‘Come and rest with me, my child.’
"But no!" say the children, weeping faster,
"He is speechless as a stone;
And they tell us, of His image is the master
Who commands us to work on.
Go to!" say the children,—"Up in Heaven,
Dark, wheel-like, turning clouds are all we find.
Do not mock us; grief has made us unbelieving—
We look up for God, but tears have made us blind."
Do you hear the children weeping and disproving,
O my brothers, what ye preach?
For God’s possible is taught by His world’s loving—
And the children doubt of each.
And well may the children weep before you;
They are weary ere they run;
They have never seen the sunshine, nor the glory
Which is brighter than the sun:
They know the grief of man, but not the wisdom;
They sink in man’s despair, without its calm—
Are slaves, without the liberty in Christdom,—
Are martyrs, by the pang without the palm,—
Are worn, as if with age, yet unretrievingly
No dear remembrance keep,—
Are orphans of the earthly love and heavenly:
Let them weep! let them weep!
They look up, with their pale and sunken faces,
And their look is dread to see,
For they mind you of their angels in their places,
With eyes meant for Deity;—
"How long," they say, "how long, O cruel nation,
Will you stand, to move the world, on a child’s heart,
Stifle down with a mailed heel its palpitation,
And tread onward to your throne amid the mart?
Our blood splashes upward, O our tyrants,
And your purple shows your path;
But the child’s sob curseth deeper in the silence
Than the strong man in his wrath!"
Poem of the week
May 24, 2009

KEMP=MAG POETRY MAGAZINE
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POEM OF THE WEEK,Archive 2009,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Barrett Browning, Elizabeth
.jpg)
![]()
Herman Gorter
Mei, een gedicht
Boek II (deel 3)
En aan het maal zaten de goden aan,
Jonge en oude goden. Mei zag z’aan,
En zocht naar Balder, maar hij was er niet.
De tafel leek de hemel als men ziet
Den melkweg; als dat schittren was het bonzen
Van een nieuw wijnvat in de zaal gerold.
Hier brak er een gelach los en dat hold’
Uitgelaten de tafel rond, dan schudden
De hoofde, dan weer stiller — als een kudde
Van schapen graast, wordt dat geluid gehoord.
De schittering van ‘t gebekerte omboord
Met wijn, de bekers in de blanke handen,
Als fijngestreelde bloemen, rijen tanden
Tusschen volle lachende lippen, met
Haar, wange’ en oogen met een glans gebet.
Het maal ging voort, de herten en wijnvaten
Werden geopend, wijn en bloed gelaten
In glas en schotels, tafels stroomde’ er van.
Wijn gorgeld’ in de roe,mers en één kan
Brak en de wijn brak ut als uit een bom.
Allen schreeuwden stampend er rondom.
En langzaam aan begon ‘t gezwaai van rompen
En ‘t wankelen der hoofden, schepen dompen
Zoo in de golven als de storm begint,
En morrend brommen als wanneer de wind
Door ‘t leege touwwerk raast der visschersvloot,
Die op de ankers rijdt in watersnood.
En zoo terwijl rondom een fel licht scheen,
Glorie van licht, waarin het maal beneen
Een zee geleek in ‘t woelen, waar de zon
Op brandt en flikkert, water gromt, begon
Mei en ze boog zich tot den ouden man,
Die luisterde, stil voor zich zined: ”Wodan,
Waar is de schoonste god, o waar is Balder?”
Zoo valt een boom om, zoo als van zijn schouder
Zijn hoofd voorover viel, zijn oog werd dof
Terwijl dat viel, zijn handen met een plof
Vervielen van de tafel op zijn knieëeen.
Hij werd veel ouder en zij zag bezijen
Zijn hoofd vergrijzen en zijn huid werd geel.
Ademloos en grootoogig zag ze, heel
Zijn oude lijf rillen en beven, wolken
Over hem gaan; gekreun zoals het bulken,
Runderebulken, hoorde ze in hem.
Boven en rondom ving orkanestem
Het klagen aan, de lucht werd zwart, en hagel
Begon op tafel klettering, gewaggel
Greep tonnen en okshoofden aan, de zaal
Werd lag door dampen en door wolkgedaal.
Stommer werden de goden, een voor een,
En stijf van schrik, ze bleven nog bijeen
Zitten zooals ze waren, wijl rondom
Als wolvehuilen windeloeien klom.
En midden in dat stommelen rees toen Wodan,
Een oud man met een grijs gebeente: ”goden,
Zoo sprak hij, heden is al vreugd vervloekt,
Het is mijn zoon, ‘t is Balder, dien zij zoekt.”
En alle goden bogen zich ter neer,
Steunden de hoofden op de armen, meer
Hoorde niemand dan doffer rouwgeklaag.
En als een herder stond Wodan, en laag
Was ook zijn hoofd gebogen, ‘t was als zong
Hij vóór: een treurlied — ‘t gonsde op zijn tong
En de godessen hoorden in ‘t verblijf,
Spelend en spinnend, en ze zaten stijf
Luistrend als zomerbloemengroepen eerst:
Hieven zich langzaam op en vingen teerst
Gefluister aan, staande dicht bij elkander,
En namen haar gewaden en toen zonder
Geraas of lachen, in een blanke rij
Als reizende zwanen gingen ze voorbij
Haar hooge deuren en door de portalen.
Ruischende als de sneeuw kwamen ze dalen
De drempels af, de hooge ramen in
En hoorden Balders naam, en leed en min
Deden ze weenen waar haar groepen stonden
Onder donkeren boomen, waar ze vonden
Opene vloerren, knielden ze wel neer.
En ‘t vrouwejamm’ren ruischte er zacht en teer
In ‘t mannemomplen, zoo als waterwel
Ruischt in de herfstbosschen, droevig en schel.
Een was er droef en stil en dat was Mei,
Zij kon niet weenen, in zich voelde zij
Leegte en eenzaamheid — wnt heen was hoop
Die daar had zitten spelen — en ‘t was verloop
Van koud bloed maakte nu haar lichaam kil.
En zij zat stil en voelde alleen geril
Over haar rug, toen de Asinnevlucht
Vloog in de zaal met duivekengerucht.
Herinn’ring kwam haar aan Idoena’s naam
En zoekend keek ze rond waar ze te saam
Hurkten als duiven op den duiveslag.
Er zou wel iets van zijnen zonnedag
Glanzen nog in heur haar en van zijn kussen
haar bloed nog blaken. Maar ze was niet tusschen
De anderen, omdat ze bleef te bed
Waar jonge Balder vroeger kwam en met
Haar sliep, en droome’ als opgebloei van rozen
Sproten en stilden haar liefs minnekozen.
En toen terwijl rondom de bodem dreunde
En buiten onweer, en de goden kreunden
En mompelden, ontbloeide dit gesprek:
Mei’s woorden wat den lentevogelbek
Ontwelt; maar Wodan’s, wie terwijl de boomen
En blaan doen sidderen, de windestroomen.
En telkens bij zijn naam dan werd geslagen
De lucht van schrik en konden zich niet schragen
Noch zuil, noch god, noch rots, noch boomehagen.
”Balder, Balder, waar is hij, wie bergt hem?”
”Van hier verdwenen,” gromde Alvader’s stem.
”Weet niemand waar hij is, komt hij niet weer?”
”Niemand weet dat, hij komt hier nimmermeer.”
”Was hij hier jong en blijde en danste en zong?”
”Zijn stem klinkt, schaduw danst nog waar hij sprong.”
”Was ‘t heele huis niet licht als Balder kwam?”
”Wee mij, wee mij, wien hij het licht meenam.”
”Lachten de goden dan, bloosden godinnen?”
”Met hem trad zaligheid de zalen binnen.”
”Was hij de blankste en de blinkendste?”
”Zijn oog het lichtst, zijn stem het klinkendste.”
”Balder, een hemelster, een dagebloem.”
”Balder, een woudvogel, Walhalla’s roem.”
”Balder, van springfontein, een waterval.”
”Balder, een zonneberg, een bloemedal.”
”Balder, Balder, waar is hij, wie weet hem?”
”Noemand meer weer hem,” gromde Alvaders stem.
”Idoena, minde zij dan Balder niet?”
”En nog, terwijl zij ook dit wee geniet.”
”Hoe wachtte zij hem, wer de avond geel?”
”Op rozebed, onder vioolprieel.”
”Hoe kwam hij dan in haren arm, vermoeid?”
”Zóó niet, maar straalgekroond en lichtgeschoeid.”
”Hij had om zich glorie en geuredamp.”
”Elk zijner handen was een lichte lamp.”
”Balder, zijn leliehuid had oliegeur.”
”Balder, zijn prachtig bloed had purperkleur.”
”Balder, zijn lijf zoo als een koningstroon.”
”Balder, een koningskind, een Wodanszoon.”
”Balder, Balder, waar is hij, wie weet hem?”
”Wij weten niet,” gromde der goden stem.
En aldoor was de zaal vol gewoest gewuif
Van windbewogen nevels en gestuif
Van bladeren. Het water buiten botste
Tegen de fondamenten, en er klotsten
Brokken van golven voor de ramen op.
Zoo loeit de stoomketel na nieuwen schop
Van steenkool en zijn vlam en water razen,
Zooals de wond daar rondging en de wazen
Van dampen voortdreef, nieuwe achter hem.
En Wodan stond daarin en hield zijn stem
Van nu af stil, en ook de goden zwegen
Als mannen om hun koning neergenegen.
En toen zei zij: ”nu mannen luistert nu,
Ik zelve zag hem: breng een tijding u.”
Die zon kwam schijnen in den droeven tuin:
In stilte klom de nevel in de kruin
Der boomen, onder werd het klaar en klaarder.
‘s Avonds na stortregens wordt zoo de gaard’ er
Lichter en lichtst van en vol diamanten
Van zonschijn en van regendroppels, kanten
Van spinneweb, bedruppeld en bekleurd
Weven de stuiken, elke bloesem geurt.
En nogmaals zei ze: ”mannen, luistert nu,
Ik zelve zag hem, breng een tijding u.”
En weder klonk dat helder uit en stilde
Als milde olie golvemomp’len, rilde
Nog voort en uit en om en vloog toen ook
Idoena’s kamer in, en toen zij rook
En proefde stille effenende troost,
Verrees z’ en dronk hem in en even poosd’
In voorgevoelen, wat dat voelen meen’ –
En murmelde en liep zoo murm’lend heen.
En binnen kwam ze en ze zag ze staan,
De goden en godinnen, wijl Wodan
Alleen stond ernstig — door elkander stonden
Ze daar en blonken en hun open monden
Spraken, dat zag ze en blozende hoofden
Geleken bloemen en oogen beloofden
Vreugde door schittering, en groote handen
Gingen de lucht door, vroolijk, en de randen
Satijn en zij streelden de vloer in slepen.
Zij zagen haar en gingen als de schepen
Ter zij, bij vlootrevue, maar één bleef staan
Heel diep en aan het eind der lichte laan.
En zij, Idoena, wankelde door het midden
Naar Mei en trad dicht aan, en om haar midden
Legde ze zacht een arm en vleide het hoofd
Aan schouder en langs boezem: vol geschoofd
Staan zoo twee bundels aren op den akker.
En uit haar oogen waakte een geflakker
Van blikken en haar hand begon te streelen
De haren achter Mei en zacht te kweelen
Leken ze iets, verstaan kon niemand dat.
En de andre hand had als een grooten schat
De hand van Mei in zich en greep en knelde
En kuste ze optillend en ze telde
De vingers een voor een met haren mond.
Balder, Balder, ruischte het en ze wond
De armen om haar, of ze Balder was.
En zoo beweegt in wind het lange gras,
Zoo als wind de takken aangrijpt, schald’ er
Hooger en hooger rondom uit den drom,
Balder, Balder, en armen sloegen om.
”Hij leeft, zei ze, hij leeft, want ik zag hem.
Hij leeft en zingt, ik hoorde zijne stem.
O goden, hij zong mij een droomelied,
Een godendroomenlied, ik voelde niet
Mij zelve meer, hem, hem, een tweede hem.
Ik snelde mee en week mee met zijn stem
In blinkende oneindigheid, als in
Koelende meeren, ik was zonder zin,
Muziek alleen, niets van mijn dierbaar zijn
Voelde ik meer, verloren, maar gekwijn,
Gesmelt in tonen, ‘k zelf een lang accoord.
Ik hoor hem zoo altijd en heb behoord
Hem na dien tijd en nu altijd, voor goed.
Hij zweeg en is verwenen en mijn bloed
Stroomt ook weer langzamer, maar diep daarin
Vaart altijd nog het schip herinnering.
Hij zong van u Idoena, ‘k heb gezocht
Uw huis, of hij daarin verwijlen mocht.”
En rondom hingen blijde aangezichten
Als appels en de godenoogen lichtten
En glansden, zijl ze allen naar Mei zagen.
Idoena lachte en lachend liet zich dragen
Door even groote Mei die haar omving.
Ze kuste haar en nogmaals en ze hing
Om haar zooals de blauwe bloemerank,
Clematisbloem haar kelk hangt aan de slanke
Aanzwelling van een vaas. Daar was heel lang
Alles heel stil terwijl een ieder drang
Van vreugde in zich voelde en begeerde
Luide klanken en lied’ren: onbeheerde
Zuchten soms vloden uit benauwde keel.
Eindelijk hoorden zij een zacht gestreel
Van vingers langs harpsnaren, want één god
Was stillekens heengegaan en had het slot
Van Balders zale opgebroken en
Zijn cither zich gehaald: te murmelen
Begon dat achter de vergadering –
En allen schemerden van glimlaching.
Hij speelde een lied uit: niemand zag om,
Maar allen voor zich neer, en hielden krom
Het hoofd gebogen, tinteling van klank
Sprenkelde op hen neer, als drupjes drank.
Maar Wodan stond recht op, bewoog het haar
Heene en weer boven de godenschaar.
Toen dat lied uit was spraken allen samen
Zich naar elkander buigend, zoo beramen
De vogels in den herfst hun langen tocht.
En allen lachten en Idoena zocht
Met stil verlangen al de hooge deur,
Of ze niet open ging en haren heer
Doorliet, zoo blank weerkerend van de reis.
Nu leefde hij, kwam weer, zoo zong een wijs
Haar minziek zingend hart, en zij zag rood
Boven haar hals en kwijnend droomend bood
Ze hare lippen al in leege lucht.
En om haar fladderde de witte vlucht
Asinnen al met Mei en vroeg haar hoe
Het lied van Balder was, maar zij hield toe
Haar mond en sprak niet veel, maar keek zltijd
Idoena aan met liefde en met nijd.
Een dans. De heele menigt’ danste voort
Van ‘t eind der zaal. Rondom werden verstoord
Van uit verblijven blond gelokte vrouwen.
Lachende kwamen ze, wèl opgevouwen
In haar gewaden, zoo zijn edelsteenen
Flikkerend in satijn, zooals zij schenen
Met voet en boezem uit heur waden uit.
Vooraan den stoet Idoena, Balder’s bruid,
Zij tripte het marmer met haar warme voeten.
Dan dansten allen: en de heele stoeten
Kwamen vooruit, gehande armen dreven
Naar voren en de golven lokken bleven
Meegaan van achter op de lucht. Een enk’le
Wendde het hoofd en lachtem en het tink’len
Klonk als een Roomsche altaarschel. Daarna
Kwamen de rijen goden, een hoera
Weerklonk dreunend: dat schreeuwde groote Thor;
Daarachter and’re goden grijs en schor.
Wodan bleef eenzaam, droef en hopeloos.
Toen hij alleen was, stond hij nog een poos
En zette zich toen neer, zeer zwaar en droef.
En stilte en peinzen maakten toen een groef
Rondom hem donker, waarin hij neerzat.
De zaal werd donker en de gansche schat
Van ‘t maal werd donker, donker werd het brein
Van Wodan, daar blonk nog zijn oogenschijn.
Hij zonk in peinzen en twee zwarte raven,
Als doodgravers die ‘t koude lijk begraven,
Vlogen zacht aan en zetten zich voor hem –
Lang nog luisterde hij naar raad en stem.
Mei was daar nog en zat een einde ver
In ‘t duister en ze blonk er als een ster,
Aandachtig kijkend naar den ouden god.
Buiten danste de menigte en tot
Haar kwam gelach en voetgeschuif en drok
Gepraat flauw hoorbaar, en hoog in den nok
Der zaal hing nevel, gonsde nog wat wind.
En bang en banger werd ze als een kind
Dat voor een oud man wordt, met haar alleen.
En uit haar angst stond ze toen op en heen
Vluchtte ze zonder omzien en ging ver,
Dwalend door ‘t donker als een lichte ster.
En ze werd eenzaam en ze vluchtte verder,
Een schaap gelijkend dat den boozen herder
Ontkomt en nu alleen graast en weer kan
Een kant opgaan naar eigen wil. Moe vna
Anderer blijdschap was ze en eigen leed.
En langzaam liep ze, zag niet, en ze beet
De tanden op elkaar, want er is nijd
In ieders droevig hart bij vroolijkheid.
Ook stond ze nog eens stil, daar achter was
Het blank paleis, het glinsterde van glas
In koepels en in torens, daar was nu
Weer binnen ‘t licht van vreugde aan, schaduw
Alleen had zij: ”O Balder, ìk min meest
Uw jonge rijke jeugd”, dat was haar geest
Een troost, en plots’ling sloeg hoog op in haar
Een golf van trots, ze schudd’ het volle haar,
Zooals een vroolijk paard de staart, en liep
Sneller en sneller als een paard. — Daar diep
En breed en hoog was weer de blauwe rijkheid
Van zon- en etherbrand, die zijn gelijkheid
Niet heeft, maar zelf zich brandt en nooit verslindt.
Het vuur vecht daar met vuur, géén overwint.
En toen ze ver was in die vlakte, stond ze
Een lange wijl weer en nadenkend vond ze
Een groote blijdschap in zich, want ze dacht
Nu zekerder dat hare lange wacht
Niet lang meer duren kon — zij zou nu komen
Dicht bij zijn woning, zouden dan haar loome
Lippen om liefde vragen, o één kus.
Ze drong dicht bij hem, voelde droomgesus
Als wiegde hij haar heene en weer weder.
Ze liep ook heen en weer zooals een veder
Verloren op een vijver door een zwaan,
En bijna kwijnde ze en bleef weer staan.
En hij werd in haar tegenwoordigheid
Zoo duidelijk dat haar neusgaten wijd
Zich openden, alsof z’hem voor zich rook.
Toen dacht ze aan de aarde en er dook
Voor hare ooge’ een bloemschepping op,
Van violette’ en primula’s, gedrop
Viel neer van geurdoortrokken avonddauw -
Zoo rook ze hem en kwijde en viel daar flauw.
En langzaam werd ze toen henengetrokken,
Te droomen liggend, zoo als met al vlokken
Sneeuwbui de lucht doortrekt. En om haar henen
Vloten de murmelwinden, en de beenen
En armen waren diep in geur verhulde.
En heure haren over haar, ze vulden
De blanke vlakte van haar borst, bewogen
Even op wind omwarend in dien hooge.
Toen was ze werk’lijk schoon want hare ziel
Was ganschlijk in haar, geen begeerte viel
Nu meer naar buiten, o een echte bloem.
Waar drijft gij nù heen, gij Mei, die ik noem
Mijn eigendom, gij die mijn duiventil
Al lang zijt, in wie alle duiven stil
Neerzitten, mijn gedachten, of ook vliegen
Naar binne’ en buiten en zich mogen wiegen
Over u en om u, Mei, mijn lieveling.
Zij zullen u wel volgen, hun gezwing
Wordt nog niet moe, maar gaat gij niette ver?
Ik zie u haast niet meer, gij zijt een ster
Zoo hoog, het is alleen mijn zwakke oog
Dat u nog volgt, mijn lippen worden droog.
Waar drijft gij nu toch heen, mijn lieveling?
Toen ze zoo, lang gedreven had, toen ging
Ze overeind weer, zóó, zooals een duiker
Te water, in haar handen vond ze een ruiker
Van violette’ en primula’s en lachte,
Nu wist ze zeker dat ze Balder wachtte.
Ze fladderde ook voort maar droomend traag,
En dacht aan hem en aan de eerste vraag
Die ze hem doen zou, o maar éénen kus.
Toen voelde ze zijn lippen en ‘t geblusch
Zacht sissen op haar mond, en in haar vingers
Zijn vingertrillingen, in blonde slingers
Der lokken zijnen aêm, en o zijn wang
Nu tegen haren en ze ging haar gang
Weer zls zoo even omgevallen verder.
Zij was zich geen gevoel bewust, toch werd er
Aldoor in haar gespeeld door veel gedachten,
Als muzikanten die hun hoorders wachten
En vast probeeren snaren van viool.
Zoo klonk het in haar, die niet hoorde — school
Haar zelf dan weg en wilde niet genieten
En hooren en de toonen zacht zien schieten
Dooreen als strengels struik met bloem begroeid?
Maar toch, terwijl gevoel met geuren stoeit
In haar, vingers van Balder, Balders geur,
Vaart ze vooruit, de voeten voor, en kleur
Waait over haar en maakt haar telkens rooder
En witter van de voeten tot haar schouder.
Zie, nu ontwaakt ze weer en gaat ze loopen
Sneller en sneller, laat de voeten doopen
In schemervuur en rook, zoo is dat blauw.
Ze is nu vroolijk, zie hoe luw en lauw
Ze uit haar oogen lacht, ze ziet hen beide,
Zich zelv’ en hem, o nu niet meer te scheiden,
Ze heeft haar beide armen om hem heen.
Een gouden woning ziet ze en zijn schreen
Komen den drempel over, en zij ligt
Over een leger heen en voelt het licht
Alsof de roode zon komt in de kamer.
Zie nu hoe rood haar wangen, hoe de schaam er
Binnen zijn vuur stookt. Zij verdraagt het niet
En droomt weer in. — En daar begint een lied
Weer in haar, dat ze toch niet hoort, hoewel
Ze zelf het zingt — zoo als uit diepen del,
Door loover, oever en door zon bekoord,
Een bronwel springt maar ‘t springen zelf niet hoort.
Zoo bleef ze varen vele aardsche dagen,
En zij noch ik weet, hoe noch waar, of vlagen
Van eigen willen haar voortdreven, dan
‘t Begerend trekken van een godd’lijk man.
Ik weet het niet, want al dien tijd was ik
Diep in u, Mei, u zelf, geen oogenblik
Keken wij rond, maar voelden diep in ons
Een warmte en zachtheid als vogeldons.
En toen zij ontwaakte — is ‘t niet, Mei? -
Toen was het door een koelte: mijmerij
Van nevelen was daar en het was donker
Van donzig vochte nevel, en het wonk er
Als met heel groote oogen. En ‘t was warm
Als was een vuur niet ver, er hing geen scherm
Boven haar oogen die de starren zagen –
Maar rondom waren wolken zooals hagen
Van zachte coniferen en beneden
Als kussens mos waarop de voeten treden
In ‘t bosch als ‘t lente is, dan zijn ze zachtst.
”Nog niet? was hij er nog niet?” Zoet gelachs
Kwam flauw op haren wang, het was onnoodig
Om nu nog bang te zijn, want werd niet roodig
De scheem’ring daar? O dat zou hij wel zijn.
Zij zweefde er henen, maar die roode schijn
Zweefde ook voort. Ook dat was groote vrede
Voor haar: zij gingen samen. En beneden
Veerden de nevelkussens, en van boven
Werd het ook lichter, ‘t werd een donk’re oven
Die langzaam aangloeit. Toen de waarden gedaanten
Van hooge taille en licht wit getinte
Heel, heel veel hooger, en die strooiden bladen,
Rozen ontbladerend, het waren zaden
Van licht, want waar ze daalden schoot een oogst
Van koren licht den nevel door, op ‘t hoogst
Rondom Mei’s schouderen; zij was heel blij
Dat zoo ontvangen werden zij en hij.
En langzaam weken alle nevelingen
Van nevellommer, schaduwnevelingen.
Die sloegen alle op de vlucht, rondom
Zag ze vervlieten lichte neveldrom.
En langzaam op begon muziek te tink’len
Bloempjes muziek, klokjes muziek, te kling’len
Klepeltje in klokmantel’s glazig huis.
En elke klank splinterde dan tot gruis
En klok en klepeltje, want voor één klank
Waren ze maar geboren, dood tot dank.
Toen gingen henen muziekwolken drijven,
Ze zag ze niet, maar zag ze wèl, beschrijven
Strepen en kringen en zich kalm verheffen
In lichte verte, en ze kon beseffen
Hun klankenrijkdom in hun volle kleur.
Teer rose waren ze en zonder scheur
Noch berst, maar hoog daar barstten ze in regen,
Wolkbreuk van klank, zoo klankloos opgestegen.
En regenden dan neder in gordijnen,
Loodrechte stralen, druppels die doorschijnen,
Als kralen aangerege’ aan Indisch riet –
Voor ‘t oor voorbij, voor oogen ver verschiet.
Henen vloden zware en lichte klanken.
Ze voelde in zich heen en weder wanken,
Als heel jong kind dat nog niet loopen kan,
Haar lang verlangen, en als krachtig man
Verdreef dat and’re zielsverbeeldingen.
Was hij er nog niet, dacht ze, Balder, en
Toen kon ze rondzien zonder meer te hooren.
Het leek de aarde, want er stonden koren
Van boomen rondom: lichte populieren
Zonlicht niet weigerend, maar met hun slieren
Het schuddende en trillend. En er gingen
Lichte heuvelen hoog en daarvan hingen
Bloemen in menigt’ af. En verder hooge
Wanden van hoogvlakten en daarvan bogen
Zich watervallen tot een duizelsprong.
En haar verlangen werd zóó groot, ze kon
Al deze aardsche dingen niet meer aanzien
Van tranen en van liefde, en in waanzin
Voelde ze hem in ieder ding: ze snelde
Op een boom aan, hem denkend, en ze stelde
Zich voor dien, armen open, en ze viel
Tegen dien aan en kuste en een ziel
Voelde ze in hem; in een sloot die open
Langs boomen lag, stortte ze zich, het loopen
Verrukte haar, diep in zijn worst’lend nat.
Toen werd ze op de lucht verliefd en mat
Dien met heel groote stappen en ze dronk
Hem in en at en streelde hem, gelonk
Gaf ze’m met hare oogen en ze liep
Heel hard door hem, dan volde ze hem diep.
Ze liep door weiden en op heuvelen,
Ze liep op bergen en door wateren,
Ze liep een wereld af door Balders rijk,
Overal was ze en zag zijn gelijk
In alles, maar hem niet — tot dat ze kwam
In één vallei en daar hem zelf innam.
Ze nam en zwolg hem in, ìn hare oogen,
En sprong vooruit en greep hem en gedoogen
wou ze niet dat hij sprak, ze drukte hem
De lippen met de hare toe, hun stem
Werd niet gehoord, heel lang, ze zat dichtbij
Tegen hem aan en boog zich, en voorbij
Zijn borst, haar hals omhoog, stilde ze zoo
haar dorst, soms snikkend en ter nauwernoo
Ademend. Eind’lijk viel haar hoofd terzij,
En op zijn schouder brak ze in geschrei.
Hij was een man aan wonderen gewoon,
Wonderen van gevoel, en daarom kon
Hij zoo gerust blijven zooals hij zat,
Terwijl zij uitschreide. En in zich had
Hij weldra ook haar beeld, zooals ze schreide,
En werd zelf warmer en de handen beide
Sloeg hij tone om haar en hield zoo haar vast,
Dicht bij zich, weenen weinig zelf, als was ‘t
Zijn zusterke, wier weedom bij hem weende.
Toen voelde zij zijn natte tranen, leende
Het hoofd nog meer ter zij en zag weer licht
Door hare trane’ en droogde haar gezicht.
Toen zag zij zijne lippen weer, te kussen
Boog zij zich over en hij voelde tusschen
De zijne haren liefelijken adem,
Een lenteadem, en toen kwamen naar hem
Herinneringe’ en lichte lentebeelden:
Hij zelf werd als een lente en er kweelden
Vogeltjes in hem als in jongen boom.
Toen week ze weer van hem en zat in schroom
Naast hem, bedremmeld, met geloken oogen,
En toen haar handen hem verlieten, togen
Bij hem weer ìn gedachten, zooals kind’ren
In eenen boomgaard komen, ze vermind’ren
De hangend’ appels, maar er vallen veel
Meerd’re beneê, het gras ziet rood en geel.
En toen ze daar in stilte eind’lijk goot
KLeurige woorden, zelf zag ze schaamrood,
Toen was het hem alsof de zon op ééns
Na ‘t zwijgen van den nacht en het geveins
Der bleeke schmeing, uit wolkmoeras
Zich oplaat, blazend, en met zijn geblaas
Kleuren heenspreidt over de lucht, de velden,
‘t Water, ja, alle dingen ongetelde.
”Ik ben maar Mei, ik woon maar op de aarde
Het waren Zon en Maan, die mij klein baarden,
Nu ben ik groot want nu zit ik naast u.
O maak mij grooter, nòg ben ‘k klein en schuw.
O laat mij hooren hier naar uwe woorden,
Alles vergeten wat mij vroeger hoorde
Van jeugd en schoon, maar alles zien wat u
Behoort, o u een boom, in uw schaduw.
O sta nu boven mij zooals een boom
En laat mij liggen onder u, een droom
Verritselen zal ik uw bladen hooren.
O laat mij niets zijn dan ééne bekooring,
Een droom van u, o maak mij altijd vol
Van u, een vrucht die ‘t zonlicht levend zwol.
Zie, ‘k wil u geven alles wat ik heb,
Ik deed het altijd, ‘k doe het nog, ik schep
Honderde dingen uit mij, àl voor u,
Ik ben zooalas een mijn, uit mijn schaduw
Werp ik te voorschijn groote edelsteenen
En maak er bergen van, de zon kan weenen
Als hij ze ziet, zoo glinstert dat, zoo breek
Ik mij al heel lang, Balder, voor u open.
Balder, Balder, hebt gij mij zien loopen
Over de aarde nooit, hebt gij gezien
Hoe alle aardsche goden kwamen biên
Aan mij al wat ze hadden, en mijn vreugd
Om ‘t al te nemen, mij er mee verheugd
En lachend, te weerspiegelen in een plas,
Wanneer de maan scheen en het in het gras
Rondom mij neer te leggen in een keten
Van schittering en straalgebreek — o weten
Wil ik dat nu niet meer, ik heb u.
Mag ik nu ook uw kussen drinken, nu
Gij hier zoo naast mij zit, een groote bron
Van kussen en van spel voor mij, ik kon
Zoo erg verlangen naar u in een nacht
Op aard en in den hemel” — en zeer zacht
Als wilde ze in iedre kus fijn proeven
Al haar verbeeldingen, zoo lang begroeven
Zich hare lippen in de zijne, en
Ze weende weer en kon niet ophouden.
En in haar stem liet hij zich henewiegen,
Zooals een vogel in de zon, niet vliegen
Doet die ook meer, maar drijft zoo doelloos rond
En voelt de zonneschijn — en zijne mond
Kuste gemakkelijk omdat haar roode
Zangerige lippen het aldus geboden.
En toen ze daar zoo zaten als een bloem
En nog een andre, die saam aan den zoom
van ‘t bosch gegroeid zijn, zóódat ze soms raken
Elkaar wanneer de wind waait, en het blaken
Van d’een de ander voelt, de stengels streelen
En wrijven langs elkander en de geele
Bloemhoningharten zien elkaar in de oogen –
Zoo zaten ze en toen terwijl bewogen
Voor hen veel wondere verschijningen
Op maat en melodie en deiningen.
Zoo was dat land waar al dat Balder dacht,
Hij landsheer en landsgod, zich zelve bracht
Te voorschijn en ter wereld en bleef leven
Tot nieuwe onderdanen het verdreven.
Want al die dingen die Mei voor zich zag
Waren zìjn onderdanen, zìjn gezag,
‘t Waren de beelden zijns lieds geruisch op zijn rhythmiek,
Maar buiten hem de levendlichte schemer,
Schimmenafbeeldsels in een spingewemel.
Zoo zaten ze, hij stil muziek te maken,
Zij, zonder hooren, zag ze wel genaken.
Een schaar van kindren springende en blond,
Met teere witterozeschijn en rond
Van arm en beenen, oogen als op kronen
‘s Avonds kaarsvlammen zijn en op de konen
Roode vlammetjes als op vruchtevellen.
Ze breiden zich in rijen en ze stellen
Zich naast elkaar: ‘t zijn jongetjes en meisjes.
En elk zoekt toen de zijne, met zijn beidjes
Dansen ze toen: zoo zijn de duizendschoonen
Binnen het woud, waar zon schijnt, anemonen
Groeien zoo twee aan twee op zeeëgrond.
Een fee verschijnt, ze springen om haar rond
Opkijkend en ze leunen aan haar beenen,
Grijpen haar handen hoog, gaan met haar henen.
Toen wordt het schemering en avondgroen,
Doorzichtig watergroen beneê, er doen
Zich dons en dunne dauw op. Donkerder
Wordt alles en er is geen grond meer, ver
En hooger wordt de nachtehemel zichtber.
De maan komt op, de nevel wemelt, licht er
Phosphorisch mos en paddestoel, weerlicht
Het heen en weer van zomerbliksems, vliegt
Het van dwaallichtjes in de lucht, de zicht
Der maan slaat ze verblinen af het graan,
Het starkgekroonde graan, van hare baan?
De lucht is vol van leuge’ en twijfeling,
Maar langzaam donkert het, zijn halven ring
Verbergt de maan en haar twee scherpe dolken,
Donder gaat om, aandobberen de wolken.
Stil is het en de lucht is vol van zwart,
Het is vol zwoelte, leeg van licht, het hart
Van de nacht zelve klopt niet meer, is dood,
Het nacht-lijk is nog warm, het zwart is rood.
Violen bloeien uit dat zwarte op,
Twee blauwe bloemviolen, licht valt op
Hen niet, vanwaar? maar zelve hebben ze
Blauw licht in zich, en daarvan lichten ze.
Ze spinnen en vlechten zoo een groot prieel,
Een wieg van blauw gebloemte, evenveel
Aan wederzijde — en toen was het klaar
EN wachtten ze en keken naar elkaar.
Twee bleke wezens traden toen te voor,
Dicht aan elkaar gedrongen, onderdoor
De armen hadden ze elkanders armen.
De hoofden naar elkander, zoo verwarmen
Z’elkander met hun oogen, om hen heen
Is niets — zij tweeën zijn geheel alleen.
En d’eene spreekt en dit zijn hare woorden:
”Gij zijt geheel in mij en ik behoorde
U al zoo lang, ik weet niet meer wat is
Uw of mijn leven, uw gelijkenis
Ben ik, gij mijn — wordt nu een kind geboren
Uit u en mij, dat zal ons toebehooren
Gelijkelijk, omdat wij beide zijn
Elkanders liefde waard, ik uw gij mijn.”
Zoo zeggende verdwenen ze meteen,
En ‘t donker ging en de violen heen.
En donker bleef het ook om Balder heen
En Mei, in hem een zwaar gegons, er scheen
Voor haar een flikkering van d’achtergrond
Van zijn gedachten en zij waarden rond
Zelve er voor, gewikkeld in het duister.
En zich opheffend hulde z’in gefluister
Koel, maar haar lippen brandden, ook die woorden:
”Gij zijt geheel in mij en ik behoorde
Uw of mijn leven, uw gelijkenis
Ben ik, gij mijn — wordt nu een kind geboren
Uit u en mij, dat zal ons toebehooren
Gelijkelijk, omdat wij beide zijn
Elkanders liefde waard, ik uw gij mijn.”
Donder knalde en rommelde, groote spoken
Vlogen een oogenblik rond en neergedoken
Zaten ze saam, toen schrikten ze weer heen
En vloden hande’ omhoog, huilend uiteen.
Balder stond hoog, hij leek een rots, diep blauw
Was heel zijn lijf, zijn haren zwart, en grauw
Handen en voeten. En hij zeide hard
Als steenen, woorden: ”Nooit, nooit, nooit” en zwart
Trilde hij zoo als een verbrande boom.
Hij zei het nog eens: nooit, en als een doem
Viel dat van boven op de kleine Mei
Die hande’ en voeten uitgestoken, bij
Zijn voeten zat. En hij ging een eind weegs
Van haar en stond. En om zich kouds en leegs
Voelde ze, en was blind en wist niets meer,
Zooals één, doodgevroren in een sneeuwmeer.
Hij stond en voelde eerst een diepe kou
Of hij bevroor en ijs werd, en blauwgrauw
Waren zijn voete’, en handen, en een hol
Van ijs in hem, zooals een berg, een schol
Van ijs die uit de poolzee losgeraakt
Is en ‘s nachts ronddrijft, en de zee bewaakt
In stilte van de blauwe manestralen.
Hij rilde van zijn grootheid en deed dalen
Zijn trillingen als van een hooge trap,
Zijn lijf, zijn tanden beefden met geklap
Tegen elkaar, hij lachte als het water
Dat ‘s winters nog op bergen valt, het baadt er
Door ijsbrokken en korsten grimmig. Hij
lachte met klatering, maar was niet blij.
Maar stiller werd hij, want hij hoorde koren,
Koren van zegelied’ren en verloren
Klanken van solo’s, helle heldenzangen,
Hel en verrukkelijk, en op zijn wangen
Omhoog verscheen een helder rooder gloeien.
Beweegloos luistrend stond hij naar ‘t omroeien,
Vleugel en riemeslagen van muziek,
Breede slagen, zooals van den wiek
Van adelaren of als ademtochten
Van mannen breedgeschouderd, en er zochten
Ook uit zijn borst de ruimte koele zuchten:
Als loeien van een stier, groote geduchte
Geluiden en uitblazingen en woorden.
Om Mei dacht hij niet meer, maar stapte door de
Hemelen, schrijdend heen en weer, gekleed
In een sleepmantel van geluid, die breed
Achter zijn voeten aangolfde: een koning
Omschrijdend door de hallen van zijn woning.
En ook die tred werd langzamer, hij kwam
Weer waar Mei zat, en die gedachte nam
Hem ‘t kleed geluid af, dat geruischloos viel
Om zijne voeten. Over zijne ziel
Spreidden zich toen zeer zachte vleugelen.
En een gedachte kwam daar als een hen
Over een kuiken, op zijn hart en veilig
Voelde zich dat in rust, zooals in ‘t heilig
Der heiligen een ark staat zwaar en stil.
Daar traden binnen, dat de vloer geril
Van voetjes kreeg, blootvoet’ge priesteressen
Met lange fluiten, op een rij en tressen
Doorbloemde blonde welriekende lokken.
Dat was het medelij met Mei, ze trokken
Gordijnen weg en toen zag hij haar beeld
Zittende. Waar hij haar wist zitten knield’
Hij neer en werd weer als de jonge man
Als zij hem kende. Uit albasten kan,
Zijn mond, goot hij als balsem deze woorden:
”Nooit kan dit zijn, Mei, dat ‘k een ander hoore,
Ik Balder, aan een ander, zie, ‘k ben blind,
‘k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind.”
Dit zei hij en hij legde ook zijn handen
Op hare schouders; zooals in warande
Een bloem al vroeg in ‘t jaar de zon ontdooit,
Ontbloeide zij, de koude smart ontdooid’
Ook in de tranen die haar ooge’ onvloeiden;
En zij sprak zijna woorden na, die boeiden
Met nieuwen pijnen haar: ”zie ik ben blind,
‘k Zie nooit iets dan mij zelf, niet u, mijn kind.”
En toen sprak Balder deze woorden of
In leegen dom een orgel speelt en dof
Mompelt langs wanden en door de gewelven –
Maar ‘t spreken klimt tot klaatren, klanken delven
De stilte open en geheimenissen
Uit alle hoeken en de heil’gennissen.
Zoo sprak hij: ” ‘k ben als gij geweest, ik ben
Nu zoo niet meer, als niemand meer, ik ken
Nog wel mijn oude zelf, die gaat nu dood.
Te zien, te zien, dat was mijn vroeger brood
En drinken, en te hooren en te voelen
Wat rondom is, de hitte en de koele
Kleuren en ademhaling, die er gaat
Door heel de wereld en elk wezen laat
Baden door zich en van zijn binnenst maakt
En brandt een oven waar het helvuur blaakt.
Die verlangt naar voedsel, dat is ‘t wreed begeeren,
De opgesperde kaak, de hand die meer en
Meer grijpt en vingers haakt en grijpend kromt.
Die ‘t al verandert en verderft wat komt
In zijn bereik, die altijd anders wil
Wat is, die alles haat wat blank en stil
Eeuwiglijk is, die schept en baart omdat
Hij ook zichzelven haat, niet duldend dat
Hij zelf blijft leven, maar den dood begeerend.
Zoo zijn èn God èn menschen, die verweerend
In ‘t leven staan, en gruizend, en tot stof
Vallen de een na d’ander, een kerkhof
Van dood verlangen en verdord gebeente.
Zij maken nieuw geslacht, verlangend heen te
Zijn zelf, hatende zich, hatend wat is,
Willend wat wordt, in woede en droefenis.
Zoo zijn ze ook niet blij met hun gevoelen
Alleen te hebben ìn zich, maar ze koelen
Hun willenswoede en zichzelve af
Door scheppingen en bouwen zoo een graf
Voor ‘t kostbaarste wat ze een oogwenk zijn,
En uiten zich. Zoo gaf eens Wodan schijn
Aan wat hij wist en voelde, hij de weter
En voeler, d’allergrootste, en nu heet er
Een wereld naar hem, hìj is arm, en dood
Zal hij eens moeten met hen zijn wereld, nood
Voelt hij al voor hen beiden, kan niet vinden
Geluk, een doodswolf zal hen beî verslinden.
Soms komen bleeke oude herinneringen
Nog in mij op en zie ik van de tinnen
Van mijn paleis de oude godenwereld
Zoo als ze was weleer, de vlakte dwarrelt
Van godendans, ik zie hun groote beelden
Op maat van muziek, en in verhulde
Figuren ken ik nog godengedaanten.
Soms bloeien struiken om mij en ik waan te
Slapen op aarde en ik zie de vlakte
Der zee, de wolken en het licht dat brak te
Gruizen eens aan den hemel, waar nu starren
Gesponnen zijn, blinkend in ‘t blauwe garen.
Soms denk ik aan een vrouw als toen gij kwaamt
Zoo even en mij in uw armen naamt,
Kussend en willend en de smart niet dragend
Van eigen voelen, uwe liefde, vragend
Verandering en blusschen van die vlam
Die gij genoten hadt en die toch nam
De allerschoonste kleuren in uw oog.
Soms voel ik nog als gij en ik bedroog
U zóó zooeven, nu ben ik weer stil
En waar in mij, en voel wat ‘k altijd wil.
Hoor mij nu, Mei: er dwaalt in ieder leven,
In ieder lijf, een vlam, elk voelt haar beven
Wel eens of tweemaal, maar niet vele malen.
De menschen noemen ziel haar, ze verhalen
Er lange wondere verhalen van,
Weten niet veel, voeden haar niet en dan
Sterft ze vergeten en alleen gelaten.
Kinderen voelen haar wanneer ze na te
Slapen gegaan te zijn, nog lang òpwaken
Gedacht’loos starend voor zich, want genaken
Voelen ze niets, geen beeld, en ook in hen
Schijnt niets te leven of te mijmeren.
Dan voelen ze oprijzen en neerdalen
Hun leven, ademen gaan door de zalen
Huns harts en onder een hoog oppervlak
Leeft een nieuw wezen nu het oude brak.
Zoo zijn de jonkvrouwen, wanneer haar jaren
Vollere zijn en zij de lange scharen
Mannengedaanten ‘s avonds buitensluit.
Dan zit ze op een stoel, aan hare ruit,
Maar ziet niet uit, haar oogen zijn gesloten.
Zij denkt niet, levensboom is dood, maar loten
Schiet daar het dieper leven en ze voelt
Dat wuiven op windadem en windkoelt,
En huivert, draagt het niet, breekt in geschrei
Haar oogen open, dan is ‘t weer voorbij.
Mannen zijn zoo die men de dichters heet,
Een jong man zoo, die ‘t slaafsch leven vergeet
Een uur, een dag lang, en zich zelven hoort
En naar zich luistert, wat geboren wordt
Aan leven in zich en de wondre daden
Die ‘t dieper zelf bedrijft, en naar beladen
Winden met klanke’ en woorden ongehoord.
Zoo zit hij wel een uur, daardoor bekoord.
Dat leven heeft een beeld, hoor mijn geluk,
ZIe toe hoe ik den slagboom openruk,
En hoe er doordringt nu een bonte trein,
Paarden met belle’ en ruiters: schoone schijn.
Dat beeld dat is muziek, want wie kan hooren
Dien wond’ren schijn weerklinken of te voren
Breekt uìt die diepste ziel, en slaat te stuk
Een vroeger leven en zet met een ruk
Een nieuw tooneel op van het nieuwe leven:
O zonder beelden, onbegrepen, neven
Zich zonder schauw of schijn, alléén gewelde
Bobbels van lucht, zeepbellen onverzelde.
Dat is muziek, die heeft met alle dingen
Niets meer gemeen, en alle vreemde zinnen
Zijn blind voor haar, geen vormen en geen kleur
Heeft zij, zij is de lucht gelijk in heur
Afwezigheid voor ‘t oog en schijnarmoede.
Zij is de liefste, allerliefste, moeden
Die zich moe leefden aan het zien en smaken
Der volle wereld, drinken haar en raken
Haar soms met lippen, willen haar altijd –
Zij geeft van alles hun vergetelheid.
Zielsleven is muziek; dat zijn de volle
Aanzwellingen gevoel, de eeuwig gulle
Uitstroomingen van klank, de volle baden
Kokend in wentelende damp, goudzaden
Van klank, volmaakt, gerond, ronde gewelven,
Bommen van klank, en ook de zoete schelven
Waaiig van licht geluid als stapels hooi.
Sneeuwballen van muziek en uitgedooi
Van klompen ijs smeltend in eigen water,
Vogeltjes van muziek en uitgeschater
Van lachende mannen: elk een heel geheel -
Een volk van klanken waar elk heeft gekweel
Eigen aan zich, een scheepsvloot vn muziek,
elk schip heenvarend op zìjn zeilewiek,
Regen van klank verlatende de lucht,
Een zingend’ aarde met één groot gerucht.
Is zij muziek, is wel mijn eigen ziel
Iets wat ooit buiten mij, mijzelven, viel?
Dat alles is het niet, ‘t zijn woorden niet,
‘t Zijn dingen niet, ‘t zijn klanken niet, geen lied
Verbeeldt de zielsbewegingen genoeg.
Alles is beeld, is beeld van haar, en vroeg
Of laat valt het ineen in stof, zìj blijft,
Wat er ook om haar valt en hene drijft.
Wie dùs mijn ziel is, is zichzelf een God.
Ik ben mijn ziel, ik ben de een’ge God.
Er is nu niets meer dat mijn blindheid heelt,
Mijn God, mijn ziel, naast haar bestaat geen beeld.
‘k Word stil en niets bestaat meer dan mijn ziel,
Geen ding, geen woord, en niets dat mij ontviel.
Haar wil ik hebben, heb ik, en niemand
Dan zij, mag met mij wonen in dit land.
Ik wil geen toekomst, geen geheugen hebben,
Zij is altijd gelijk, zìj kent geen ebben
En vloed, zij is eeuwig, alleen, zij is,
Zij leeft door eigene ontvangenis.”
Toen stond hij op en Mei zag een blauw waas
Boven zijn hoofd, zijn aanschijn blonk, als dwaas
Stond hij, de armen uit, en scheen te drinken.
Zij wist dat hij voor haar niet was en zinken
Begon ze langzaam, sneller, en zijn stem
Bleef in haar ooren, dat was al van hem.
![]()
Herman Gorter
Mei, een gedicht – Boek II (deel 3)
(wordt vervolgd)
![]()
kemp=mag poetry magazine
Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Gorter, Herman

J a c q u e s R i g a u t
(1898-1929)
Roman d’un jeune homme pauvre
On n’a fait tant de place à l’amour que parce qu’il dépassait en utilité le reste des choses. A mesure que l’argent se fait plus nécessaire, plus exigeant, il devient plus admirable, plus aimable, comme l’amour. – On pourra soutenir le contraire avec autant de bonheur. – Je supporte plus facilement ma misère dès que je songe qu’il y a des gens qui sont riches. L’argent des autres m’aide à vivre, mais pas seulement que comme on suppose. Chaque Rolls Royce que je rencontre prolonge ma vie d’un quart d’heure. Plutôt que de saluer les corbillards, les gens feraient mieux de saluer les Rolls Royce.
Penser est une besogne de pauvres, une misérable revanche. Quand je suis seul, je ne pense pas. Je ne pense que quand on m’y force ; les contraintes, le petit examen à préparer, les exigences paternelles, ce métier qu’il va falloir subir, tout effort salarié me mènent à penser, c’est-à-dire à décider de me tuer, ce qui revient au même. Il n’y a pas 36 façons de penser ; penser, c’est considérer la mort et prendre une décision. – Autrement, je dors. Eloge du sommeil ! pas seulement le magnifique mystère de chaque nuit, mais l’imprévoyante torpeur. Mes compagnons de sommeil, c’est près de vous que j’imagine une existence satisfaisante. Nous dormirons derrière le clapotis de nos cylindres, nous dormirons les skis aux pieds, nous dormirons devant les villes fumantes, dans le sang des ports, au-dessus des déserts, nous dormirons sur les ventres de nos femmes, nous dormirons à la poursuite de la connaissance, armés de tubes de Crookes et de syllogismes, – les chercheurs de sommeil.

Quand je roule dans ma n HP, que les poètes prennent garde, qu’ils ne s’attardent pas sur les refuges des avenues, sans quoi je pourrais bien en faire quelques faits-divers ! Ce penseur dédaigne les dollars, bien sûr ! il tient dans sa main des réalités aussi immédiates, bien sûr ! En attendant, il est là, sur un trottoir, un numéro à la main, sollicitant une place dans un autobus, P. 11 et comme je passe près de lui dans ma voiture et que je souris de plaisir en l’éclaboussant, lui et quelques autres mal nourris, il murmure :
- Imbécile !
- Toi même ! je dors. Toi, dans ton bureau, tu t’irrites ou tu t’ennuies, tu penses à la mort, sale victime ! L’amour, ton intelligence ! tout de même, on se laisser aller à quelque indulgence pour ces femmes, quand on se rappelle quels rivaux elles ont donnés à leurs poètes d’amants ! Attendez un peu que je sois l’homme le plus riche du monde et vous verrez qui sera préposé aux ignobles besognes chez moi ! Taisez-vous ! Les penseurs panseront mes autos ! Riez maintenant ! Ne sentez-vous pas le mérite de mes millions ; qu’ils sont la grâce ? J’aurai enfin la première balance exacte ; je sais le prix des choses, tous les plaisirs sont tarifés. Consultez la carte. Love to be sold. Me voici assuré contre les passions ! Le consentement des gens, je m’en passe, et si les sacrifices et l’à contre-coeur le remplacent, je me frotte les mains.
Un homme qui me veut du bien, mais qui a vingt ans de plus que moi, m’offrait comme moyens d’existence, afin de ne pas m’écarter de cette vie spéculative pour quoi j’avais témoigné tant de dispositions, tu parles ! de classer des fiches dans une bibliothèque et de composer une anthologie des pensées d’un grand capitaine ou d’un monarque. D’effarement, je ne pus répondre à ce brave homme que j’espérais bien passer en Cour d’Assises avant d’en être réduit à de pareils travaux. Dieu soit loué ! il y a la Bourse, dont l’accès est libre même à nous qui ne sommes pas juifs. Il y a d’ailleurs bien d’autres façons de voler. Il est honteux de gagner de l’argent. Comment les médecins peuvent-ils ne pas rougir quand un client pose un billet sur leur table. Dès qu’un monsieur se met dans le cas d’accepter d’un autre quelque argent, il peut s’attendre à ce qu’on lui demande de baisser son pantalon. Si on ne rend pas de service bénévolement, pourquoi en rendrait-on ? Je vois bien que je volerais par délicatesse.
La petite V vient d’épouser un riche garçon ; elle l’aime. Ce n’est pas son argent qu’elle aime, elle l’aime parce qu’il est riche. La richesse est une qualité morale. Les yeux, les fourrures, la santé, les jambes, les mains, la 12 Packard, la peau, la démarche, la réputation, les perles, les parti-pris, le parfum, les dents, l’ardeur, les robes qui sortent de chez le grand couturier, les seins, la voix, l’hôtel Avenue du Bois, la fantaisie, le rang dans la société, les chevilles, les fards, la tendresse, l’adresse au tennis, le sourire, les cheveux, la soie, je ne fais pas de différence entre ces choses, et aucune d’entre elles n’est moins capable de me séduire que les autres.
On n’a jamais vécu que de possibilités et c’était tout de même autre chose que le balcon de Juliette, ce petit cube bleu qui circulait – à des épaisseurs variables – d’un joueur à l’autre sur le tapis vert de la salle de Baccara. Un gros coup. Autour de la table, les visages fonctionnaient au ralenti, les sourires se déclanchaient avec peine, puis s’immobilisaient des doigts qui tremblaient. J’ai deviné ce qu’était le respect quand j’ai vu, au petit matin, cette femme qui emportait dans son sac plusieurs années d’insolence, rencontrer sur la route, en sortant du casino, les pêcheuses de crevettes, qui revenaient de la mer, mouillées, chargées de filets, les pieds nus.
Jeune homme pauvre, médiocre, 21 ans, mains propres, épouserait femme, 24 cylindres, santé, érotomane ou parlant l’Annamite. Ec. Jacques Rigaut, 73, bld Montparnasse, Paris VIe.
Jacques Rigaut
La revue Littérature 1921

Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,EXPERIMENTAL POETRY,Rigaut, Jacques

Groninger Museum
C u b a !
Kunst en geschiedenis van 1868 tot heden
17 mei tot en met 20 september 2009
Het Groninger Museum presenteert van 17 mei tot en met 20 september 2009 een grote overzichtstentoonstelling over de ontwikkeling in de kunst en de geschiedenis van Cuba van 1868 tot heden. Er worden werken getoond van ruim honderd kunstenaars, die variëren van traditioneel tot posterkunst, installaties, video en een bijzondere selectie van fotografie, zowel documentair als artistiek.
Deze tentoonstelling vertelt het verhaal van een jong land met een eeuwenoude cultuur. Cuba is een eiland waarvan de turbulente geschiedenis doortrokken is van de belangrijkste kwesties van de twintigste eeuw, waaronder de kolonisatie, het zoeken naar een nationale identiteit, onafhankelijkheidsoorlogen en nieuwe politieke onbereikbare idealen.

De eerste Cubaanse landschapsschilderingen dateren uit het begin van de koloniale tijd. In de negentiende eeuw dienden schilderingen van het platteland ter illustratie van de ontwikkeling van de opkomende suikerindustrie. In de tweede helft van de negentiende eeuw waren er veel kunstenaars actief. Vaak vertrokken ze na het afronden van hun studie in Havana naar Europa voor vervolgopleidingen. Bekende kunstenaars waren Wilfredo Lam en Esteban Chartrand, die het schilderen van landschappen tot verdere ontwikkeling brachten.
Voorlopers van de fotojournalistiek trokken rond met een kar om beelden vast te leggen van straathoeken, het platteland en belangrijke gebeurtenissen zoals branden, openluchtmissen en landverschuivingen en brachten zo een nieuwe specialiteit: de documentairefoto. Dergelijke afdrukken werden ‘Engelse kaarten’ genoemd en in Cuba werden ze algemeen bekend als “Tarjetones”; de afdruk werd op een kaartje geplakt met op de achterkant een korte beschrijving van het beeld.
Aan het begin van Cuba’s Onafhankelijkheidsoorlog in 1895, was de fotografie al goed in de kranten vertegenwoordigd. Net als de foto’s uit de Tienjarige Oorlog waren de beelden van de oorlog van 1895 geposeerd en sereen. Het waren voornamelijk portretten van individuen of van militaire groeperingen. Belangrijke fotografen uit die tijd waren de Cubaanse broers José Manuel en José María Mora en Juan Bautista Valdés en Joaquín Blez.
De jaren zeventig uit de twintigste eeuw waren een complexe, tegenstrijdige periode. Volgens het ideologische model had kunst voornamelijk een educatieve functie en jonge kunstenaars werkten in een officiële en voorgeschreven stijl. Met gevarieerde visuele middelen werd uitdrukking gegeven aan de Cubaanse identiteit, de voortgang van avant-garde bewegingen, inheemse en Afro-Cubaanse mythen, plattelandstradities en de stroming van de pop art.

Havana is de stad met legendarische filmpaleizen. Jonge filmmakers keken naar de gevestigde kijkgewoonten van het publiek om tot een strategie te komen, met de ambitie – zowel in artistiek als maatschappelijk opzicht- om een revolutionair onderwerp te behandelen. De eerste politieke poster van de Cubaanse Revolutie werd ontworpen door grafisch ontwerper Eladio Rivadulla Martínez. Hij gebruikte als basis een foto van Fidel Castro die was genomen tijdens een interview van New York Times-journalist Herbert Matthews met de Cubaanse guerrillaleider in de bergen van de Siera Maestra, begin 1957. Dit resulteerde in Cuba in een (dringende) behoefte om door middel van posters, sociale, economische, ideologische en culturele programma’s bekend te maken. De meeste posters van hoge kwaliteit werden tussen de jaren 1965-1975 gemaakt. Deze periode wordt daarom ook gezien als de gouden eeuw van de Cubaanse posterkunst. Kunstenaars uit die tijd waren onder anderen Antonio Fernández Reboiro en Olivio Martínez.
Het Groninger Museum toont met deze unieke overzichtstentoonstelling de ontwikkeling in de kunst en geschiedenis van Cuba. De tentoonstelling Cuba! Kunst en geschiedenis van 1868 tot heden werd georganiseerd door het Museum of Fine Arts, Montreal, in samenwerking met het Museo Nacional de Bellas Artes, Havana.
Speciaal voor deze tentoonstelling verschijnt de uitgebreide, rijk geïllustreerde catalogus Cuba! Kunst en geschiedenis van 1868 tot heden, uitgegeven door Nai Publishers. Auteurs: Nathalie Bondil, Ernesto Cardet Villegas, Roberto Cobas Amate, Gerardo Mosquera, Jeff L. Rosenheim e.a.
Vormgeving: Susan Marsh. ISBN: 978-90-5662-688-4. Prijs: € 45, –
Gebonden en geïllustreerd, 424 pagina’s

KEMP=MAG poetry magazine – magazine for art & literature
Filed under: -N E W S & E V E N T S,Art & Poetry News 2009















Galerie des Morts VIII
Tumulus Préhistorique
De Rechte Heide – Goirle NL
Photos: Kempis

KEMP=MAG poetry magazine - magazine for art & literature
Filed under: EXHIBITION,Galerie des Morts
Thank you for reading KEMP=MAG - KEMPIS POETRY MAGAZINE - magazine for art & literature