• INDEX
  • ABOUT US
  • LINKS
  • AGENDA
  •        HOME  


    New

    1. Aloysius Bertrand: L’écolier de Leyde
    2. Jacques Perk: O, noodlot!
    3. Gabriele D´Annunzio: I Poeti
    4. Mark Twain: Post-Mortem Poetry
    5. Gevelgedicht van Erik van Os in Hulten NB
    6. Expositie n.a.v. De Val van Albert Camus in ZINGERpresents Amsterdam
    7. Ed Schilders Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (3)
    8. P.C. Boutens: In eenzaamheid
    9. George Eliot: Count That Day Lost
    10. A case of identity: Doris
    11. Velimir Chlebnikov: Wind is song
    12. Edith Södergran: 3 poems
    13. Gedicht Ton van Reen: Lopen
    14. Lola Ridge: Broadway
    15. William Shakespeare: Sonnet 045
    16. Dutch Landscape: Trees
    17. Marcel Proust: Antoine Watteau
    18. Anton Chekhov: The Doctor
    19. A case of identity: Alice
    20. Willem Bilderdijk: Uitboezeming
    21. Franz Kafka: Ein Brudermord
    22. Delmira Agustini: Debout Sur Mon Orgueil Je Veux Montrer Au Soir
    23. Henry Wadsworth Longfellow: Twilight
    24. Gabriele D’Annunzio: 3 Poems
    25. Ed Schilders: Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (2)
    26. Gronama gedicht: Kantoren
    27. Studium Generale UU: De biografie, een wetenschappelijk en literair genre
    28. Hans Hermans photos: Montagne
    29. Art Gallery Christian Nagel in Antwerp
    30. Mark Twain: The Danger of Lying in Bed
    31. Amy Levy: A Greek Girl
    32. Masaoka Shiki: Tanka
    33. Sappho: Sleep, darling
    34. Charles Dickens: Lucy’s Song
    35. Marina Tsvetaeva: Conversation With A Genius
    36. Virginia Woolf: The Man Who Loved His Kind
    37. Jef van Kempen: Stairs
    38. Ed Schilders: Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (1)
    39. Boeken rond het Paleis 2010 in centrum Tilburg
    40. Nachrichten aus Berlin: Reflections 3
    41. Gabriele D’Annunzio: La Pioggia nel Pineto
    42. William Shakespeare: Sonnet 044
    43. Dylan Thomas: Vision and Prayer
    44. Tropenmuseum Amsterdam: Expositie Betsabeé Romero – Cars & Traces
    45. Willem Bilderdijk: Troostzang
    46. Mikhail Yuryevich Lermontov: 3 Poems
    47. Primo Levi: The Survivor
    48. J.-K. Huysmans: 10 – Ballade chlorotique (Le Drageoir aux épices)
    49. Multatuli: Idee Nr. 16
    50. Masaoka Shiki: In the coolness

    Categories

    1. -N E W S & E V E N T S
    2. EXHIBITION
    3. FICTION & NON-FICTION
    4. KEMP = MAG POETRY LIBRARY
    5. MUSEUM OF LOST CONCEPTS
    6. MUSEUM OF NATURAL HISTORY
    7. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
    8. STORY ARCHIVE
    9. ULTIMATE LIBRARY
    10. zone

    Archives

    1. September 2010
    2. August 2010
    3. July 2010
    4. June 2010
    5. May 2010
    6. April 2010
    7. March 2010
    8. February 2010
    9. January 2010
    10. December 2009
    11. November 2009
    12. October 2009
    13. September 2009
    14. August 2009
    15. July 2009
    16. June 2009
    17. May 2009
    18. April 2009
    19. March 2009
    20. February 2009
    21. January 2009
    22. December 2008
    23. November 2008
    24. October 2008
    25. September 2008
    26. August 2008
    27. July 2008
    28. June 2008
    29. May 2008
    30. April 2008
    31. March 2008
    32. February 2008
    33. January 2008
    34. December 2007
    35. November 2007

     

    1. Subscribe to new material: RSS

    Robert Louis Stevenson poem: Tropic Rain

    Robert Louis Stevenson
    (1850-1894)


    Tropic Rain


    As the single pang of the blow, when the metal is mingled well,

    Rings and lives and resounds in all the bounds of the bell,

    So the thunder above spoke with a single tongue,

    So in the heart of the mountain the sound of it rumbled and clung.


    Sudden the thunder was drowned – quenched was the levin light -

    And the angel-spirit of rain laughed out loud in the night.

    Loud as the maddened river raves in the cloven glen,

    Angel of rain! you laughed and leaped on the roofs of men;


    And the sleepers sprang in their beds, and joyed and feared as you fell.

    You struck, and my cabin quailed; the roof of it roared like a bell.

    You spoke, and at once the mountain shouted and shook with brooks.

    You ceased, and the day returned, rosy, with virgin looks.


    And me thought that beauty and terror are only one, not two;

    And the world has room for love, and death, and thunder, and dew;

    And all the sinews of hell slumber in summer air;

    And the face of God is a rock, but the face of the rock is fair.

    Beneficent streams of tears flow at the finger of pain;

    And out of the cloud that smites, beneficent rivers of rain.


    Poem of the week - May 31, 2009


    kemp=mag poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POEM OF THE WEEK,Archive 2009,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Stevenson, Robert Louis


    K21 Düsseldorf Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen (2)

    K21 DÜSSELDORF

    Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen (2)

    Thomas Struth

    Gunter Forg

    Tony Oursler

    Gregor Schneider

    William Kentridge

     

    Katherina Fritsch

    Ron Mueck

    Magnus von Plessen

    Robert Gober

    K21 DÜSSELDORF

    Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen (2)

    photos Anton & Joseph K.

     

    KEMP=MAG poetry magazine

    magazine for art & literature

     

    Filed under: EXHIBITION,K=M Art Gallery


    Herman Gorter: Mei, een gedicht – Boek III (slot)

    Herman Gorter

    Mei, een gedicht

    Boek III (slot)

     

    Het was de nacht

    Toen alle wolken te begraven gingen.
    Ik zat waar een rivier ging en er hingen
    Treurwilgen over mij, waardoor de wind
    Zoet en zoel weende tranen als een kind.
    Het was zóó een rivier tusschen twee dijken
    Als uit de bergen springt en door de rijken
    Van Duitschland en van Holland naar zee gaat.
    Het water gonsde, als een overlaat
    ‘s Winters des nachts van water, en een tjalk
    Kwam soms den stroom af als een donk’re valk
    Op ‘t tweetal vlerken, met karmijnrood licht
    Voor op den boeg; die leek een zwart gezicht.
    Menschestemmen hoorde ik uit het luik,
    Terwijl het schip voortdreef, schuim om den buik.
    Ik voelde mij zeer droevig, want ik wist
    het droevig lot van Mei en in een mist
    Zag ik nog de vergeefsche lange tocht.
    En in de lucht klaagde het om me, ik zocht
    Naar hare stem maar hoorde die nog niet.
    Wel ‘t vochtig blazen door het jonge riet
    En kleine wilge’ en berken van den wind,
    En ‘t zoele en zoete weenen, of een kind
    Door ‘t duister liep en zonder klagen schreide.
    De takken plaste’ in ‘t water, tusschenbeide
    Slokte het water gorgelend, een visch
    Gelijkend, zwemmend in de duisternis.

     

    En toen ik toen de oogen opwaarts sloeg,
    Denkend, waar zou ze zijn? en ondervroeg
    Elk van de wolken voor de hemelen,
    –Ze leken op de groote kemelen
    Zooals ze door Sahara dravend gaan -
    Toen zag ik haar opeens tusschen hen gaan.
    Eerst als een starre met een schemerschijn
    Mind’rend rondom en toen een uit het klein
    Fladdergewiekte volk der vlinderen
    En toen als eene uit de kinderen
    Die vogels nadoen, hoenders en kalkoenen,
    Met de armen vliegende vergeefs, en toen ‘n
    Lelieëbleeke, weenend, mijne Mei.

    Haar bleek voeten trillende tot mij
    Kwam ze en zat met mij te zamen aan
    Den stroom, terwijl de boomen loofbelaan
    Ruischten en rilden als onz’ eigen harten.
    Het mijne kookte bloed, maar hare smarten
    Bevroren haar van binne, en ze zei
    Geheel en al niets en zat stil naast mij.
    In vochte regen aan dien breeden stroom
    En midden in dier droeve boomen droom.

    En bij het komen van den rooden morgen,
    Toen van het water, uit het loof, de zorgen
    Heenvloden en het zonnelicht kwam huizen
    Met vogels in de takken en het bruischen
    Van golven vroolijk werd, toen zei ze mij
    Wat ik al wist, en zei ook rij aan rij
    De Balderswoorden, godd’lijk, wonderbaar.
    Ik werd een tijd zeer stil en dacht veel, maar
    Begreep het niet, want mijne ziel kon niet
    Denken wat ze zou zijn, wanneer ze niet
    Behoefte had aan oore’ en ooge’ en wensch
    naar anders en naar meer: dat kan geen mensch.

    En warmer werd het en de schaduw kwam
    Onder de boomen waar wij waren, ‘k nam
    Haar hand. — Wij gingen langs de dikke dijken
    Waar ‘t gras langs wuift en soms bleven we kijken
    Wanneer een stoomboot ver den stroom opkwam,
    Met een sleep schepen, zooals men een ram
    Vooraan ziet gaan voor al de tamme schapen.
    Ook werd in haar weer wakker wat te slapen
    Gegaan was en ze sprong wel naar beneê
    En plukte een bloem en stond er droef tevree
    Boven te zien en hield ze aan haar borst.
    En alle bloemen wilden haren dorst
    Toen stillen, en ze trippelden, en kleurig
    Vonkte het daar en in de luchten geurig
    Ademden ze, wij gingen aldoor voort.
    En ook ter zijde af en van den boord
    Die weerzijds sluit het breed rivierig water,
    En groote velden in en wei, daar staat er
    Een hooge boom, een zilverpopulier.
    Wij zaten er en hoorden het plezier
    Der bladeren — terwijl de zon hoog klom
    En boven onze hoofde’ het loover glom.

    En koeien loeiden en de boeren kwamen
    Te melken en te maaien en de ramen
    En deuren knersten van een boerderij
    En wolken komend vulden met geglij
    Van schaduw al de velden en van licht –
    De schaduw kwam wanneer het leven zwichtt’.

    Arbeiders kwamen ook in de bouwlanden,
    En naast elkander zamelden ze de manden
    Vol van de donkre aardvrucht en de rij
    Gekromde mannen kropen zij aan zij.
    Dat alles zagen wij heel ver gebeuren
    Terwijl de zon klom en de natte kleuren
    Des ochtends drooger werden en opgloorden
    Eindlijk van goud en ook de klare woorden
    Der bladen boven wij niet meer verstonden.

    De stille morgen: òpblaften wachthonden
    Toen boeren uit het veld kwamen te schaften.
    Ze sprongen aan hun kettingen en blaften.
    En maaiers legden zich diep in het gras,
    Witte en blauwe hemden in het gras.
    De wolken zwierven henen van den hemel,
    Boven de aarde was er heet gewemel.
    De zon stond roerloos boven uit te schijnen,
    De aarde was een warme zee aan ‘t deinen.
    Ik stond toen op en liep in ‘t weiland rond
    Nu voor, dan achter haar, zooals een hond
    Nu eens ter zijde en dan voor de kudde.
    En telkens keek ik — en de bladen schudden
    Het zonlicht boven haar, zij klein en rood
    Zat stil en zag mij niet, haar oogen bloot
    Flikkerden door haar tranen kleine stralen.
    Ik liep dan voort en waar het eiland dalen
    Ging naar een sloot, sleepte ik mijne voeten.
    Er stonden bloemen die door het ontmoeten
    Met mijne voeten schommelden, ik ging
    Boven ze langzaam en mijn zwaar hoofd hing.
    Er stond een vrouw tusschen de voorste struiken
    Van een licht kreupelboschje, en de sluike
    Willegetakken stonden om haar toe.
    Ik kende haar wel, en zij mij, en toe
    Lachten we flauw elkaâr, het was die vrouw
    Die vroeger Mei ontmoet had en geen rouw
    Had willen brengen om haar blijde oogen.
    Zij hief den arm op en hield zoo lang haar hooge
    Houding, ze wees naar Mei en zeide toen:
    ”Weent zìj nu ook, in deze zonnenoen?”
    En dichter kwam ik bij haar, en zei haar
    Het lot van Mei, zij hield haar arm op waar
    Ze haar gewezen had — zoo’n pijn had ze.
    Hoorde en ademde en mompelde
    Zelf zìjnen naam toen ik gesproken had.
    En zwijgend stonden we bijeen, ze had
    Aldoor haar arm nog uit — hoog boven mij.
    Wij beiden zagen haar, ver, van ter zij,
    Onder den boom en eindlijk zeide zij:
    ”Balder en Mei, dat was een schoone droom.
    Als dat geworden was, dan konden loom
    Wij allen nederzitten en wel sterven
    Alle demonen; en wie dan beërven
    De aarde zou…maar dit is niet geweest.
    Zij zit daar weer alleen — even verweesd
    Als alle vrouwen zaten op de aarde,
    Die hem eens hoorden en in ‘t oor bewaarden
    Zijn stem — ik hoorde hem, ook ik ben bleek,
    Als water is, beneê den mist, der beek.”
    Ik rilde van een kouden lentewind,
    We stonden nog en keken naar het kind.
    Zij ging toen heen, de wilgetakken bogen
    Zich om haar, ‘t hoofd ging boven het bewogen.
    Haàr oogen gloeiden toen ik tot haar keerde
    Mijn oogen en ik zag dat zij begeerde
    Kussen en teere vingeren, zij brandde
    Den hemel met haar oogen en de landen.
    Gloeiende tranen vulden toen haar oogen
    En zij bewoog zich niet ze af te drogen.

    Later werd het en ook koeler toen,
    De wei met schaduwen en zich opdoen
    Van lichte nevel. En wij gingen heen,
    Al stil rondom wijl de zon lager scheen.
    Wij zagen toen den stroom ook weer terug,
    Waar ‘t water schitterde, waarover vlug
    De vogels trokken twee aan twee naar huis,
    Zij liep met mij, niet ver was meer de stad,
    Langzaam donkerder werd het om ons pad.
    Der boomen stammen eerst en toen het loover,
    Langer gekleurd en rood, maar ook daarover
    Sloegen de golven duister en de lucht
    Alleen bleef ademen een purpren zucht,
    En geele glorie wellen in een glans
    Den halven hemel groot, een schellepkrans,
    Daartegenover dansten als fantomen
    Roode verschijningen op hemelzoomen.

    Toen zagen wij voor ons de poort der stad
    En toren en daklijnen voor de mat-
    Goude verlichting van de breede zee
    Des hemels. Muren waren aan de twee
    Zijden der poort, waarbinnen wij nu gingen.
    En echo’s vingen daar wel aan te zingen
    Van mijner voeten klank, van hare niet.
    De avond was daarbinnen, in ‘t verschiet
    Van straat en gracht hing om het blauwe duister
    De schemering en in de huizen huist er
    De nacht al of de lampen nog niet brandden.
    De straten waren stil, maar aan haar wanden
    Waar glazen waren, zat een enkle vrouw,
    Een oude hier, een jonge daar, in schauw
    Der kamer naar de lichtre straat te zien.
    Eens hoorden ik en zij het melodieën
    Achter uit huis van snaren van een veel,
    Eens uit een tuin het heldere gekweel
    Van lijstervink, die zat gekooid gevangen.
    En zwarte menschen liepen met verlangen
    Naar huis als moede beesten en de linden
    Stonden aan grachten droomerig, gezwinde
    Rillingen voeren soms door boomkruinen,
    Wanneer een lichte wind kwam tuimelen.

    Mijn huis was op den stadsmuur opgebouwd,
    Ik deed het open en wat binnen rouwde,
    De duisternis, werd licht toen zij intrad.
    Het was zooals juweel uit een kroonschat
    Die uitbeleend wordt in een donkre wijk
    En in het huis ligt van een Jood en rijk
    Dat duister maakt met gloed en flikkering.
    Zoo was zij daar, de kamerzoldering
    Schemerde en de donkre hoeken grijnsden.
    Hoog was die kamer in het huis, er deinsden
    Boomen beneden aan de lage straat.
    Het raam was open en zij had ‘t gelaat
    Naar buiten waar de zwarte daken waren
    Als doodskisten gezet op hooge baren
    Voor de begrafenis in zwarten grond.
    Een enkel lichtje brandde in het rond
    En schimmen sprongen langs verlichte ramen.
    Een toren stond niet ver af met de namen
    Der twalef uren op de wijzerplaat
    Flauw zichtbaar, en beneden in de straat
    Hoorde ze mannen spreken met elkander.
    Een flauwe reukbeladen wind, als brandd’ er
    Heel ver af wierook ergens in een schaal,
    Gestold uit bloemenat en dauw, woei vaal
    Voorbij en bij ons in, en de rivier
    Gonsde en ronkte niet ver als een dier.
    Ik hoord’ en zag het ook wel, duizelde
    Mijn hart niet zoo in mij en suizelden
    Mijn ooren niet en sloten mijne oogen
    Niet bijna toe. Ik dacht niet, er bewogen
    Nieuwe zinnen in mij, terwijl ik zat
    Ver in het duister en mijn handen nat
    Waren van angst om haar gestalte, daar
    Ze stond zooals ik voor het eerst zag waar
    De wilgen blauw waren voorbij den stroom. -
    Toen zagen wij te zamen uit, een droom
    Leek ‘t zwarte stadje daar voor ons te droomen
    Met al zijn lichten uit, een man wien loome
    leden geleiden naar zijn leger, dan
    Droomen bezoeken, een dof droomend man.
    En ook ik legde mij toen neer te slapen
    Maar sliep niet, en zag haar, en dikke schapen
    Van wolken langs den hemel door het raam,
    –En haar zag ik — en zij liepen te zaam
    Omhoog, ik zag ze een voor een verdwijnen.
    De maan scheen, maar ik zag haar niet, wel ‘t schijnen
    Der sterren en toen ook hun tragen gang
    Over het huis heen, moeielijk — en bang
    Bleef ik van hart, zij doodstil aan het venster.
    Alles was donker en de stilte wenscht’ er
    Klanken en woordgeraas, en aamde zwaar
    Van haar naar mij, van mij tot haar, een schaar
    Van lange zuchte’ in hangende gewaden.
    terwijl de stilte peinsde om te raden
    Geluid dat komen zou, terwijl ze ried
    En peinsde nog en luisterde, een lied
    Speelde daar al en floot een nachtegaal.
    Het werd geboren uit de stilte, taal
    Van stilte zelf, alsof het zwijgen sprak,
    Onmerkbaar overgaand in spraak die brak.

    Haar bracht te zwijgen ander klokkespel,
    gezongen van den toren, door één schel
    En toen nog vele andre van metaal.
    Een boom van klokken en een kort verhaal
    Van de oude toren, met zijn jonge stem.
    En Mei keek naar hem op en hoorde hem.
    Toen kwam ze binnen en sloot toe het raam
    En lichtte door de kamer, handen saam
    Hield ze, en liep een tijd lang heen en weder.
    En stond toen stil en zat en legde neder
    Zichzelve naast me, naar me toe gewend.
    En haar nabijzijn maakte als een tent
    Over mij heen van veiligheid en schemer.
    Voor mij zag ik twee vlammen en gewemer
    Voelde ik om mij van dier vlammen licht.
    haar oogen blonken, van haar aangezicht
    Woeien naar mij, op mij, haar ademen
    Met breede armen en omvademen
    Kwamen zij mij mijn wangen en mijn hoofd.
    En voller kwamen ze en loeide’ en loofde’
    Hun koelte en laafden mij, en een diep water
    Maakten ze dompelend, als stroomen water,
    Gesmolten en gezwollen door een lent’,
    Die hare winden naar de bergen zendt.
    Daarin verzonk ik en mijn lijf verdronk
    In ademen van slaap en ooggelonk.
    En zij lag heel stil, als soldaat op wacht,
    De voorste voorpost, luis’rend in den nacht
    Of hij den vijand hoort, hij denkt aan huis,
    Aan veel wat ver is, hoort toch elk gedruisch
    Met erg en argwaan breken door den nacht.
    Eerst vlogen wel langs ‘t raam op veereschacht,
    Eén veer droeg hen gemakkelijk, lichtelven,
    En stonden toen er voor en in zich zelve
    Peinsden ze lang en praatten niets, één zei
    Toen eind’lijk iets, ze lachten toen voorbij.

    Wel kwam een jonkvrouw aan: dat was haar zuster,
    En keek op haar, bij ‘t raam staand’ en ze kust’er
    aar vingers voor, hoewel ze d’oogen wischte -
    Juni, een lichter licht rondom haar mistte. -

    Maar onderwijl sloeg binnen haar een trom
    Een doodsroffel — zoo gaan soldaten om
    Voor ‘t laatst met dooden makker eer hij ligt
    Onder de aard’, verborgen voor het licht.
    Ze voelde het begin van kouden dood
    In zich en ‘t was of stierven in haar schoot
    De kinderen van wenschen en verlangen.
    Ze lag naar boven en ze liet de lange
    Lokken ter neer vallen ter legersteê.
    Haar boezem ging met adem, adem, mee,
    Haar bloote, bleeke voeten blonken in
    De schaduw heel ver weg en om haar kin
    Lichtte een blauwe ademing van vlam,
    Haar handen lagen naast elkander, klam
    En fijn gevingerd op ‘t geweven kleed.
    En aldoor was ‘t of binnen haar omschreed,
    Zooals een wind die omgaat ‘s avonds laat,
    Zooals een kind dat ‘t oude huis rondgaat
    Voor hij ‘t verlaat en nog wat speelgoed ziet,
    En er mee staan blijft: ‘t is zoo groot verdriet.

    En ‘t werd in haar zooals een woud in winter
    In vreeselijken winter, als de wind er
    Vergeefs blaast en de stijve stamme’ en takken
    Zich harden ruw en op de open vakken
    Bevroren gras, als steen staan en de maan
    Zijn straal als ijs stort in de boomenpaan.

    Zij huiverde en deed mij zoo ontwaken:
    Zij leek een bloem, die onder het sneeuwlaken
    Kou lijdt, niet slapen kan van kou en sneeuw.
    Of als een vogel, sneeuwwitte zeemeeuw
    Met roode pooten — ‘k leunde op mijn arm
    En ademde op haar en weder warm
    Werd ze als immer, zij een bloedebloem –
    En toen maakte ik mijn adem tot den roem
    Van adem, golfjes klank, veeren van klank,
    En zong een liedj’ en zweeg, ze zei haar dank
    Nog niet, want òp zat ze en zag mij aan
    En zei als wou ze in haar stem vergaan:
    ”Gij zijt als hij, als hij, in uwe stem.”
    En toen kuste ze mij, maar kuste hem
    Op mìjnen mond, en toen op mijne oogen,
    Maar hare oogen waarden in den hooge.

    Toen werd het weder morgen en het pruilen
    Der schemering begoon en toen het huilen
    Van grijze tranen licht, en ongedegen
    Zilveren druppe’, een parelmoeren regen.
    En eindelijk daar waren àl de stralen
    Der zon, die ‘s morgens wonderen verhalen,
    Splinternieuwe en van fijn goud zijn.
    En wij herleefden in der kleuren schijn
    En stonden en wij zagen weer elkaar,
    Zij mij, ik haar in ‘t goud van ‘t hangend haar.

    Toen zei ze vele zoete woordekens,
    Een vogel ‘s morgens, ‘k had maar énen wensch,
    Dat zij daar blijven kon met haren mond
    Waarom zich ‘t ranken van bloemwoorden wond.
    En onderwijl stonden wij uit te zien
    Naar ‘t gouden blauw en naar het vlugge vliên
    Der stralen op en over blauwe daken.
    De lucht werd door het licht verguld, te blaken
    Stond op den kerktoren de gulde haan,
    En hier en daar fladderde een windvaan
    Nog wispelturig op onstagen wind.
    Heel ver weg vloog en blonk het stroomelint
    Wimpelend door de weiden, waar de ossen
    Rustig in stonden en de wilgen losse
    Takken bewogen en de blaân als vlaggen.
    Klare meerplassen lagen er te lachen
    En schaterden van zon, de overstrooming
    Had ze daar nagelaten en de koning
    Der zomerzon ze nog niet opgedroogd.
    Het stadje lag met wallen opgehoogd,
    Daar vlogen onze blikken in als duiven
    Na het omvliegen in hun til, en wuiven,
    Wuivelen zagen wij de buitenblaân
    Der boomen, binnen groen licht, onderaan
    Een enk’le stam de grijz’ en geele steenen,
    En in de gracht een trekschuit schuivend henen,
    Toen vroeg ze mij te zien der menschen stad,
    Wat die voor werke’ en wezens in zich had.

    Daar was een klein plein aan de watergracht
    En boombeplant, vol schaduw en aandacht
    Van dunne gouden zonnestralen, die
    Door olmebladen kwamen met gespie
    Nieuwsgierig, waar de hoenderen in blonken
    Goudbruin op zwarte aard, de haan te pronken
    Zijn dos opschudde en zijn rooden kam.
    Een geele wipbrug lag daar en er kwam
    Een trekschuit doorglijden vuurrood van kiel.
    Het water rimpelde, de vuurkleur viel
    Bibb’rend tot aan den oever in ‘t gekabbel:
    Tegen de schoeiing klonk het nat gebabbel.
    Nog was het stil, wij zaten toe te zien
    Bij een straathoek: er kwamen meerdre liên,
    Een vrouw naar buiten, strooiende geel graan,
    De hoenders kakelden en vlogen aan
    En aten gulzig — en toen ging er open
    Een deur en kwam een jongen uitgeloopen.
    Stil werd het toen een poos, het zonlicht klom,
    Over de gevels schijnend hel en stom.

    Een werkplaats lag er aan dat kleine plein,
    De dag was aangegroeid in zonneschijn –
    Die was vol koelte en van donker hout
    Bevloerd en ook gezolderd en zeer oud
    Leken de ramen, waar looflicht door scheen
    Door de olmen buiten, en daar kwamen heen
    Oude en grijze mannen om te werken.
    Er lagen houtstapels: de eikesterken
    En ‘t spleet’ge vurenhout van uit het noorden.
    De werklui namen het en zonder woorden
    Schaafden en klopten ze met timmering,
    Bedrijving in de groene schemering.

    En nog een andre was er aan dien kant,
    Ook donker: en er voor lag het vol want
    En touwwerk en scheepstuig, de houten blokken
    En ankerkettingen en rondgetrokken
    Gestapeld henneptouw, er binnen zaten
    De oude zeilmakers, hun gelaten
    Dicht op de naald, in ‘t wit, voor hen het zeil.
    Wij stonden er en keken toe een wijl.

    Wij gingen verder terwijl heel de stad
    Onder de zon kwam en er als een bad
    Zonlicht in omviel, dat de trappengevels
    Van rooded steenen droogden en de nevels
    Van glans die ‘s morgens vroeg overal is
    Dampten: het overschot nachtdroefenis.

    En door de straten zagen wij naar buiten
    En door de poorten, die zooals de ruiten
    Zijn in het huis: daar vloog de buitenwind,
    Laaide het vlammend licht en staarden blind
    De plassen zich, de sloten, de rivier.
    Daar kwam een groote wagen: het trekdier
    Stapte en trok, verstoppende de poort.
    Hier een troep schapen, en ze liepen voort
    Dat vachten wolzij schommelden, een ruiter,
    Een boer te paard kwam aandraven, het tuitt’ er
    Van flikkering en jongens schreeuwden dol
    En vochten op hun klompe’, een kroeg liep vol.

    De buurten in die aan den stadswal zijn,
    De daken waren laag, de deuren klein,
    Gras in de straten, mannen niet tehuis.
    Alleen de vrouwen, luist’rend naar ‘t geruisch
    In ‘t huis van vliegevleugels, naar ‘t gestap
    Van voeten op de straat, en naar ‘t geklap
    Der buredeuren. ‘t Sling’ren van een pomp
    Hoorden wij wel en zagen soms den romp
    Van een oud vrouwtje, die het natte linnen
    Te droogen legde op de heg, en binnen
    In huis schreide soms een zuigeling. –
    Lang zaten wij daar op den breeden ring,
    Den stadsmuur, waar de kamperfoelie klom
    Omhoog met wingerden, klawieren krom
    Kropen de muur over, de gracht benee
    Was als een schor nat, van de Zeeuwsche zee.

    En daar ook deed ze mij verscheide vragen,
    Vragen hoog klimmende in fijne wagen
    Van hare stem als tegen heuvels op:
    We spraken lang, terwijl we van den top
    Der kerketoren telkens de uren hoorden.
    Nooit waren tonen zoet als die ik hoorde
    Suizelen van haar mond, de lucht inklimmen:
    Voor mìj omneveling van alle kimmen
    Met tranendampen, en een wereldgroot
    Gevoel in mij. Ze sprak me van haar dood.

    Wij keerden ook weer in de stad terug -
    De zon week uit de straten al terug
    En was veel lager aan de Westerkant.
    De straten waren stil en aan den band
    Der effen grachten lagen stil de schuiten.
    De steenen werden paarser om de ruiten
    Die zelf ook blauw besloegen, het gordijn
    Ging hooger in de ramen van ‘t kozijn.
    Toen werd het zonlicht west’lijk weggedragen
    Zooals een Oostersch heer, die op zijn wagen
    Lang omgereden heeft door zijne stad,
    En nu ‘t paleis genaakt. ‘t Gelaat is mat
    En lichtgeel en lichtgoud onder den waaier.
    Zoo ging de groote zon heen met gelaaier
    Van licht rondom zich, in een palankijn
    Van gloed karmijn, fluweel zoo rood als wijn.

    En groepen vrouwen kwamen op de straat
    Bijeen, die troosten ‘t leven met gepraat,
    Haar moeilijk leve’, en grijsaards die het laat
    Leven het meest genoten zaten stil
    Dicht onder huis op stoep, door hunnen bril
    Rustig de mensche’ en dingen aan te zien.
    Een steiger stond nog voor een huis, van dien
    Kwamen de mets’laars klimmen in een rij.
    Een jong man met blond haar was ook daarbij,
    Die bleef nog staan heel boven op den steiger,
    Zooals men ziet in ‘t woud den blauwen reiger
    In ‘t topje van den boom staan — hij keek rond
    Naar den roodgeeln en zwarten dagavond
    En lachte in den avond, en een lied
    Neuriënd dalend, wist hij ‘t zelve niet.

    De nacht kwam weer, schoon lampen nog niet brandden.
    De straten werden stil, maar aan de wanden
    Waar glazen waren, bleef een enkle vrouw -
    Een oude hier, een jonge daar, in schauw
    Der donkre kamer naar de straat te zien.
    Eens hoorden ik en zij het melodieën
    Achter het huis van snaren van een veel,
    Eens uit een gang het heldere gekweel
    Van lijstervink, die zat gekooid gevangen.
    En zwarte mannen kwamen met verlangen
    Naar huis als moede beesten en de linden
    Stonden aan grachten zwaar van slaap, gezwinde
    Rillingen voeren over het grachtwater,
    Wanneer de wind zich neerlag op het water.

    Toen dan de nacht er was, de zwartgehande,
    De zwartgeborene die tot een schande
    Der aarde is, beklommen wij het huis.
    En in dien nacht zaten wij samen thuis
    En sliepen niet en droomden niet, de zangen
    Van slaap en dood die zongen we, die wangen
    Verbleeken en benauwen in de keel.
    hartstochtelijke stem. Voor mij, bleekgeel
    Zat Mei weer en haar mond stond altijd open
    En liet de klanken door, die als bij hoopen
    Mannen en vrouwen bij begrafenis
    Uitliepen, op een dag van droefenis.
    Zoo zong ze soms alleen en soms wij samen
    Als sombere bedroefde koren, namen
    Van vele dingen die ze had aanschouwd.
    beefden nu weer van hare tong, berouwd
    Door klaaglijk lied, eentonig lang getreur,
    Heel soms een blijde noot, wanneer ze heur
    Oogen deed lichten, en haar hoofd een baken
    Gelijk werd, en haar armen vooruit staken.
    Maar dan zonk ze terug in droefenis,
    Met hare armen en de duisternis
    Die trilt voor de oogen en als blindheid is.
    Wij hoorden buiten niets, zooals een graf
    Was mijne kamer, dat ligt heel ver af
    Van aller menschen schreden in den schoot
    Der warme woestenij, en ‘s avonds rood
    En ‘s morgens rood schouwen er over heen -
    Zoo schouwden ook de oogen van ons tweeën.
    En zoo kwam eindelijk de laatste dag,
    Brandstapel van een dag, het fel gelach
    Der vlammen om het arme brandend hout.
    Toen het nog schemerde en ‘t om ons koud
    Van morgenlicht werd, kwam ze dichter bij me,
    En knielde aan mijn knieën en ze lei me
    Het hoofd zoo zwaar van haar daar neer en toen,
    Terwijl mijn hand op hare lokken was, een zoen
    Kuste ik op het blonde haar, bleef zij
    Zwijgen aldoor en eerst zonder geschrei,
    Zooals een kind, maar ‘k voelde adem schokken
    En branden uit haar mond. En toen als vlokken
    Van sneeuw zoo langzaam, dreven groote tranen
    Haar wangen af, — En zooals ‘s avonds ‘t tanen
    Van ‘t zonlicht is, zoo zag ik nu uit haar
    Veel licht verscheiden — zij, als een altaar
    Waar ‘t vuur maar flauw brandt in den donkren nacht,
    Bleef over, maar waar één vonk gloeit en wacht.

    En toen zij opstond, stond ik ook naast haar -
    Nog fonkelde zij voor mij van heur haar
    En van haar oogen — lei ze nog haar hoofd
    Dicht aan het mijne en ik zag gedoofd
    Worden haar oogen weder door haar tranen,
    En de armen om mij, zooals van de mane
    De armen zijn, zoo fijn en ook zoo licht.
    Zoo bracht ze ook haar droeve aangezicht
    Dicht aan het mijne en bleef heel lang staan,
    D’oogen in mijne, mijn hart ging vergaan.
    Toen ging ze heen, terwijl haar mond niet sprak,
    Achterwaarts heen, ik zag haar in het vak
    Der deur staan, met de ooge’ aldoor op mij.
    Toen ging ze heen en was ik zonder Mei.

    En toen ze kwam in ‘t licht en dronken buiten,
    Bedronken door den nacht, en dat te muiten
    Des morgens slaat uit duister en zich kiest
    Een opperhoofd: de zon, en zich verliest
    Voor hem en voor zijn glans, waarin het valt
    En sterft en opgaat na den doodstweespalt
    Met duisternis, die òòk sneeft: Daar bleef hij
    Met al zijn schijn alleen en trotsch en blij.

    En droevig eenzaam kwam zij in dien dag.
    De boomen maakten in hun loof gewag
    Van morgenwinden en de jonge vogels
    Zaten er op de wallen of als kogels
    Vlogen ze van een tak boven den muur.
    De klokken sloegen een vroeg morgenuur,
    En droomerig en droevig gleed ze voort,
    De poorte uit, een dijk langs en het boord
    Des grooten strooms die met zijn water vocht.
    Ze dacht aan mij en hoe ik wezen mocht
    Nu zonder haar en of ik eene lief
    Spoedig zou vinden, die ik even lief
    Zou hebben als ik haar wel had gehad.
    Toen dacht ze aan den dood en keek naar wat
    Dood in het gras kon zijn, maar dat was niet
    De dood noch droefheid. Want het leven schiet
    In lente ied’re bloem en ieder kruid
    Vol krach en glans, en recht de aarde uit. -
    En zoo werd droevig hare laatste dag.

    Maar zon, haar vader, ving toen met een lach
    Een nieuwer glanzen aan en toen terstond
    Wikkelde hij het louterst licht daar rond,
    Dat zamelend wat anders van zijn kussen
    Het beste van de aarde ten deel valt, tusschen
    De bergen reinen meren, berg van sneeuw
    Ons onbereikbaar, en in ééne eeuw
    Misschien het aanzicht van een enkel mensch.
    Dat zag ze, en ze voelde in zich wensch
    En toen ook werk’lijkheid van zoo te zijn,
    Zoo koel als ‘t goud, zoo koel als ‘t kind dat klein
    Nog is en tusschen vreugd en droefheid leeft.
    Zoo werd ze en de rijke zon omweefd’
    Eén sluier na de andre om haar oogen.
    Eén horizon verdween na de ander, hooge
    Blauwende hemel en van zeer nabij
    Had boom en loover een verguld kleedij.
    Alles was ééne kleur, alles gelijk,
    Zij zelve voelde in zich even rijk
    Als wie voor goed alleen is en niets kan
    Nu meer verliezen of verkwisten dan
    Alleen zìjn leven en zijn eigen zelf.
    En in dat godsgeschenk, dat goudgewelf
    Liep ze al voort en voort, het schoof met haar,
    Zij zelf het goudst daarin, het gouden haar
    Een korenschoof rondom haar waar de aren
    Uit neerhangen en zich de schoof omscharen.
    Toen kwam ze — o ik weet wel waar het was,
    Het was in ‘t jongste ongereptste gras
    Tusschen vier eiken die hun roode blaan,
    Nog rood hadden van ‘t lentebloed, te schaân
    Door niets, maar wel door ‘t morgenlicht te kussen,
    En dan aan ‘t trillen en elkaar te sussen.
    En vol van haren gloed werd die kapel,
    De onderzij der bladen glommen schel,
    Blauw was de hemel tusschen ‘t groene loof,
    Het roerloos loof, de wind was stil en doof.

    Dat was der aarde heiligst heiligdom,
    Zij stond er: alles recht en niets meer krom,
    haar hals niet en haar knie niet, zonder zorgen.
    Zoo stond zij op dien laatsten dag, dien morgen
    Het schoonst, het guldenst wat op aarde is.
    Zij dacht no veel, maar tot bekentenis
    Kwam niets meer in haar kalmte: één gevoel
    Hield ‘t roode bloed en ‘t blanke lichaam koel.

    Zóó als op zomermorgen binnenzeilen
    De groote zee een schip komt, zwaar met zeilen,
    Maar licht zich heffend op der golven vloed,
    Het hoofd in ‘t reine, in het schuim de voet,
    Zooals de bark die zomermorgens komt,
    Zichtbaar uit duisternis, van nacht ontmomd,
    Zichzelve sieren met de gouden wimpels,
    De zonnestralen aan den mast en rimpels
    Ook wimpelend van goud voor om den boeg -

    Zóó als een bloem van zomerrood, papaver,
    Rustig vol staat, midden in gedaver
    Van zonnevuur dat valt den grond in stuk
    En smoort en schroeit het gras: maar zijn geluk
    Blijft even groot: hij laat zijn roode vaan
    Wapp’ren op wind of in de zon stilstaan -
    Zóó stond ze in het grootst en stilst genot,
    Het onbegrepen’, in den gloed van God
    Den Vader, en hield recht het hoofd omhoog,
    Haar armen stil, terwijl niets òverwoog.
    En teer begon het hoofd over te neigen
    Toen ‘t volste uur gevuld was, en te zijgen
    De wimpers droom’rig neer, heel langzaam aan.
    En teeder bleeker werd ze, af en aan
    Voer bleek en rood op hare moede handen.
    Nevel van goud week uit, uitzettend wanden
    En walleschansen licht en medenemend
    Al wat niet gansch’lijk rein was en heenzwemend
    Met levend’ elven dat het heiligdom
    Alleen voor haar zou blijven, als een kom,
    Een klare vijver waar heel niets in drijve
    Dan ééne zwaan en die nog roerloos blijve.

    En rondom werd het schaduwlooze gras
    Besprenkt met vonken als een waterplas,
    Zooals de groote meeren van de zee
    Wanneer de zon staat in de middagstee.

    Zóó als een zonverlichte groote toren
    Dien blok op blokken metselsteenen schoren,
    Omhoog is ‘t fijn graniet en schijnt de zon,
    De avond komt en van den horizon
    Komen de stralen, hij wordt donker ouder
    En van zijn voeten tot den hoogen schouder
    Is hij vol schaduwen en ouderdom -

    Zóó als een eik die op de bergen krom
    Boog van de vlammen waar hij zich verbrandt,
    Bliksemgetroffen, ‘t kleinste takje brandt:
    Een huis van vuur geleek hij op de hoogte.
    Een donkre regen viel en doofde, boog te
    Vallen den zwartenden verkoolden stam,
    Op enk’le rakken danst nog weinig vlam -

    Zóó als die bloem van zomerrood, papaver,
    Rimpelt zijn rood, verwelkend, en zijn staaf er
    Zijn teeren stengel langzaam buigt omlaag -
    Zoo boog ook Mei langzaam haar hoofd omlaag
    En bleek en bleeker werden hare wangen,
    En flauw en flauwere werd ook het verlangen
    Dat in de oogen brandt der sterveling.
    Al verder en al verder week de kring,
    De wollige band van vuur, zooals de ruiters
    Die uitrijden uiteen en op de muiters
    Een aanval doen: ze maken ‘t heel ver stil.

    En in zich voelde zij het laatste: wil
    Den allerlaatsten wil der stervenden,
    Den wil tot doodzijn die het zwervende
    Menschengeslacht doet stilstaan en hen drijft
    Van zelve naar den grond waar ‘t lichaam blijft.
    Ze duizelde en in die duizeling
    Werd ze zoo licht, een veer die uit den zwing
    Der duive valt: ze daalde en viel niet:
    Zoo valt een riethalm over in den vliet.

    Zóó als een kind dat in het leven was,
    Zóó a;s een bloem van zomerrood in ‘t gras,
    Roode papaver die nu neder ligt,
    Zoo lag ze en der zonne laatste licht
    Scheen op haar, maakte haar een weinig rood
    En goud voor ‘t laatst — en ging toen met haar dood.

    De maan kwam toen ze daar gestorven was
    En kwam over de aarde, uit het gras
    Nam ze en beurde het doodkoel lichaam.
    Wat was er over van haar warmen naam?
    En zoo met blauw licht om zich, en gelaat
    Van droefheid grauw en met een grauw gewaad
    Van rouw en droefheid achter zich, ging zij
    Hoog over de velden en kwam zoo tot mij.
    Ik zag haar toen ze stond buiten de stad,
    Het kind in hare armen, en ik zat
    Niet meer, maar ging tot haar, en ging mee, neven
    Haar, zóó hoog dat ik ‘t kind zag, opgeheven.
    En toen wij kwamen bij den grooten stroom
    Daalde ik weer, zij legde aan den zoom
    Het bleeke kind en wijl ik weende, weende
    Mijn oogen en mijn hoofd stuk, ging ze en scheen de
    Wereld vol van licht van uit den hemel neer.
    Ik wist wat ik zou doen en haar begeer,
    En in een boot ging ik den stroom toen af,
    In gonzend water door laag land — daar gaf
    Hij ‘t water in de zee, daar steeg ik uit.
    En langs het strand ging ik met haar, geluid
    Maakten wij niet, maar werden toch gehoord.
    Want uit het land kwamen de elven voort
    En uit de lucht de hemelnevelingen,
    En uit de zee tritonen en te zingen
    Begonnen zij dicht achter mij gezang.
    En toen de twalef uren die al lang
    Wachtten op haar en op hun droeven plicht:
    Ze hadden eene baar en het gezicht
    Omhoog, droegen ze haar al ver en verder.
    En ik vooraan, ik, die haar goede herder
    Geweest was en er achter altijd meer:
    Ze kwamen uit de duinen keer op keer
    Glijden en dalen en uit alle golven
    Staken er Tritons en het lijf bedolven
    Zongen en zongen ze het lijkmisbaar.
    Totdat we kwamen aan de zeezoom, waar
    Zij ‘t eerst geland was, daar hielden wij stil.
    De duinen werden vol en het geril
    Van ‘t eeuwig brandend water stond vol ook,
    Lichte gestalten, als verlichte rook
    Zweefden er boven ons ook vele om.
    Toen speelden eerst de gnomen op hun trom
    En toen de elven op hunne cymbalen,
    Toen Tritons, toen wij alle saam, verhalen,
    Lange verhalen zang en droefenis.
    Toen werden de uren van hun taak gewis
    En zetten haar daar neer en lieten mij
    Met haar alleen en gingen in een rij,
    En zagen met de andren samen toe.
    Ik groef een graf waar golven komen toe-
    Dekken het zand en legde haar daar neer,
    Daarover zand: de golven komen weer
    En dalen weer met lachen of geschrei -
    Daar ligt bedolven mijne kleine Mei.

    1886-1889

    Herman Gorter

    Mei, een gedicht – Boek III

    (slot)

     

    kemp=mag poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Gorter, Herman


    Demonstration Deutsche Gewerkschaftsbund in Berlin

    - Demonstration Deutsche Gewerkschaftsbund -

     

     

     

     

     Nachrichten aus Berlin

    Unser Korrespondent Anton K.  berichtet

    Demonstration Deutsche Gewerkschaftsbund

     Am 16 Mai 2009 gab es eine große demonstration organisiert vom Deutsche Gewerkschaftsbund unter dem Thema "Die Kriese bekämpfen. Sozialpakket fur Europa. Die Verursacher müssen zahlen.. " Von Treffpunkte Breidscheidplatz und Hauptbahnhof zogen etwa 100.000 Teilnehmer durch Berlin zu der Hauptkundgebung zwischen S-Bahnhof Tiergarten und Sieggessäule. Redner waren unter anderen Michael Sommer, Vorsitzender des DGB und John Monks (Generalsekretär des Europäischen Gewerkschaftsbundes).

     

    KEMP=MAG poetry magazine – magazine for art & literature

    museum of public protest

    Filed under: MUSEUM OF PUBLIC PROTEST,EXHIBITION,Nachrichten aus Berlin


    William Butler Yeats: May God be praised for woman

    W i l l i a m   B u t l e r   Y e a t s

    (1865-1939)

    May God be praised for woman

    T h r e e   P o e m s


    Politics

    How can I, that girl standing there,
    My attention fix
    On Roman or on Russian
    Or on Spanish politics?
    Yet here’s a travelled man that knows
    What he talks about,
    And there’s a politician
    That has read and thought,
    And maybe what they say is true
    Of war and war’s alarms,
    But O that I were young again
    And held her in my arms!


    To A Young Girl

    My dear, my dear, I know
    More than another
    What makes your heart beat so;
    Not even your own mother
    Can know it as I know,
    Who broke my heart for her
    When the wild thought,
    That she denies
    And has forgot,
    Set all her blood astir
    And glittered in her eyes.


    On Woman

    May God be praised for woman
    That gives up all her mind,
    A man may find in no man
    A friendship of her kind
    That covers all he has brought
    As with her flesh and bone,
    Nor quarrels with a thought
    Because it is not her own.
    Though pedantry denies,
    It’s plain the Bible means
    That Solomon grew wise
    While talking with his queens.
    Yet never could, although
    They say he counted grass,
    Count all the praises due
    When Sheba was his lass,
    When she the iron wrought, or
    When from the smithy fire
    It shuddered in the water:
    Harshness of their desire
    That made them stretch and yawn,
    pleasure that comes with sleep,
    Shudder that made them one.
    What else He give or keep
    God grant me — no, not here,
    For I am not so bold
    To hope a thing so dear
    Now I am growing old,
    But when, if the tale’s true,
    The Pestle of the moon
    That pounds up all anew
    Brings me to birth again –
    To find what once I had
    And know what once I have known,
    Until I am driven mad,
    Sleep driven from my bed.
    By tenderness and care.
    pity, an aching head,
    Gnashing of teeth, despair;
    And all because of some one
    perverse creature of chance,
    And live like Solomon
    That Sheba led a dance.

    KEMP=MAG POETRY MAGAZINE

    MAGAZINE FOR ART & LITERATURE

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Yeats, William Butler


    Hans Hermans Natuurdagboek: William Blake’s Songs of Innocence & Experience

    W i l l i a m   B l a k e

    (1757-1827)

    Seven poems from:  Songs of Innocence

    & Songs of Experience


     

    Introduction


    Hear the voice of the Bard,

    Who present, past, and future, sees;

    Whose ears have heard

    The Holy Word

    That walked among the ancient trees;


    Calling the lapsed soul,

    And weeping in the evening dew;

    That might control

    The starry pole,

    And fallen, fallen light renew!


    ‘O Earth, O Earth, return!

    Arise from out the dewy grass!

    Night is worn,

    And the morn

    Rises from the slumbrous mass.


    ‘Turn away no more;

    Why wilt thou turn away?

    The starry floor,

    The watery shore,

    Is given thee till the break of day.’
     

     

    The Blossom


    Merry, merry sparrow!

    Under leaves so green

    A happy blossom

    Sees you, swift as arrow,

    Seek your cradle narrow,

    Near my bosom.

    Pretty, pretty robin!

    Under leaves so green

    A happy blossom

    Hears you sobbing, sobbing,

    Pretty, pretty robin,

    Near my bosom.



    Spring


    Sound the flute!

    Now it’s mute!

    Birds delight,

    Day and night,

    Nightingale,

    In the dale,

    Lark in sky, -

    Merrily,

    Merrily, merrily to welcome in the year.


    Little boy,

    Full of joy;

    Little girl,

    Sweet and small;

    Cock does crow,

    So do you;

    Merry voice,

    Infant noise;

    Merrily, merrily to welcome in the year.


    Little lamb,

    Here I am;

    Come and lick

    My white neck;

    Let me pull

    Your soft wool;

    Let me kiss

    Your soft face;

    Merrily, merrily we welcome in the year.

     


    Ah, Sunflower

     

    Ah, sunflower, weary of time,

    Who countest the steps of the sun;

    Seeking after that sweet golden clime

    Where the traveller’s journey is done;

     

    Where the Youth pined away with desire,

    And the pale virgin shrouded in snow,

    Arise from their graves, and aspire

    Where my Sunflower wishes to go!

     


    The Lily

     

    The modest Rose puts forth a thorn,

    The humble sheep a threat’ning horn:

    While the Lily white shall in love delight,

    Nor a thorn nor a threat stain her beauty bright. 

     

    Laughing Song


    When the green woods laugh with the voice of joy,

    And the dimpling stream runs laughing by;

    When the air does laugh with our merry wit,

    And the green hill laughs with the noise of it;


    When the meadows laugh with lively green,

    And the grasshopper laughs in the merry scene;

    When Mary and Susan and Emily

    With their sweet round mouths sing ‘Ha ha he!’


    When the painted birds laugh in the shade,

    Where our table with cherries and nuts is spread:

    Come live, and be merry, and join with me,

    To sing the sweet chorus of ‘Ha ha he!’ 


     

    The Echoing Green


    The sun does arise,

    And make happy the skies;

    The merry bells ring

    To welcome the Spring;

    The skylark and thrush,

    The birds of the bush,

    Sing louder around

    To the bells’ cheerful sound;

    While our sports shall be seen

    On the echoing green.


    Old John, with white hair,

    Does laugh away care,

    Sitting under the oak,

    Among the old folk.

    They laugh at our play,

    And soon they all say,

    ‘Such, such were the joys

    When we all–girls and boys -

    In our youth-time were seen

    On the echoing green.’


    Till the little ones, weary,

    No more can be merry:

    The sun does descend,

    And our sports have an end.

    Round the laps of their mothers

    Many sisters and brothers,

    Like birds in their nest,

    Are ready for rest,

    And sport no more seen

    On the darkening green.

     

    Hans Hermans Natuurdagboek- May 2009

    Poems: Williem Blake – Photos: Hans Hermans


    © hans hermans

    KEMP=MAG poetry magazine – magazine for art & literature

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Blake, William,EXHIBITION,Hans Hermans Photos,MUSEUM OF NATURAL HISTORY


    Lewis Carroll: Three Poems

    L e w i s   C a r r o l l

    (1832-1898)

    Size and Tears

    When on the sandy shore I sit,
    Beside the salt sea-wave,
    And fall into a weeping fit
    Because I dare not shave -
    A little whisper at my ear
    Enquires the reason of my fear.

    I answer "If that ruffian Jones
    Should recognise me here,
    He’d bellow out my name in tones
    Offensive to the ear:
    He chaffs me so on being stout
    (A thing that always puts me out)."

    Ah me! I see him on the cliff!
    Farewell, farewell to hope,
    If he should look this way, and if
    He’s got his telescope!
    To whatsoever place I flee,
    My odious rival follows me!

    For every night, and everywhere,
    I meet him out at dinner;
    And when I’ve found some charming fair,
    And vowed to die or win her,
    The wretch (he’s thin and I am stout)
    Is sure to come and cut me out!

    The girls (just like them!) all agree
    To praise J. Jones, Esquire:
    I ask them what on earth they see
    About him to admire?
    They cry "He is so sleek and slim,
    It’s quite a treat to look at him!"

    They vanish in tobacco smoke,
    Those visionary maids -
    I feel a sharp and sudden poke
    Between the shoulder-blades -
    "Why, Brown, my boy! Your growing stout!"
    (I told you he would find me out!)

    "My growth is not YOUR business, Sir!"
    "No more it is, my boy!
    But if it’s YOURS, as I infer,
    Why, Brown, I give you joy!
    A man, whose business prospers so,
    Is just the sort of man to know!

    "It’s hardly safe, though, talking here -
    I’d best get out of reach:
    For such a weight as yours, I fear,
    Must shortly sink the beach!" -
    Insult me thus because I’m stout!
    I vow I’ll go and call him out!

     


    Atlanta in Camden-Town

    AY, ’twas here, on this spot,
    In that summer of yore,
    Atalanta did not
    Vote my presence a bore,
    Nor reply to my tenderest talk "She had
    heard all that nonsense before."

    She’d the brooch I had bought
    And the necklace and sash on,
    And her heart, as I thought,
    Was alive to my passion;
    And she’d done up her hair in the style that
    the Empress had brought into fashion.

    I had been to the play
    With my pearl of a Peri -
    But, for all I could say,
    She declared she was weary,
    That "the place was so crowded and hot, and
    she couldn’t abide that Dundreary."

    Then I thought "Lucky boy!
    ‘Tis for YOU that she whimpers!"
    And I noted with joy
    Those sensational simpers:
    And I said "This is scrumptious!" – a
    phrase I had learned from the Devonshire shrimpers.

    And I vowed "’Twill be said
    I’m a fortunate fellow,
    When the breakfast is spread,
    When the topers are mellow,
    When the foam of the bride-cake is white,
    and the fierce orange-blossoms are yellow!"

    O that languishing yawn!
    O those eloquent eyes!
    I was drunk with the dawn
    Of a splendid surmise -
    I was stung by a look, I was slain by a tear,
    by a tempest of sighs.

    Then I whispered "I see
    The sweet secret thou keepest.
    And the yearning for ME
    That thou wistfully weepest!
    And the question is ‘License or Banns?’,
    though undoubtedly Banns are the cheapest."

    "Be my Hero," said I,
    "And let ME be Leander!"
    But I lost her reply -
    Something ending with "gander" -
    For the omnibus rattled so loud that no
    mortal could quite understand her.


     

    Jabberwocky

    ‘Twas brillig, and the slithy toves
        Did gyre and gimble in the wade;
    All mimsy were the borogoves,
        And the mome raths outgrabe.

    "Beware the Jabberwock, my son!
        The jaws that bite, the claws that catch!
    Beware the Jubjub bird, and shun
        The frumious Bandersnatch!"

    He took his vorpal sword in hand:
        Long time the manxome foe he sought —
    So rested he by the Tumtum tree.
        And stood awhile in thought.

    And as in uffish thought he stood,
        The Jabberwock, with eyes of flame,
    Came wiffling through the tulgey wood,
        And burbled as it came!

    One, two! One, two! And through and through
        The vorpal blade went snicker-snack!
    He left it dead, and with its head
        He went galumphing back.

    "And hast thou slain the Jabberwock?
        Come to my arms, my beamish boy!
    O frabjous day! Callooh! Callay!"
        He chortled in his joy.

    ‘Twas brillig, and the slithy toves
        Did gyre and gimble in the wabe;
    All mimsy were the borogoves,
        And the mome raths outgrabe.


    Lewis Carroll: Three Poems

    KEMP=MAG poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,MODERN POETRY,*Children's Poetry,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Carroll, Lewis


    Elizabeth Barrett Browning poem: The Cry of the Children

    Elizabeth Barrett Browning
    (1806-1861)


    The Cry of the Children

    Do ye hear the children weeping, O my brothers,
    Ere the sorrow comes with years?
    They are leaning their young heads against their mothers—
    And that cannot stop their tears.
    The young lambs are bleating in the meadows;
    The young birds are chirping in the nest;
    The young fawns are playing with the shadows;
    The young flowers are blowing toward the west—
    But the young, young children, O my brothers,
    They are weeping bitterly!—
    They are weeping in the playtime of the others
    In the country of the free.

    Do you question the young children in the sorrow,
    Why their tears are falling so?—
    The old man may weep for his to-morrow
    Which is lost in Long Ago—
    The old tree is leafless in the forest—
    The old year is ending in the frost—
    The old wound, if stricken, is the sorest—
    The old hope is hardest to be lost:
    But the young, young children, O my brothers,
    Do you ask them why they stand
    Weeping sore before the bosoms of their mothers,
    In our happy Fatherland?

    They look up with their pale and sunken faces,
    And their looks are sad to see,
    For the man’s grief abhorrent, draws and presses
    Down the cheeks of infancy—
    "Your old earth," they say, "is very dreary;"
    "Our young feet," they say, "are very weak!
    Few paces have we taken, yet are weary,
    Our grave-rest is very far to seek.
    Ask the old why they weep, and not the children,
    For the outside earth is cold,—
    And we young ones stand without, in our bewildering,
    And the graves are for the old.

    "True," say the young children, "it may happen
    That we die before our time.
    Little Alice died last year—the grave is shapen
    Like a snowball, in the rime.
    We looked into the pit prepared to take her—
    Was no room for any work in the close clay:
    From the sleep wherein she lieth none will wake her
    Crying, ‘Get up, little Alice! it is day.’
    If you listen by that grave, in sun and shower,
    With your ear down, little Alice never cries!—
    Could we see her face, be sure we should not know her,
    For the smile has time for growing in her eyes—
    And merry go her moments, lulled and stilled in
    The shroud, by the kirk-chime!
    It is good when it happens," say the children,
    "That we die before our time."

    Alas, alas, the children! they are seeking
    Death in life, as best to have!
    They are binding up their hearts away from breaking,
    With a cerement from the grave.
    Go out, children, from the mine and from the city—
    Sing out, children, as the little thrushes do—
    Pluck your handfuls of the meadow-cowslips pretty—
    Laugh aloud, to feel your fingers let them through!
    But they answer, "Are your cowslips of the meadows
    Like our weeds anear the mine?
    Leave us quiet in the dark of the coal-shadows,
    From your pleasures fair and fine!

    "For oh," say the children, "we are weary,
    And we cannot run or leap—
    If we cared for any meadows, it were merely
    To drop down in them and sleep.
    Our knees tremble sorely in the stooping—
    We fall upon our faces, trying to go;
    And, underneath our heavy eyelids drooping,
    The reddest flower would look as pale as snow.
    For, all day, we drag our burden tiring,
    Through the coal-dark, underground—
    Or, all day, we drive the wheels of iron
    In the factories, round and round.

    "For, all day, the wheels are droning, turning,—
    Their wind comes in our faces,—
    Till our hearts turn,—our head, with pulses burning,
    And the walls turn in their places—
    Turns the sky in the high window blank and reeling—
    Turns the long light that droppeth down the wall—
    Turn the black flies that crawl along the ceiling—
    All are turning, all the day, and we with all.—
    And, all day, the iron wheels are droning;
    And sometimes we could pray,
    ‘O ye wheels,’ (breaking out in a mad moaning)
    ‘Stop! be silent for to-day!’ "

    Ay! be silent! Let them hear each other breathing
    For a moment, mouth to mouth—
    Let them touch each other’s hands, in a fresh wreathing
    Of their tender human youth!
    Let them feel that this cold metallic motion
    Is not all the life God fashions or reveals—
    Let them prove their inward souls against the notion
    That they live in you, os under you, O wheels!—
    Still, all day, the iron wheels go onward,
    Grinding life down from its mark;
    And the children’s souls, which God is calling sunward,
    Spin on blindly in the dark.

    Now, tell the poor young children, O my brothers,
    To look up to Him and pray—
    So the blessed One, who blesseth all the others,
    Will bless them another day.
    They answer, "Who is God that He should hear us,
    White the rushing of the iron wheels is stirred?
    When we sob aloud, the human creatures near us
    Pass by, hearing not, or answer not a word!
    And we hear not (for the wheels in their resounding)
    Strangers speaking at the door:
    Is it likely God, with angels singing round Him,
    Hears our weeping any more?

    "Two words, indeed, of praying we remember,
    And at midnight’s hour of harm,—
    ‘Our Father,’ looking upward in the chamber,
    We say softly for a charm.
    We know no other words except ‘Our Father,’
    And we think that, in some pause of angels’ song,
    God may pluck them with the silence sweet to gather,
    And hold both within His right hand which is strong.
    ‘Our Father!’ If He heard us, He would surely
    (For they call Him good and mild)
    Answer, smiling down the steep world very purely,
    ‘Come and rest with me, my child.’

    "But no!" say the children, weeping faster,
    "He is speechless as a stone;
    And they tell us, of His image is the master
    Who commands us to work on.
    Go to!" say the children,—"Up in Heaven,
    Dark, wheel-like, turning clouds are all we find.
    Do not mock us; grief has made us unbelieving—
    We look up for God, but tears have made us blind."
    Do you hear the children weeping and disproving,
    O my brothers, what ye preach?
    For God’s possible is taught by His world’s loving—
    And the children doubt of each.

    And well may the children weep before you;
    They are weary ere they run;
    They have never seen the sunshine, nor the glory
    Which is brighter than the sun:
    They know the grief of man, but not the wisdom;
    They sink in man’s despair, without its calm—
    Are slaves, without the liberty in Christdom,—
    Are martyrs, by the pang without the palm,—
    Are worn, as if with age, yet unretrievingly
    No dear remembrance keep,—
    Are orphans of the earthly love and heavenly:
    Let them weep! let them weep!

    They look up, with their pale and sunken faces,
    And their look is dread to see,
    For they mind you of their angels in their places,
    With eyes meant for Deity;—
    "How long," they say, "how long, O cruel nation,
    Will you stand, to move the world, on a child’s heart,
    Stifle down with a mailed heel its palpitation,
    And tread onward to your throne amid the mart?
    Our blood splashes upward, O our tyrants,
    And your purple shows your path;
    But the child’s sob curseth deeper in the silence
    Than the strong man in his wrath!"

     

    Poem of the week

    May 24, 2009

    KEMP=MAG POETRY MAGAZINE

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POEM OF THE WEEK,Archive 2009,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Barrett Browning, Elizabeth


    Herman Gorter: Mei, een gedicht – Boek II (deel 3)

    Herman Gorter

    Mei, een gedicht

    Boek II (deel 3)

     

    En aan het maal zaten de goden aan,
    Jonge en oude goden. Mei zag z’aan,
    En zocht naar Balder, maar hij was er niet.
    De tafel leek de hemel als men ziet
    Den melkweg; als dat schittren was het bonzen
    Van een nieuw wijnvat in de zaal gerold.
    Hier brak er een gelach los en dat hold’
    Uitgelaten de tafel rond, dan schudden
    De hoofde, dan weer stiller — als een kudde
    Van schapen graast, wordt dat geluid gehoord.
    De schittering van ‘t gebekerte omboord
    Met wijn, de bekers in de blanke handen,
    Als fijngestreelde bloemen, rijen tanden
    Tusschen volle lachende lippen, met
    Haar, wange’ en oogen met een glans gebet.
    Het maal ging voort, de herten en wijnvaten
    Werden geopend, wijn en bloed gelaten
    In glas en schotels, tafels stroomde’ er van.
    Wijn gorgeld’ in de roe,mers en één kan
    Brak en de wijn brak ut als uit een bom.
    Allen schreeuwden stampend er rondom.
    En langzaam aan begon ‘t gezwaai van rompen
    En ‘t wankelen der hoofden, schepen dompen
    Zoo in de golven als de storm begint,
    En morrend brommen als wanneer de wind
    Door ‘t leege touwwerk raast der visschersvloot,
    Die op de ankers rijdt in watersnood.
    En zoo terwijl rondom een fel licht scheen,
    Glorie van licht, waarin het maal beneen
    Een zee geleek in ‘t woelen, waar de zon
    Op brandt en flikkert, water gromt, begon
    Mei en ze boog zich tot den ouden man,
    Die luisterde, stil voor zich zined: ”Wodan,
    Waar is de schoonste god, o waar is Balder?”

    Zoo valt een boom om, zoo als van zijn schouder
    Zijn hoofd voorover viel, zijn oog werd dof
    Terwijl dat viel, zijn handen met een plof
    Vervielen van de tafel op zijn knieëeen.
    Hij werd veel ouder en zij zag bezijen
    Zijn hoofd vergrijzen en zijn huid werd geel.
    Ademloos en grootoogig zag ze, heel
    Zijn oude lijf rillen en beven, wolken
    Over hem gaan; gekreun zoals het bulken,
    Runderebulken, hoorde ze in hem.
    Boven en rondom ving orkanestem
    Het klagen aan, de lucht werd zwart, en hagel
    Begon op tafel klettering, gewaggel
    Greep tonnen en okshoofden aan, de zaal
    Werd lag door dampen en door wolkgedaal.
    Stommer werden de goden, een voor een,
    En stijf van schrik, ze bleven nog bijeen
    Zitten zooals ze waren, wijl rondom
    Als wolvehuilen windeloeien klom.
    En midden in dat stommelen rees toen Wodan,
    Een oud man met een grijs gebeente: ”goden,
    Zoo sprak hij, heden is al vreugd vervloekt,
    Het is mijn zoon, ‘t is Balder, dien zij zoekt.”
    En alle goden bogen zich ter neer,
    Steunden de hoofden op de armen, meer
    Hoorde niemand dan doffer rouwgeklaag.
    En als een herder stond Wodan, en laag
    Was ook zijn hoofd gebogen, ‘t was als zong
    Hij vóór: een treurlied — ‘t gonsde op zijn tong
    En de godessen hoorden in ‘t verblijf,
    Spelend en spinnend, en ze zaten stijf
    Luistrend als zomerbloemengroepen eerst:
    Hieven zich langzaam op en vingen teerst
    Gefluister aan, staande dicht bij elkander,
    En namen haar gewaden en toen zonder
    Geraas of lachen, in een blanke rij
    Als reizende zwanen gingen ze voorbij
    Haar hooge deuren en door de portalen.
    Ruischende als de sneeuw kwamen ze dalen
    De drempels af, de hooge ramen in
    En hoorden Balders naam, en leed en min
    Deden ze weenen waar haar groepen stonden
    Onder donkeren boomen, waar ze vonden
    Opene vloerren, knielden ze wel neer.
    En ‘t vrouwejamm’ren ruischte er zacht en teer
    In ‘t mannemomplen, zoo als waterwel
    Ruischt in de herfstbosschen, droevig en schel.

    Een was er droef en stil en dat was Mei,
    Zij kon niet weenen, in zich voelde zij
    Leegte en eenzaamheid — wnt heen was hoop
    Die daar had zitten spelen — en ‘t was verloop
    Van koud bloed maakte nu haar lichaam kil.
    En zij zat stil en voelde alleen geril
    Over haar rug, toen de Asinnevlucht
    Vloog in de zaal met duivekengerucht.
    Herinn’ring kwam haar aan Idoena’s naam
    En zoekend keek ze rond waar ze te saam
    Hurkten als duiven op den duiveslag.
    Er zou wel iets van zijnen zonnedag
    Glanzen nog in heur haar en van zijn kussen
    haar bloed nog blaken. Maar ze was niet tusschen
    De anderen, omdat ze bleef te bed
    Waar jonge Balder vroeger kwam en met
    Haar sliep, en droome’ als opgebloei van rozen
    Sproten en stilden haar liefs minnekozen.

    En toen terwijl rondom de bodem dreunde
    En buiten onweer, en de goden kreunden
    En mompelden, ontbloeide dit gesprek:
    Mei’s woorden wat den lentevogelbek
    Ontwelt; maar Wodan’s, wie terwijl de boomen
    En blaan doen sidderen, de windestroomen.
    En telkens bij zijn naam dan werd geslagen
    De lucht van schrik en konden zich niet schragen
    Noch zuil, noch god, noch rots, noch boomehagen.
    ”Balder, Balder, waar is hij, wie bergt hem?”
    ”Van hier verdwenen,” gromde Alvader’s stem.
    ”Weet niemand waar hij is, komt hij niet weer?”
    ”Niemand weet dat, hij komt hier nimmermeer.”
    ”Was hij hier jong en blijde en danste en zong?”
    ”Zijn stem klinkt, schaduw danst nog waar hij sprong.”
    ”Was ‘t heele huis niet licht als Balder kwam?”
    ”Wee mij, wee mij, wien hij het licht meenam.”
    ”Lachten de goden dan, bloosden godinnen?”
    ”Met hem trad zaligheid de zalen binnen.”
    ”Was hij de blankste en de blinkendste?”
    ”Zijn oog het lichtst, zijn stem het klinkendste.”
    ”Balder, een hemelster, een dagebloem.”
    ”Balder, een woudvogel, Walhalla’s roem.”
    ”Balder, van springfontein, een waterval.”
    ”Balder, een zonneberg, een bloemedal.”
    ”Balder, Balder, waar is hij, wie weet hem?”
    ”Noemand meer weer hem,” gromde Alvaders stem.
    ”Idoena, minde zij dan Balder niet?”
    ”En nog, terwijl zij ook dit wee geniet.”
    ”Hoe wachtte zij hem, wer de avond geel?”
    ”Op rozebed, onder vioolprieel.”
    ”Hoe kwam hij dan in haren arm, vermoeid?”
    ”Zóó niet, maar straalgekroond en lichtgeschoeid.”
    ”Hij had om zich glorie en geuredamp.”
    ”Elk zijner handen was een lichte lamp.”
    ”Balder, zijn leliehuid had oliegeur.”
    ”Balder, zijn prachtig bloed had purperkleur.”
    ”Balder, zijn lijf zoo als een koningstroon.”
    ”Balder, een koningskind, een Wodanszoon.”
    ”Balder, Balder, waar is hij, wie weet hem?”
    ”Wij weten niet,” gromde der goden stem.

    En aldoor was de zaal vol gewoest gewuif
    Van windbewogen nevels en gestuif
    Van bladeren. Het water buiten botste
    Tegen de fondamenten, en er klotsten
    Brokken van golven voor de ramen op.
    Zoo loeit de stoomketel na nieuwen schop
    Van steenkool en zijn vlam en water razen,
    Zooals de wond daar rondging en de wazen
    Van dampen voortdreef, nieuwe achter hem.
    En Wodan stond daarin en hield zijn stem
    Van nu af stil, en ook de goden zwegen
    Als mannen om hun koning neergenegen.

    En toen zei zij: ”nu mannen luistert nu,
    Ik zelve zag hem: breng een tijding u.”
    Die zon kwam schijnen in den droeven tuin:
    In stilte klom de nevel in de kruin
    Der boomen, onder werd het klaar en klaarder.
    ‘s Avonds na stortregens wordt zoo de gaard’ er
    Lichter en lichtst van en vol diamanten
    Van zonschijn en van regendroppels, kanten
    Van spinneweb, bedruppeld en bekleurd
    Weven de stuiken, elke bloesem geurt.
    En nogmaals zei ze: ”mannen, luistert nu,
    Ik zelve zag hem, breng een tijding u.”
    En weder klonk dat helder uit en stilde
    Als milde olie golvemomp’len, rilde
    Nog voort en uit en om en vloog toen ook
    Idoena’s kamer in, en toen zij rook
    En proefde stille effenende troost,
    Verrees z’ en dronk hem in en even poosd’
    In voorgevoelen, wat dat voelen meen’ –
    En murmelde en liep zoo murm’lend heen.
    En binnen kwam ze en ze zag ze staan,
    De goden en godinnen, wijl Wodan
    Alleen stond ernstig — door elkander stonden
    Ze daar en blonken en hun open monden
    Spraken, dat zag ze en blozende hoofden
    Geleken bloemen en oogen beloofden
    Vreugde door schittering, en groote handen
    Gingen de lucht door, vroolijk, en de randen
    Satijn en zij streelden de vloer in slepen.
    Zij zagen haar en gingen als de schepen
    Ter zij, bij vlootrevue, maar één bleef staan
    Heel diep en aan het eind der lichte laan.
    En zij, Idoena, wankelde door het midden
    Naar Mei en trad dicht aan, en om haar midden
    Legde ze zacht een arm en vleide het hoofd
    Aan schouder en langs boezem: vol geschoofd
    Staan zoo twee bundels aren op den akker.
    En uit haar oogen waakte een geflakker
    Van blikken en haar hand begon te streelen
    De haren achter Mei en zacht te kweelen
    Leken ze iets, verstaan kon niemand dat.
    En de andre hand had als een grooten schat
    De hand van Mei in zich en greep en knelde
    En kuste ze optillend en ze telde
    De vingers een voor een met haren mond.
    Balder, Balder, ruischte het en ze wond
    De armen om haar, of ze Balder was.
    En zoo beweegt in wind het lange gras,
    Zoo als wind de takken aangrijpt, schald’ er
    Hooger en hooger rondom uit den drom,
    Balder, Balder, en armen sloegen om.
    ”Hij leeft, zei ze, hij leeft, want ik zag hem.
    Hij leeft en zingt, ik hoorde zijne stem.
    O goden, hij zong mij een droomelied,
    Een godendroomenlied, ik voelde niet
    Mij zelve meer, hem, hem, een tweede hem.
    Ik snelde mee en week mee met zijn stem
    In blinkende oneindigheid, als in
    Koelende meeren, ik was zonder zin,
    Muziek alleen, niets van mijn dierbaar zijn
    Voelde ik meer, verloren, maar gekwijn,
    Gesmelt in tonen, ‘k zelf een lang accoord.
    Ik hoor hem zoo altijd en heb behoord
    Hem na dien tijd en nu altijd, voor goed.
    Hij zweeg en is verwenen en mijn bloed
    Stroomt ook weer langzamer, maar diep daarin
    Vaart altijd nog het schip herinnering.
    Hij zong van u Idoena, ‘k heb gezocht
    Uw huis, of hij daarin verwijlen mocht.”

    En rondom hingen blijde aangezichten
    Als appels en de godenoogen lichtten
    En glansden, zijl ze allen naar Mei zagen.
    Idoena lachte en lachend liet zich dragen
    Door even groote Mei die haar omving.
    Ze kuste haar en nogmaals en ze hing
    Om haar zooals de blauwe bloemerank,
    Clematisbloem haar kelk hangt aan de slanke
    Aanzwelling van een vaas. Daar was heel lang
    Alles heel stil terwijl een ieder drang
    Van vreugde in zich voelde en begeerde
    Luide klanken en lied’ren: onbeheerde
    Zuchten soms vloden uit benauwde keel.
    Eindelijk hoorden zij een zacht gestreel
    Van vingers langs harpsnaren, want één god
    Was stillekens heengegaan en had het slot
    Van Balders zale opgebroken en
    Zijn cither zich gehaald: te murmelen
    Begon dat achter de vergadering –
    En allen schemerden van glimlaching.
    Hij speelde een lied uit: niemand zag om,
    Maar allen voor zich neer, en hielden krom
    Het hoofd gebogen, tinteling van klank
    Sprenkelde op hen neer, als drupjes drank.
    Maar Wodan stond recht op, bewoog het haar
    Heene en weer boven de godenschaar.
    Toen dat lied uit was spraken allen samen
    Zich naar elkander buigend, zoo beramen
    De vogels in den herfst hun langen tocht.
    En allen lachten en Idoena zocht
    Met stil verlangen al de hooge deur,
    Of ze niet open ging en haren heer
    Doorliet, zoo blank weerkerend van de reis.
    Nu leefde hij, kwam weer, zoo zong een wijs
    Haar minziek zingend hart, en zij zag rood
    Boven haar hals en kwijnend droomend bood
    Ze hare lippen al in leege lucht.
    En om haar fladderde de witte vlucht
    Asinnen al met Mei en vroeg haar hoe
    Het lied van Balder was, maar zij hield toe
    Haar mond en sprak niet veel, maar keek zltijd
    Idoena aan met liefde en met nijd.

    Een dans. De heele menigt’ danste voort
    Van ‘t eind der zaal. Rondom werden verstoord
    Van uit verblijven blond gelokte vrouwen.
    Lachende kwamen ze, wèl opgevouwen
    In haar gewaden, zoo zijn edelsteenen
    Flikkerend in satijn, zooals zij schenen
    Met voet en boezem uit heur waden uit.
    Vooraan den stoet Idoena, Balder’s bruid,
    Zij tripte het marmer met haar warme voeten.
    Dan dansten allen: en de heele stoeten
    Kwamen vooruit, gehande armen dreven
    Naar voren en de golven lokken bleven
    Meegaan van achter op de lucht. Een enk’le
    Wendde het hoofd en lachtem en het tink’len
    Klonk als een Roomsche altaarschel. Daarna
    Kwamen de rijen goden, een hoera
    Weerklonk dreunend: dat schreeuwde groote Thor;
    Daarachter and’re goden grijs en schor.

    Wodan bleef eenzaam, droef en hopeloos.
    Toen hij alleen was, stond hij nog een poos
    En zette zich toen neer, zeer zwaar en droef.
    En stilte en peinzen maakten toen een groef
    Rondom hem donker, waarin hij neerzat.
    De zaal werd donker en de gansche schat
    Van ‘t maal werd donker, donker werd het brein
    Van Wodan, daar blonk nog zijn oogenschijn.
    Hij zonk in peinzen en twee zwarte raven,
    Als doodgravers die ‘t koude lijk begraven,
    Vlogen zacht aan en zetten zich voor hem –
    Lang nog luisterde hij naar raad en stem.
     

    Mei was daar nog en zat een einde ver
    In ‘t duister en ze blonk er als een ster,
    Aandachtig kijkend naar den ouden god.
    Buiten danste de menigte en tot
    Haar kwam gelach en voetgeschuif en drok
    Gepraat flauw hoorbaar, en hoog in den nok
    Der zaal hing nevel, gonsde nog wat wind.
    En bang en banger werd ze als een kind
    Dat voor een oud man wordt, met haar alleen.
    En uit haar angst stond ze toen op en heen
    Vluchtte ze zonder omzien en ging ver,
    Dwalend door ‘t donker als een lichte ster.

    En ze werd eenzaam en ze vluchtte verder,
    Een schaap gelijkend dat den boozen herder
    Ontkomt en nu alleen graast en weer kan
    Een kant opgaan naar eigen wil. Moe vna
    Anderer blijdschap was ze en eigen leed.
    En langzaam liep ze, zag niet, en ze beet
    De tanden op elkaar, want er is nijd
    In ieders droevig hart bij vroolijkheid.
    Ook stond ze nog eens stil, daar achter was
    Het blank paleis, het glinsterde van glas
    In koepels en in torens, daar was nu
    Weer binnen ‘t licht van vreugde aan, schaduw
    Alleen had zij: ”O Balder, ìk min meest
    Uw jonge rijke jeugd”, dat was haar geest
    Een troost, en plots’ling sloeg hoog op in haar
    Een golf van trots, ze schudd’ het volle haar,
    Zooals een vroolijk paard de staart, en liep
    Sneller en sneller als een paard. — Daar diep
    En breed en hoog was weer de blauwe rijkheid
    Van zon- en etherbrand, die zijn gelijkheid
    Niet heeft, maar zelf zich brandt en nooit verslindt.
    Het vuur vecht daar met vuur, géén overwint.

    En toen ze ver was in die vlakte, stond ze
    Een lange wijl weer en nadenkend vond ze
    Een groote blijdschap in zich, want ze dacht
    Nu zekerder dat hare lange wacht
    Niet lang meer duren kon — zij zou nu komen
    Dicht bij zijn woning, zouden dan haar loome
    Lippen om liefde vragen, o één kus.
    Ze drong dicht bij hem, voelde droomgesus
    Als wiegde hij haar heene en weer weder.
    Ze liep ook heen en weer zooals een veder
    Verloren op een vijver door een zwaan,
    En bijna kwijnde ze en bleef weer staan.
    En hij werd in haar tegenwoordigheid
    Zoo duidelijk dat haar neusgaten wijd
    Zich openden, alsof z’hem voor zich rook.
    Toen dacht ze aan de aarde en er dook
    Voor hare ooge’ een bloemschepping op,
    Van violette’ en primula’s, gedrop
    Viel neer van geurdoortrokken avonddauw -
    Zoo rook ze hem en kwijde en viel daar flauw.
     

    En langzaam werd ze toen henengetrokken,
    Te droomen liggend, zoo als met al vlokken
    Sneeuwbui de lucht doortrekt. En om haar henen
    Vloten de murmelwinden, en de beenen
    En armen waren diep in geur verhulde.
    En heure haren over haar, ze vulden
    De blanke vlakte van haar borst, bewogen
    Even op wind omwarend in dien hooge.
    Toen was ze werk’lijk schoon want hare ziel
    Was ganschlijk in haar, geen begeerte viel
    Nu meer naar buiten, o een echte bloem.
    Waar drijft gij nù heen, gij Mei, die ik noem
    Mijn eigendom, gij die mijn duiventil
    Al lang zijt, in wie alle duiven stil
    Neerzitten, mijn gedachten, of ook vliegen
    Naar binne’ en buiten en zich mogen wiegen
    Over u en om u, Mei, mijn lieveling.
    Zij zullen u wel volgen, hun gezwing
    Wordt nog niet moe, maar gaat gij niette ver?
    Ik zie u haast niet meer, gij zijt een ster
    Zoo hoog, het is alleen mijn zwakke oog
    Dat u nog volgt, mijn lippen worden droog.
    Waar drijft gij nu toch heen, mijn lieveling?

    Toen ze zoo, lang gedreven had, toen ging
    Ze overeind weer, zóó, zooals een duiker
    Te water, in haar handen vond ze een ruiker
    Van violette’ en primula’s en lachte,
    Nu wist ze zeker dat ze Balder wachtte.
    Ze fladderde ook voort maar droomend traag,
    En dacht aan hem en aan de eerste vraag
    Die ze hem doen zou, o maar éénen kus.
    Toen voelde ze zijn lippen en ‘t geblusch
    Zacht sissen op haar mond, en in haar vingers
    Zijn vingertrillingen, in blonde slingers
    Der lokken zijnen aêm, en o zijn wang
    Nu tegen haren en ze ging haar gang
    Weer zls zoo even omgevallen verder.
    Zij was zich geen gevoel bewust, toch werd er
    Aldoor in haar gespeeld door veel gedachten,
    Als muzikanten die hun hoorders wachten
    En vast probeeren snaren van viool.
    Zoo klonk het in haar, die niet hoorde — school
    Haar zelf dan weg en wilde niet genieten
    En hooren en de toonen zacht zien schieten
    Dooreen als strengels struik met bloem begroeid?
    Maar toch, terwijl gevoel met geuren stoeit
    In haar, vingers van Balder, Balders geur,
    Vaart ze vooruit, de voeten voor, en kleur
    Waait over haar en maakt haar telkens rooder
    En witter van de voeten tot haar schouder.
    Zie, nu ontwaakt ze weer en gaat ze loopen
    Sneller en sneller, laat de voeten doopen
    In schemervuur en rook, zoo is dat blauw.
    Ze is nu vroolijk, zie hoe luw en lauw
    Ze uit haar oogen lacht, ze ziet hen beide,
    Zich zelv’ en hem, o nu niet meer te scheiden,
    Ze heeft haar beide armen om hem heen.
    Een gouden woning ziet ze en zijn schreen
    Komen den drempel over, en zij ligt
    Over een leger heen en voelt het licht
    Alsof de roode zon komt in de kamer.
    Zie nu hoe rood haar wangen, hoe de schaam er
    Binnen zijn vuur stookt. Zij verdraagt het niet
    En droomt weer in. — En daar begint een lied
    Weer in haar, dat ze toch niet hoort, hoewel
    Ze zelf het zingt — zoo als uit diepen del,
    Door loover, oever en door zon bekoord,
    Een bronwel springt maar ‘t springen zelf niet hoort.

    Zoo bleef ze varen vele aardsche dagen,
    En zij noch ik weet, hoe noch waar, of vlagen
    Van eigen willen haar voortdreven, dan
    ‘t Begerend trekken van een godd’lijk man.
    Ik weet het niet, want al dien tijd was ik
    Diep in u, Mei, u zelf, geen oogenblik
    Keken wij rond, maar voelden diep in ons
    Een warmte en zachtheid als vogeldons.

    En toen zij ontwaakte — is ‘t niet, Mei? -
    Toen was het door een koelte: mijmerij
    Van nevelen was daar en het was donker
    Van donzig vochte nevel, en het wonk er
    Als met heel groote oogen. En ‘t was warm
    Als was een vuur niet ver, er hing geen scherm
    Boven haar oogen die de starren zagen –
    Maar rondom waren wolken zooals hagen
    Van zachte coniferen en beneden
    Als kussens mos waarop de voeten treden
    In ‘t bosch als ‘t lente is, dan zijn ze zachtst.
    ”Nog niet? was hij er nog niet?” Zoet gelachs
    Kwam flauw op haren wang, het was onnoodig
    Om nu nog bang te zijn, want werd niet roodig
    De scheem’ring daar? O dat zou hij wel zijn.
    Zij zweefde er henen, maar die roode schijn
    Zweefde ook voort. Ook dat was groote vrede
    Voor haar: zij gingen samen. En beneden
    Veerden de nevelkussens, en van boven
    Werd het ook lichter, ‘t werd een donk’re oven
    Die langzaam aangloeit. Toen de waarden gedaanten
    Van hooge taille en licht wit getinte
    Heel, heel veel hooger, en die strooiden bladen,
    Rozen ontbladerend, het waren zaden
    Van licht, want waar ze daalden schoot een oogst
    Van koren licht den nevel door, op ‘t hoogst
    Rondom Mei’s schouderen; zij was heel blij
    Dat zoo ontvangen werden zij en hij.

    En langzaam weken alle nevelingen
    Van nevellommer, schaduwnevelingen.
    Die sloegen alle op de vlucht, rondom
    Zag ze vervlieten lichte neveldrom.

    En langzaam op begon muziek te tink’len
    Bloempjes muziek, klokjes muziek, te kling’len
    Klepeltje in klokmantel’s glazig huis.
    En elke klank splinterde dan tot gruis
    En klok en klepeltje, want voor één klank
    Waren ze maar geboren, dood tot dank.

    Toen gingen henen muziekwolken drijven,
    Ze zag ze niet, maar zag ze wèl, beschrijven
    Strepen en kringen en zich kalm verheffen
    In lichte verte, en ze kon beseffen
    Hun klankenrijkdom in hun volle kleur.
    Teer rose waren ze en zonder scheur
    Noch berst, maar hoog daar barstten ze in regen,
    Wolkbreuk van klank, zoo klankloos opgestegen.
    En regenden dan neder in gordijnen,
    Loodrechte stralen, druppels die doorschijnen,
    Als kralen aangerege’ aan Indisch riet –
    Voor ‘t oor voorbij, voor oogen ver verschiet.
    Henen vloden zware en lichte klanken.
    Ze voelde in zich heen en weder wanken,
    Als heel jong kind dat nog niet loopen kan,
    Haar lang verlangen, en als krachtig man
    Verdreef dat and’re zielsverbeeldingen.
    Was hij er nog niet, dacht ze, Balder, en
    Toen kon ze rondzien zonder meer te hooren.
    Het leek de aarde, want er stonden koren
    Van boomen rondom: lichte populieren
    Zonlicht niet weigerend, maar met hun slieren
    Het schuddende en trillend. En er gingen
    Lichte heuvelen hoog en daarvan hingen
    Bloemen in menigt’ af. En verder hooge
    Wanden van hoogvlakten en daarvan bogen
    Zich watervallen tot een duizelsprong.
    En haar verlangen werd zóó groot, ze kon
    Al deze aardsche dingen niet meer aanzien
    Van tranen en van liefde, en in waanzin
    Voelde ze hem in ieder ding: ze snelde
    Op een boom aan, hem denkend, en ze stelde
    Zich voor dien, armen open, en ze viel
    Tegen dien aan en kuste en een ziel
    Voelde ze in hem; in een sloot die open
    Langs boomen lag, stortte ze zich, het loopen
    Verrukte haar, diep in zijn worst’lend nat.
    Toen werd ze op de lucht verliefd en mat
    Dien met heel groote stappen en ze dronk
    Hem in en at en streelde hem, gelonk
    Gaf ze’m met hare oogen en ze liep
    Heel hard door hem, dan volde ze hem diep.
    Ze liep door weiden en op heuvelen,
    Ze liep op bergen en door wateren,
    Ze liep een wereld af door Balders rijk,
    Overal was ze en zag zijn gelijk
    In alles, maar hem niet — tot dat ze kwam
    In één vallei en daar hem zelf innam.

    Ze nam en zwolg hem in, ìn hare oogen,
    En sprong vooruit en greep hem en gedoogen
    wou ze niet dat hij sprak, ze drukte hem
    De lippen met de hare toe, hun stem
    Werd niet gehoord, heel lang, ze zat dichtbij
    Tegen hem aan en boog zich, en voorbij
    Zijn borst, haar hals omhoog, stilde ze zoo
    haar dorst, soms snikkend en ter nauwernoo
    Ademend. Eind’lijk viel haar hoofd terzij,
    En op zijn schouder brak ze in geschrei.

    Hij was een man aan wonderen gewoon,
    Wonderen van gevoel, en daarom kon
    Hij zoo gerust blijven zooals hij zat,
    Terwijl zij uitschreide. En in zich had
    Hij weldra ook haar beeld, zooals ze schreide,
    En werd zelf warmer en de handen beide
    Sloeg hij tone om haar en hield zoo haar vast,
    Dicht bij zich, weenen weinig zelf, als was ‘t
    Zijn zusterke, wier weedom bij hem weende.
    Toen voelde zij zijn natte tranen, leende
    Het hoofd nog meer ter zij en zag weer licht
    Door hare trane’ en droogde haar gezicht.

    Toen zag zij zijne lippen weer, te kussen
    Boog zij zich over en hij voelde tusschen
    De zijne haren liefelijken adem,
    Een lenteadem, en toen kwamen naar hem
    Herinneringe’ en lichte lentebeelden:
    Hij zelf werd als een lente en er kweelden
    Vogeltjes in hem als in jongen boom.

    Toen week ze weer van hem en zat in schroom
    Naast hem, bedremmeld, met geloken oogen,
    En toen haar handen hem verlieten, togen
    Bij hem weer ìn gedachten, zooals kind’ren
    In eenen boomgaard komen, ze vermind’ren
    De hangend’ appels, maar er vallen veel
    Meerd’re beneê, het gras ziet rood en geel.

    En toen ze daar in stilte eind’lijk goot
    KLeurige woorden, zelf zag ze schaamrood,
    Toen was het hem alsof de zon op ééns
    Na ‘t zwijgen van den nacht en het geveins
    Der bleeke schmeing, uit wolkmoeras
    Zich oplaat, blazend, en met zijn geblaas
    Kleuren heenspreidt over de lucht, de velden,
    ‘t Water, ja, alle dingen ongetelde.

    ”Ik ben maar Mei, ik woon maar op de aarde
    Het waren Zon en Maan, die mij klein baarden,
    Nu ben ik groot want nu zit ik naast u.
    O maak mij grooter, nòg ben ‘k klein en schuw.
    O laat mij hooren hier naar uwe woorden,
    Alles vergeten wat mij vroeger hoorde
    Van jeugd en schoon, maar alles zien wat u
    Behoort, o u een boom, in uw schaduw.
    O sta nu boven mij zooals een boom
    En laat mij liggen onder u, een droom
    Verritselen zal ik uw bladen hooren.
    O laat mij niets zijn dan ééne bekooring,
    Een droom van u, o maak mij altijd vol
    Van u, een vrucht die ‘t zonlicht levend zwol.
    Zie, ‘k wil u geven alles wat ik heb,
    Ik deed het altijd, ‘k doe het nog, ik schep
    Honderde dingen uit mij, àl voor u,
    Ik ben zooalas een mijn, uit mijn schaduw
    Werp ik te voorschijn groote edelsteenen
    En maak er bergen van, de zon kan weenen
    Als hij ze ziet, zoo glinstert dat, zoo breek
    Ik mij al heel lang, Balder, voor u open.
    Balder, Balder, hebt gij mij zien loopen
    Over de aarde nooit, hebt gij gezien
    Hoe alle aardsche goden kwamen biên
    Aan mij al wat ze hadden, en mijn vreugd
    Om ‘t al te nemen, mij er mee verheugd
    En lachend, te weerspiegelen in een plas,
    Wanneer de maan scheen en het in het gras
    Rondom mij neer te leggen in een keten
    Van schittering en straalgebreek — o weten
    Wil ik dat nu niet meer, ik heb u.
    Mag ik nu ook uw kussen drinken, nu
    Gij hier zoo naast mij zit, een groote bron
    Van kussen en van spel voor mij, ik kon
    Zoo erg verlangen naar u in een nacht
    Op aard en in den hemel” — en zeer zacht
    Als wilde ze in iedre kus fijn proeven
    Al haar verbeeldingen, zoo lang begroeven
    Zich hare lippen in de zijne, en
    Ze weende weer en kon niet ophouden.
    En in haar stem liet hij zich henewiegen,
    Zooals een vogel in de zon, niet vliegen
    Doet die ook meer, maar drijft zoo doelloos rond
    En voelt de zonneschijn — en zijne mond
    Kuste gemakkelijk omdat haar roode
    Zangerige lippen het aldus geboden.

    En toen ze daar zoo zaten als een bloem
    En nog een andre, die saam aan den zoom
    van ‘t bosch gegroeid zijn, zóódat ze soms raken
    Elkaar wanneer de wind waait, en het blaken
    Van d’een de ander voelt, de stengels streelen
    En wrijven langs elkander en de geele
    Bloemhoningharten zien elkaar in de oogen –
    Zoo zaten ze en toen terwijl bewogen
    Voor hen veel wondere verschijningen
    Op maat en melodie en deiningen.
    Zoo was dat land waar al dat Balder dacht,
    Hij landsheer en landsgod, zich zelve bracht
    Te voorschijn en ter wereld en bleef leven
    Tot nieuwe onderdanen het verdreven.
    Want al die dingen die Mei voor zich zag
    Waren zìjn onderdanen, zìjn gezag,
    ‘t Waren de beelden zijns lieds geruisch op zijn rhythmiek,
    Maar buiten hem de levendlichte schemer,
    Schimmenafbeeldsels in een spingewemel.

    Zoo zaten ze, hij stil muziek te maken,
    Zij, zonder hooren, zag ze wel genaken.

    Een schaar van kindren springende en blond,
    Met teere witterozeschijn en rond
    Van arm en beenen, oogen als op kronen
    ‘s Avonds kaarsvlammen zijn en op de konen
    Roode vlammetjes als op vruchtevellen.
    Ze breiden zich in rijen en ze stellen
    Zich naast elkaar: ‘t zijn jongetjes en meisjes.
    En elk zoekt toen de zijne, met zijn beidjes
    Dansen ze toen: zoo zijn de duizendschoonen
    Binnen het woud, waar zon schijnt, anemonen
    Groeien zoo twee aan twee op zeeëgrond.
    Een fee verschijnt, ze springen om haar rond
    Opkijkend en ze leunen aan haar beenen,
    Grijpen haar handen hoog, gaan met haar henen.

    Toen wordt het schemering en avondgroen,
    Doorzichtig watergroen beneê, er doen
    Zich dons en dunne dauw op. Donkerder
    Wordt alles en er is geen grond meer, ver
    En hooger wordt de nachtehemel zichtber.
    De maan komt op, de nevel wemelt, licht er
    Phosphorisch mos en paddestoel, weerlicht
    Het heen en weer van zomerbliksems, vliegt
    Het van dwaallichtjes in de lucht, de zicht
    Der maan slaat ze verblinen af het graan,
    Het starkgekroonde graan, van hare baan?
    De lucht is vol van leuge’ en twijfeling,
    Maar langzaam donkert het, zijn halven ring
    Verbergt de maan en haar twee scherpe dolken,
    Donder gaat om, aandobberen de wolken.
    Stil is het en de lucht is vol van zwart,
    Het is vol zwoelte, leeg van licht, het hart
    Van de nacht zelve klopt niet meer, is dood,
    Het nacht-lijk is nog warm, het zwart is rood.
    Violen bloeien uit dat zwarte op,
    Twee blauwe bloemviolen, licht valt op
    Hen niet, vanwaar? maar zelve hebben ze
    Blauw licht in zich, en daarvan lichten ze.
    Ze spinnen en vlechten zoo een groot prieel,
    Een wieg van blauw gebloemte, evenveel
    Aan wederzijde — en toen was het klaar
    EN wachtten ze en keken naar elkaar.
    Twee bleke wezens traden toen te voor,
    Dicht aan elkaar gedrongen, onderdoor
    De armen hadden ze elkanders armen.
    De hoofden naar elkander, zoo verwarmen
    Z’elkander met hun oogen, om hen heen
    Is niets — zij tweeën zijn geheel alleen.
    En d’eene spreekt en dit zijn hare woorden:
    ”Gij zijt geheel in mij en ik behoorde
    U al zoo lang, ik weet niet meer wat is
    Uw of mijn leven, uw gelijkenis
    Ben ik, gij mijn — wordt nu een kind geboren
    Uit u en mij, dat zal ons toebehooren
    Gelijkelijk, omdat wij beide zijn
    Elkanders liefde waard, ik uw gij mijn.”
    Zoo zeggende verdwenen ze meteen,
    En ‘t donker ging en de violen heen.

    En donker bleef het ook om Balder heen
    En Mei, in hem een zwaar gegons, er scheen
    Voor haar een flikkering van d’achtergrond
    Van zijn gedachten en zij waarden rond
    Zelve er voor, gewikkeld in het duister.
    En zich opheffend hulde z’in gefluister
    Koel, maar haar lippen brandden, ook die woorden:
    ”Gij zijt geheel in mij en ik behoorde
    Uw of mijn leven, uw gelijkenis
    Ben ik, gij mijn — wordt nu een kind geboren
    Uit u en mij, dat zal ons toebehooren
    Gelijkelijk, omdat wij beide zijn
    Elkanders liefde waard, ik uw gij mijn.”

    Donder knalde en rommelde, groote spoken
    Vlogen een oogenblik rond en neergedoken
    Zaten ze saam, toen schrikten ze weer heen
    En vloden hande’ omhoog, huilend uiteen.
    Balder stond hoog, hij leek een rots, diep blauw
    Was heel zijn lijf, zijn haren zwart, en grauw
    Handen en voeten. En hij zeide hard
    Als steenen, woorden: ”Nooit, nooit, nooit” en zwart
    Trilde hij zoo als een verbrande boom.
    Hij zei het nog eens: nooit, en als een doem
    Viel dat van boven op de kleine Mei
    Die hande’ en voeten uitgestoken, bij
    Zijn voeten zat. En hij ging een eind weegs
    Van haar en stond. En om zich kouds en leegs
    Voelde ze, en was blind en wist niets meer,
    Zooals één, doodgevroren in een sneeuwmeer.

    Hij stond en voelde eerst een diepe kou
    Of hij bevroor en ijs werd, en blauwgrauw
    Waren zijn voete’, en handen, en een hol
    Van ijs in hem, zooals een berg, een schol
    Van ijs die uit de poolzee losgeraakt
    Is en ‘s nachts ronddrijft, en de zee bewaakt
    In stilte van de blauwe manestralen.
    Hij rilde van zijn grootheid en deed dalen
    Zijn trillingen als van een hooge trap,
    Zijn lijf, zijn tanden beefden met geklap
    Tegen elkaar, hij lachte als het water
    Dat ‘s winters nog op bergen valt, het baadt er
    Door ijsbrokken en korsten grimmig. Hij
    lachte met klatering, maar was niet blij.

    Maar stiller werd hij, want hij hoorde koren,
    Koren van zegelied’ren en verloren
    Klanken van solo’s, helle heldenzangen,
    Hel en verrukkelijk, en op zijn wangen
    Omhoog verscheen een helder rooder gloeien.
    Beweegloos luistrend stond hij naar ‘t omroeien,
    Vleugel en riemeslagen van muziek,
    Breede slagen, zooals van den wiek
    Van adelaren of als ademtochten
    Van mannen breedgeschouderd, en er zochten
    Ook uit zijn borst de ruimte koele zuchten:
    Als loeien van een stier, groote geduchte
    Geluiden en uitblazingen en woorden.
    Om Mei dacht hij niet meer, maar stapte door de
    Hemelen, schrijdend heen en weer, gekleed
    In een sleepmantel van geluid, die breed
    Achter zijn voeten aangolfde: een koning
    Omschrijdend door de hallen van zijn woning.

    En ook die tred werd langzamer, hij kwam
    Weer waar Mei zat, en die gedachte nam
    Hem ‘t kleed geluid af, dat geruischloos viel
    Om zijne voeten. Over zijne ziel
    Spreidden zich toen zeer zachte vleugelen.
    En een gedachte kwam daar als een hen
    Over een kuiken, op zijn hart en veilig
    Voelde zich dat in rust, zooals in ‘t heilig
    Der heiligen een ark staat zwaar en stil.
    Daar traden binnen, dat de vloer geril
    Van voetjes kreeg, blootvoet’ge priesteressen
    Met lange fluiten, op een rij en tressen
    Doorbloemde blonde welriekende lokken.
    Dat was het medelij met Mei, ze trokken
    Gordijnen weg en toen zag hij haar beeld
    Zittende. Waar hij haar wist zitten knield’
    Hij neer en werd weer als de jonge man
    Als zij hem kende. Uit albasten kan,
    Zijn mond, goot hij als balsem deze woorden:
    ”Nooit kan dit zijn, Mei, dat ‘k een ander hoore,
    Ik Balder, aan een ander, zie, ‘k ben blind,
    ‘k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind.”
    Dit zei hij en hij legde ook zijn handen
    Op hare schouders; zooals in warande
    Een bloem al vroeg in ‘t jaar de zon ontdooit,
    Ontbloeide zij, de koude smart ontdooid’
    Ook in de tranen die haar ooge’ onvloeiden;
    En zij sprak zijna woorden na, die boeiden
    Met nieuwen pijnen haar: ”zie ik ben blind,
    ‘k Zie nooit iets dan mij zelf, niet u, mijn kind.”
    En toen sprak Balder deze woorden of
    In leegen dom een orgel speelt en dof
    Mompelt langs wanden en door de gewelven –
    Maar ‘t spreken klimt tot klaatren, klanken delven
    De stilte open en geheimenissen
    Uit alle hoeken en de heil’gennissen.
    Zoo sprak hij: ” ‘k ben als gij geweest, ik ben
    Nu zoo niet meer, als niemand meer, ik ken
    Nog wel mijn oude zelf, die gaat nu dood.
    Te zien, te zien, dat was mijn vroeger brood
    En drinken, en te hooren en te voelen
    Wat rondom is, de hitte en de koele
    Kleuren en ademhaling, die er gaat
    Door heel de wereld en elk wezen laat
    Baden door zich en van zijn binnenst maakt
    En brandt een oven waar het helvuur blaakt.
    Die verlangt naar voedsel, dat is ‘t wreed begeeren,
    De opgesperde kaak, de hand die meer en
    Meer grijpt en vingers haakt en grijpend kromt.
    Die ‘t al verandert en verderft wat komt
    In zijn bereik, die altijd anders wil
    Wat is, die alles haat wat blank en stil
    Eeuwiglijk is, die schept en baart omdat
    Hij ook zichzelven haat, niet duldend dat
    Hij zelf blijft leven, maar den dood begeerend.
    Zoo zijn èn God èn menschen, die verweerend
    In ‘t leven staan, en gruizend, en tot stof
    Vallen de een na d’ander, een kerkhof
    Van dood verlangen en verdord gebeente.
    Zij maken nieuw geslacht, verlangend heen te
    Zijn zelf, hatende zich, hatend wat is,
    Willend wat wordt, in woede en droefenis.

    Zoo zijn ze ook niet blij met hun gevoelen
    Alleen te hebben ìn zich, maar ze koelen
    Hun willenswoede en zichzelve af
    Door scheppingen en bouwen zoo een graf
    Voor ‘t kostbaarste wat ze een oogwenk zijn,
    En uiten zich. Zoo gaf eens Wodan schijn
    Aan wat hij wist en voelde, hij de weter
    En voeler, d’allergrootste, en nu heet er
    Een wereld naar hem, hìj is arm, en dood
    Zal hij eens moeten met hen zijn wereld, nood
    Voelt hij al voor hen beiden, kan niet vinden
    Geluk, een doodswolf zal hen beî verslinden.

    Soms komen bleeke oude herinneringen
    Nog in mij op en zie ik van de tinnen
    Van mijn paleis de oude godenwereld
    Zoo als ze was weleer, de vlakte dwarrelt
    Van godendans, ik zie hun groote beelden
    Op maat van muziek, en in verhulde
    Figuren ken ik nog godengedaanten.
    Soms bloeien struiken om mij en ik waan te
    Slapen op aarde en ik zie de vlakte
    Der zee, de wolken en het licht dat brak te
    Gruizen eens aan den hemel, waar nu starren
    Gesponnen zijn, blinkend in ‘t blauwe garen.

    Soms denk ik aan een vrouw als toen gij kwaamt
    Zoo even en mij in uw armen naamt,
    Kussend en willend en de smart niet dragend
    Van eigen voelen, uwe liefde, vragend
    Verandering en blusschen van die vlam
    Die gij genoten hadt en die toch nam
    De allerschoonste kleuren in uw oog.
    Soms voel ik nog als gij en ik bedroog
    U zóó zooeven, nu ben ik weer stil
    En waar in mij, en voel wat ‘k altijd wil.

    Hoor mij nu, Mei: er dwaalt in ieder leven,
    In ieder lijf, een vlam, elk voelt haar beven
    Wel eens of tweemaal, maar niet vele malen.
    De menschen noemen ziel haar, ze verhalen
    Er lange wondere verhalen van,
    Weten niet veel, voeden haar niet en dan
    Sterft ze vergeten en alleen gelaten.
    Kinderen voelen haar wanneer ze na te
    Slapen gegaan te zijn, nog lang òpwaken
    Gedacht’loos starend voor zich, want genaken
    Voelen ze niets, geen beeld, en ook in hen
    Schijnt niets te leven of te mijmeren.
    Dan voelen ze oprijzen en neerdalen
    Hun leven, ademen gaan door de zalen
    Huns harts en onder een hoog oppervlak
    Leeft een nieuw wezen nu het oude brak.

    Zoo zijn de jonkvrouwen, wanneer haar jaren
    Vollere zijn en zij de lange scharen
    Mannengedaanten ‘s avonds buitensluit.
    Dan zit ze op een stoel, aan hare ruit,
    Maar ziet niet uit, haar oogen zijn gesloten.
    Zij denkt niet, levensboom is dood, maar loten
    Schiet daar het dieper leven en ze voelt
    Dat wuiven op windadem en windkoelt,
    En huivert, draagt het niet, breekt in geschrei
    Haar oogen open, dan is ‘t weer voorbij.

    Mannen zijn zoo die men de dichters heet,
    Een jong man zoo, die ‘t slaafsch leven vergeet
    Een uur, een dag lang, en zich zelven hoort
    En naar zich luistert, wat geboren wordt
    Aan leven in zich en de wondre daden
    Die ‘t dieper zelf bedrijft, en naar beladen
    Winden met klanke’ en woorden ongehoord.
    Zoo zit hij wel een uur, daardoor bekoord.

    Dat leven heeft een beeld, hoor mijn geluk,
    ZIe toe hoe ik den slagboom openruk,
    En hoe er doordringt nu een bonte trein,
    Paarden met belle’ en ruiters: schoone schijn.

    Dat beeld dat is muziek, want wie kan hooren
    Dien wond’ren schijn weerklinken of te voren
    Breekt uìt die diepste ziel, en slaat te stuk
    Een vroeger leven en zet met een ruk
    Een nieuw tooneel op van het nieuwe leven:
    O zonder beelden, onbegrepen, neven
    Zich zonder schauw of schijn, alléén gewelde
    Bobbels van lucht, zeepbellen onverzelde.

    Dat is muziek, die heeft met alle dingen
    Niets meer gemeen, en alle vreemde zinnen
    Zijn blind voor haar, geen vormen en geen kleur
    Heeft zij, zij is de lucht gelijk in heur
    Afwezigheid voor ‘t oog en schijnarmoede.
    Zij is de liefste, allerliefste, moeden
    Die zich moe leefden aan het zien en smaken
    Der volle wereld, drinken haar en raken
    Haar soms met lippen, willen haar altijd –
    Zij geeft van alles hun vergetelheid.

    Zielsleven is muziek; dat zijn de volle
    Aanzwellingen gevoel, de eeuwig gulle
    Uitstroomingen van klank, de volle baden
    Kokend in wentelende damp, goudzaden
    Van klank, volmaakt, gerond, ronde gewelven,
    Bommen van klank, en ook de zoete schelven
    Waaiig van licht geluid als stapels hooi.
    Sneeuwballen van muziek en uitgedooi
    Van klompen ijs smeltend in eigen water,
    Vogeltjes van muziek en uitgeschater
    Van lachende mannen: elk een heel geheel -
    Een volk van klanken waar elk heeft gekweel
    Eigen aan zich, een scheepsvloot vn muziek,
    elk schip heenvarend op zìjn zeilewiek,
    Regen van klank verlatende de lucht,
    Een zingend’ aarde met één groot gerucht.

    Is zij muziek, is wel mijn eigen ziel
    Iets wat ooit buiten mij, mijzelven, viel?

    Dat alles is het niet, ‘t zijn woorden niet,
    ‘t Zijn dingen niet, ‘t zijn klanken niet, geen lied
    Verbeeldt de zielsbewegingen genoeg.
    Alles is beeld, is beeld van haar, en vroeg
    Of laat valt het ineen in stof, zìj blijft,
    Wat er ook om haar valt en hene drijft.
    Wie dùs mijn ziel is, is zichzelf een God.
    Ik ben mijn ziel, ik ben de een’ge God.
    Er is nu niets meer dat mijn blindheid heelt,
    Mijn God, mijn ziel, naast haar bestaat geen beeld.
    ‘k Word stil en niets bestaat meer dan mijn ziel,
    Geen ding, geen woord, en niets dat mij ontviel.
    Haar wil ik hebben, heb ik, en niemand
    Dan zij, mag met mij wonen in dit land.
    Ik wil geen toekomst, geen geheugen hebben,
    Zij is altijd gelijk, zìj kent geen ebben
    En vloed, zij is eeuwig, alleen, zij is,
    Zij leeft door eigene ontvangenis.”

    Toen stond hij op en Mei zag een blauw waas
    Boven zijn hoofd, zijn aanschijn blonk, als dwaas
    Stond hij, de armen uit, en scheen te drinken.

    Zij wist dat hij voor haar niet was en zinken
    Begon ze langzaam, sneller, en zijn stem
    Bleef in haar ooren, dat was al van hem.


    Herman Gorter

    Mei, een gedicht – Boek II (deel 3)

    (wordt vervolgd)


    kemp=mag poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Gorter, Herman


    Jacques Rigaut: Roman d’un jeune homme pauvre

    J a c q u e s   R i g a u t

    (1898-1929)


    Roman d’un jeune homme pauvre

    On n’a fait tant de place à l’amour que parce qu’il dépassait en utilité le reste des choses. A mesure que l’argent se fait plus nécessaire, plus exigeant, il devient plus admirable, plus aimable, comme l’amour. – On pourra soutenir le contraire avec autant de bonheur. – Je supporte plus facilement ma misère dès que je songe qu’il y a des gens qui sont riches. L’argent des autres m’aide à vivre, mais pas seulement que comme on suppose. Chaque Rolls Royce que je rencontre prolonge ma vie d’un quart d’heure. Plutôt que de saluer les corbillards, les gens feraient mieux de saluer les Rolls Royce.

    Penser est une besogne de pauvres, une misérable revanche. Quand je suis seul, je ne pense pas. Je ne pense que quand on m’y force ; les contraintes, le petit examen à préparer, les exigences paternelles, ce métier qu’il va falloir subir, tout effort salarié me mènent à penser, c’est-à-dire à décider de me tuer, ce qui revient au même. Il n’y a pas 36 façons de penser ; penser, c’est considérer la mort et prendre une décision. – Autrement, je dors. Eloge du sommeil ! pas seulement le magnifique mystère de chaque nuit, mais l’imprévoyante torpeur. Mes compagnons de sommeil, c’est près de vous que j’imagine une existence satisfaisante. Nous dormirons derrière le clapotis de nos cylindres, nous dormirons les skis aux pieds, nous dormirons devant les villes fumantes, dans le sang des ports, au-dessus des déserts, nous dormirons sur les ventres de nos femmes, nous dormirons à la poursuite de la connaissance, armés de tubes de Crookes et de syllogismes, – les chercheurs de sommeil.

    Quand je roule dans ma n HP, que les poètes prennent garde, qu’ils ne s’attardent pas sur les refuges des avenues, sans quoi je pourrais bien en faire quelques faits-divers ! Ce penseur dédaigne les dollars, bien sûr ! il tient dans sa main des réalités aussi immédiates, bien sûr ! En attendant, il est là, sur un trottoir, un numéro à la main, sollicitant une place dans un autobus, P. 11 et comme je passe près de lui dans ma voiture et que je souris de plaisir en l’éclaboussant, lui et quelques autres mal nourris, il murmure :

    - Imbécile !

    - Toi même ! je dors. Toi, dans ton bureau, tu t’irrites ou tu t’ennuies, tu penses à la mort, sale victime ! L’amour, ton intelligence ! tout de même, on se laisser aller à quelque indulgence pour ces femmes, quand on se rappelle quels rivaux elles ont donnés à leurs poètes d’amants ! Attendez un peu que je sois l’homme le plus riche du monde et vous verrez qui sera préposé aux ignobles besognes chez moi ! Taisez-vous ! Les penseurs panseront mes autos ! Riez maintenant ! Ne sentez-vous pas le mérite de mes millions ; qu’ils sont la grâce ? J’aurai enfin la première balance exacte ; je sais le prix des choses, tous les plaisirs sont tarifés. Consultez la carte. Love to be sold. Me voici assuré contre les passions ! Le consentement des gens, je m’en passe, et si les sacrifices et l’à contre-coeur le remplacent, je me frotte les mains.

    Un homme qui me veut du bien, mais qui a vingt ans de plus que moi, m’offrait comme moyens d’existence, afin de ne pas m’écarter de cette vie spéculative pour quoi j’avais témoigné tant de dispositions, tu parles ! de classer des fiches dans une bibliothèque et de composer une anthologie des pensées d’un grand capitaine ou d’un monarque. D’effarement, je ne pus répondre à ce brave homme que j’espérais bien passer en Cour d’Assises avant d’en être réduit à de pareils travaux. Dieu soit loué ! il y a la Bourse, dont l’accès est libre même à nous qui ne sommes pas juifs. Il y a d’ailleurs bien d’autres façons de voler. Il est honteux de gagner de l’argent. Comment les médecins peuvent-ils ne pas rougir quand un client pose un billet sur leur table. Dès qu’un monsieur se met dans le cas d’accepter d’un autre quelque argent, il peut s’attendre à ce qu’on lui demande de baisser son pantalon. Si on ne rend pas de service bénévolement, pourquoi en rendrait-on ? Je vois bien que je volerais par délicatesse.

    La petite V vient d’épouser un riche garçon ; elle l’aime. Ce n’est pas son argent qu’elle aime, elle l’aime parce qu’il est riche. La richesse est une qualité morale. Les yeux, les fourrures, la santé, les jambes, les mains, la 12 Packard, la peau, la démarche, la réputation, les perles, les parti-pris, le parfum, les dents, l’ardeur, les robes qui sortent de chez le grand couturier, les seins, la voix, l’hôtel Avenue du Bois, la fantaisie, le rang dans la société, les chevilles, les fards, la tendresse, l’adresse au tennis, le sourire, les cheveux, la soie, je ne fais pas de différence entre ces choses, et aucune d’entre elles n’est moins capable de me séduire que les autres.

    On n’a jamais vécu que de possibilités et c’était tout de même autre chose que le balcon de Juliette, ce petit cube bleu qui circulait – à des épaisseurs variables – d’un joueur à l’autre sur le tapis vert de la salle de Baccara. Un gros coup. Autour de la table, les visages fonctionnaient au ralenti, les sourires se déclanchaient avec peine, puis s’immobilisaient des doigts qui tremblaient. J’ai deviné ce qu’était le respect quand j’ai vu, au petit matin, cette femme qui emportait dans son sac plusieurs années d’insolence, rencontrer sur la route, en sortant du casino, les pêcheuses de crevettes, qui revenaient de la mer, mouillées, chargées de filets, les pieds nus.

    Jeune homme pauvre, médiocre, 21 ans, mains propres, épouserait femme, 24 cylindres, santé, érotomane ou parlant l’Annamite. Ec. Jacques Rigaut, 73, bld Montparnasse, Paris VIe.

    Jacques Rigaut

    La revue Littérature 1921


    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,EXPERIMENTAL POETRY,Rigaut, Jacques


    Groninger Museum: Cuba! Kunst en geschiedenis van 1868 tot heden

    Groninger Museum

    C u b a !

    Kunst en geschiedenis van 1868 tot heden

    17 mei tot en met 20 september 2009

    Het Groninger Museum presenteert van 17 mei tot en met 20 september 2009 een grote overzichtstentoonstelling over de ontwikkeling in de kunst en de geschiedenis van Cuba van 1868 tot heden. Er worden werken getoond van ruim honderd kunstenaars, die variëren van traditioneel tot posterkunst, installaties, video en een bijzondere selectie van fotografie, zowel documentair als artistiek.

    Deze tentoonstelling vertelt het verhaal van een jong land met een eeuwenoude cultuur. Cuba is een eiland waarvan de turbulente geschiedenis doortrokken is van de belangrijkste kwesties van de twintigste eeuw, waaronder de kolonisatie, het zoeken naar een nationale identiteit, onafhankelijkheidsoorlogen en nieuwe politieke onbereikbare idealen.

    De eerste Cubaanse landschapsschilderingen dateren uit het begin van de koloniale tijd. In de negentiende eeuw dienden schilderingen van het platteland ter illustratie van de ontwikkeling van de opkomende suikerindustrie. In de tweede helft van de negentiende eeuw waren er veel kunstenaars actief. Vaak vertrokken ze na het afronden van hun studie in Havana naar Europa voor vervolgopleidingen. Bekende kunstenaars waren Wilfredo Lam en Esteban Chartrand, die het schilderen van landschappen tot verdere ontwikkeling brachten.

    Voorlopers van de fotojournalistiek trokken rond met een kar om beelden vast te leggen van straathoeken, het platteland en belangrijke gebeurtenissen zoals branden, openluchtmissen en landverschuivingen en brachten zo een nieuwe specialiteit: de documentairefoto. Dergelijke afdrukken werden ‘Engelse kaarten’ genoemd en in Cuba werden ze algemeen bekend als “Tarjetones”; de afdruk werd op een kaartje geplakt met op de achterkant een korte beschrijving van het beeld.

    Aan het begin van Cuba’s Onafhankelijkheidsoorlog in 1895, was de fotografie al goed in de kranten vertegenwoordigd. Net als de foto’s uit de Tienjarige Oorlog waren de beelden van de oorlog van 1895 geposeerd en sereen. Het waren voornamelijk portretten van individuen of van militaire groeperingen. Belangrijke fotografen uit die tijd waren de Cubaanse broers José Manuel en José María Mora en Juan Bautista Valdés en Joaquín Blez.

    De jaren zeventig uit de twintigste eeuw waren een complexe, tegenstrijdige periode. Volgens het ideologische model had kunst voornamelijk een educatieve functie en jonge kunstenaars werkten in een officiële en voorgeschreven stijl. Met gevarieerde visuele middelen werd uitdrukking gegeven aan de Cubaanse identiteit, de voortgang van avant-garde bewegingen, inheemse en Afro-Cubaanse mythen, plattelandstradities en de stroming van de pop art.

    Havana is de stad met legendarische filmpaleizen. Jonge filmmakers keken naar de gevestigde kijkgewoonten van het publiek om tot een strategie te komen, met de ambitie – zowel in artistiek als maatschappelijk opzicht- om een revolutionair onderwerp te behandelen. De eerste politieke poster van de Cubaanse Revolutie werd ontworpen door grafisch ontwerper Eladio Rivadulla Martínez. Hij gebruikte als basis een foto van Fidel Castro die was genomen tijdens een interview van New York Times-journalist Herbert Matthews met de Cubaanse guerrillaleider in de bergen van de Siera Maestra, begin 1957. Dit resulteerde in Cuba in een (dringende) behoefte om door middel van posters, sociale, economische, ideologische en culturele programma’s bekend te maken. De meeste posters van hoge kwaliteit werden tussen de jaren 1965-1975 gemaakt. Deze periode wordt daarom ook gezien als de gouden eeuw van de Cubaanse posterkunst. Kunstenaars uit die tijd waren onder anderen Antonio Fernández Reboiro en Olivio Martínez.

    Het Groninger Museum toont met deze unieke overzichtstentoonstelling de ontwikkeling in de kunst en geschiedenis van Cuba. De tentoonstelling Cuba! Kunst en geschiedenis van 1868 tot heden werd georganiseerd door het Museum of Fine Arts, Montreal, in samenwerking met het Museo Nacional de Bellas Artes, Havana.

    Speciaal voor deze tentoonstelling verschijnt de uitgebreide, rijk geïllustreerde catalogus Cuba! Kunst en geschiedenis van 1868 tot heden, uitgegeven door Nai Publishers. Auteurs: Nathalie Bondil, Ernesto Cardet Villegas, Roberto Cobas Amate, Gerardo Mosquera, Jeff L. Rosenheim e.a.
    Vormgeving: Susan Marsh. ISBN: 978-90-5662-688-4. Prijs: € 45, –
    Gebonden en geïllustreerd, 424 pagina’s

    KEMP=MAG poetry magazine – magazine for art & literature

    Filed under: -N E W S & E V E N T S,Art & Poetry News 2009


    Galerie des Morts VIII

     Galerie des Morts VIII

    Tumulus Préhistorique

    De Rechte Heide – Goirle NL

    Photos: Kempis

    KEMP=MAG poetry magazine -  magazine for art & literature

    Filed under: EXHIBITION,Galerie des Morts


    « Continue reading

    Thank you for reading KEMP=MAG - KEMPIS POETRY MAGAZINE - magazine for art & literature