• INDEX
  • ABOUT US
  • LINKS
  • AGENDA
  •        HOME  


    New

    1. Aloysius Bertrand: L’écolier de Leyde
    2. Jacques Perk: O, noodlot!
    3. Gabriele D´Annunzio: I Poeti
    4. Mark Twain: Post-Mortem Poetry
    5. Gevelgedicht van Erik van Os in Hulten NB
    6. Expositie n.a.v. De Val van Albert Camus in ZINGERpresents Amsterdam
    7. Ed Schilders Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (3)
    8. P.C. Boutens: In eenzaamheid
    9. George Eliot: Count That Day Lost
    10. A case of identity: Doris
    11. Velimir Chlebnikov: Wind is song
    12. Edith Södergran: 3 poems
    13. Gedicht Ton van Reen: Lopen
    14. Lola Ridge: Broadway
    15. William Shakespeare: Sonnet 045
    16. Dutch Landscape: Trees
    17. Marcel Proust: Antoine Watteau
    18. Anton Chekhov: The Doctor
    19. A case of identity: Alice
    20. Willem Bilderdijk: Uitboezeming
    21. Franz Kafka: Ein Brudermord
    22. Delmira Agustini: Debout Sur Mon Orgueil Je Veux Montrer Au Soir
    23. Henry Wadsworth Longfellow: Twilight
    24. Gabriele D’Annunzio: 3 Poems
    25. Ed Schilders: Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (2)
    26. Gronama gedicht: Kantoren
    27. Studium Generale UU: De biografie, een wetenschappelijk en literair genre
    28. Hans Hermans photos: Montagne
    29. Art Gallery Christian Nagel in Antwerp
    30. Mark Twain: The Danger of Lying in Bed
    31. Amy Levy: A Greek Girl
    32. Masaoka Shiki: Tanka
    33. Sappho: Sleep, darling
    34. Charles Dickens: Lucy’s Song
    35. Marina Tsvetaeva: Conversation With A Genius
    36. Virginia Woolf: The Man Who Loved His Kind
    37. Jef van Kempen: Stairs
    38. Ed Schilders: Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (1)
    39. Boeken rond het Paleis 2010 in centrum Tilburg
    40. Nachrichten aus Berlin: Reflections 3
    41. Gabriele D’Annunzio: La Pioggia nel Pineto
    42. William Shakespeare: Sonnet 044
    43. Dylan Thomas: Vision and Prayer
    44. Tropenmuseum Amsterdam: Expositie Betsabeé Romero – Cars & Traces
    45. Willem Bilderdijk: Troostzang
    46. Mikhail Yuryevich Lermontov: 3 Poems
    47. Primo Levi: The Survivor
    48. J.-K. Huysmans: 10 – Ballade chlorotique (Le Drageoir aux épices)
    49. Multatuli: Idee Nr. 16
    50. Masaoka Shiki: In the coolness

    Categories

    1. -N E W S & E V E N T S
    2. EXHIBITION
    3. FICTION & NON-FICTION
    4. KEMP = MAG POETRY LIBRARY
    5. MUSEUM OF LOST CONCEPTS
    6. MUSEUM OF NATURAL HISTORY
    7. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
    8. STORY ARCHIVE
    9. ULTIMATE LIBRARY
    10. zone

    Archives

    1. September 2010
    2. August 2010
    3. July 2010
    4. June 2010
    5. May 2010
    6. April 2010
    7. March 2010
    8. February 2010
    9. January 2010
    10. December 2009
    11. November 2009
    12. October 2009
    13. September 2009
    14. August 2009
    15. July 2009
    16. June 2009
    17. May 2009
    18. April 2009
    19. March 2009
    20. February 2009
    21. January 2009
    22. December 2008
    23. November 2008
    24. October 2008
    25. September 2008
    26. August 2008
    27. July 2008
    28. June 2008
    29. May 2008
    30. April 2008
    31. March 2008
    32. February 2008
    33. January 2008
    34. December 2007
    35. November 2007

     

    1. Subscribe to new material: RSS

    Willem Kloos: 3 gedichten

    W i l l e m   K l o o s

    (1859-1938)


    O Dood-zijn, liggend in een kist


    O Dood-zijn, liggend in een kist, verterend
    Langzaampjes aan, o eeuwig-eenzaam stom
    Klein stil gelaat, op ‘t witte kussen, kerend,
    Schoon ‘t Liefste u smeken zoude, u nooit meer om.

    O, Mensdom, dat niet wil blijven stil lerend
    Van Uw-Zelfs innerlijkste Zelf, o dom,
    O, dom ja, daar ge u-zelf vernerend, krom,
    Moest buigen voor ‘t groot Zijn, dit Al beherend.

    ‘n Mens-leven is een heel traag sterven gaande
    Naar ‘t groot geheim, waarvoor elk wezen beeft,
    De dood, een grijns, die goedig steeds blijft slaande,

    Omdat de dood weet dat een ziel niet beeft
    Voor ‘t hoog-klaar triomfantelijkst Aanstaande,
    Daar al wat leeft waarachtig eeuwig leeft.

     

    Graf-Paleisje


    Ik maak van al de mensjes, die ik liefde,
    Beeldjes, die ‘k ópzet in mijn hersenkas, –
    Bleek en beweegloos, als gebootst uit was,
    Staan ze, – stil doden-huisje van mijn Liefde;

    En slag op slag, die dit mijn hart doorkliefde
    Is daar gegriffeld, aan de wand, in kras
    Bij kras van letters, die geen sterfling las
    Dan ik, – vreemd doden-boekje van mijn Liefde:

    Maar, midden in, prijkt hoog mijn Hart geheven,
    Glorie van doods-kou, met de haat en ‘t lieven
    Van ál dode uren, als een urn vol sintelen;

    En buiten-op staat in de poort gedreven:
    Laat nooit uw oog in andrer oog weertintelen,
    Want twee mensen-ogen liegen als twee dieven.

     

    Ik zal mooi dood-gaan

    Ik zal mooi dood-gaan, als een vlammend vuur,
    Dat ééns nog flikkerde in zijn schoonste gloed,
    Eer ‘t gans geblust was. Want als enig goed,
    Rest mij de schoonheid nog, een korte duur.

    Hoe zalig is dat nu, wanneer ik tuur
    Naar mijn gedachten in hun brede stoet,
    Die álle schoon zijn, en niet één die doet,
    Of zij wou vlieden uit Mijn hoog Bestuur.

    Wat is dat goed, de grote rust van God,
    De heerlijkheid eens kunst’naars, en ‘t geluk
    Van mens, verenigd in één ogenblik!

    Ik ben nu verder koud voor mijn aards lot:
    Der aarde vreugden sterven, maar ik druk
    Mij-zelf aan mijne borst, en lach noch snik.


    Willem Kloos: 3 gedichten

    kempis poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Kloos, Willem


    Kröller-Müller Museum Otterlo: De Beeldentuin

    Museum Kröller-Müller: De Beeldentuin

    (Nationaal Park De Hoge Veluwe – Otterlo)

    De verzameling van Museum Kröller-Müller is opgebouwd rond de omvangrijke collectie werken van Vincent van Gogh, één van de meest indrukwekkende overzichten van zijn oeuvre. Ook George Seurat, Pablo Picasso, Fernand Léger, Piet Mondriaan en veel andere kunstenaars zijn met belangrijke schilderijen vertegenwoordigd.
    Vanaf 1961 neemt ook de beeldentuin een belangrijke plek in. Hier wordt een unieke collectie sculpturen getoond. De beeldentuin geeft een overzicht van de ontwikkelingen in de beeldhouwkunst vanaf de 19e eeuw tot heden. Een wandeling door de beeldentuin van 25 hectare is een ware ontdekkingstocht. Op soms onverwachte plekken staat hier een unieke verzameling met onder andere beelden van Auguste Rodin, Henry Moore, Barbara Hepworth, Richard Serra en Jean Dubuffet. Twee paviljoens uit de jaren ’60 van Aldo van Eyck en Gerrit Rietveld sieren de tuin: juweeltjes uit de jaren ’60 die hier opnieuw een plaats hebben gekregen. De tuin is het hele jaar open en ademt ieder seizoen een andere sfeer.

     

    Beeldentuin Kröller-Müller Museum

    De beeldentuin van het Museum Kröller-Müller omvat werken van vele vooraanstaande nationale en internationale beeldhouwers onder meer van:
    Hans Aeschbacher met Grosse Figur I (1961) – Kenneth Armitage met Monitor (1961) – Jean Arp met Berger de nuages (1953) – Émile-Antoine Bourdelle met La grande Pénélope (1912) – Eugène Dodeigne met Homme et femme (1963) en Sept (1993) – Jean Dubuffet met Jardin d’émail (1974) – Sorel Etrog met Complexes of a young lady (1960/62) – Lucio Fontana met Concetto spaziale ‘Natura’ (1959-1960) – Otto Freundlich met Composition (1933/1961) – Dan Graham met Two adjacent pavillions (1978/2001) – Emilio Greco met La Grande Bagnante nr. 3 (1957) – Barbara Hepworth met o.a. Squares with two circles (1963-1964), Dual form (1965) en Sphere with inner form (1963) – Phillip King met o.a. Brake (1966) en Open bound (1973) – Jacques Lipchitz met Le cri (Le couple) (1928-1929) en Le chant des voyelles (1931-1932) – Aristide Maillol met L’Air (1939/1962) – Marcello Mascherini met Ritratto di Franca (1952) – Umberto Mastroianni met La conquista (1954) en Picadores (1965) – Henry Moore met Animal head (1956) en Two-piece reclining figure II (1960)( buiten het beeldenpark -aan de Wildbaan nabij het museum- bevindt zich de beeldengroep Three upright motives) (1955-1956, 1965) – François Morellet met La plate-bande (1988) – Isamu Noguchi met The Cry (1959-1961/1962) – Claes Oldenburg met Trowel (1971), buiten het beeldenpark Marta Pan met Sculpture flottante, Otterlo (1960-1961) en Amphithéâtre (2007) – Eduardo Paolozzi met St. Sebastian III (1958) en Medea (1964) – Constant Permeke met Niobe (1951) – George Rickey met Two vertical, three horizontal lines (1965-1966) – Auguste Rodin met Femme accroupie (1882) – Ulrich Rückriem met o.a. Kubus (gespalten) (1971) en Dolomit (geschnitten) (1974) Richard Serra met Spin out, for Robert Smithson (1972-1973) en One (1988) – Piet Slegers met Landschaps-Zonneproject (1979) en Everzwijn (1958) – Kenneth Snelson met Needle tower (1968) – Evert Strobos met Pallisade (1973/1991) – Mark di Suvero met K-piece (1972) – Carel Visser met o.a. Kubus en zijn stapeling (1967) en Pleinbeeld (1998) – André Volten met o.a. Zuil (1968) en Kubische constructie (1968) – Magdalena Wiecek met Close to the Earth (1968) – Fritz Wotruba met o.a. Stehende figur (1958-1959) en Hockende figur (1950-1951) en vele anderen.
    De architectuur is in het park vertegenwoordigd met twee expositiepaviljoens, het Aldo van Eyck-paviljoen van Aldo van Eyck en het Rietveld-paviljoen van Gerrit Rietveld.

     

    KEMP=MAG – kempis poetry magazine – magazine for art & literature

    photos: kemp=mag 2009

    Filed under: EXHIBITION,Dutch Landscapes,EXHIBITION,K=M Art Gallery


    Monica Richter: Gesicht im Wald -6

    Monica Richter: Gesicht im Wald -6

    kempis poetry magazine

    Filed under: EXHIBITION,Monica Richter,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,MODERN POETRY,Richter, Monica


    Heinrich Heine: Gespraech auf der Paderborner Heide

    H e i n r i c h   H e i n e

    (1797-1856)

     

    Gespraech auf der Paderborner Heide

     

    Hoerst du nicht die fernen Toene,

    Wie von Brummbass und von Geigen?

    Dorten tanzt wohl manche Schoene

    Den gefluegelt leichten Reigen.

     

    "Ei, mein Freund, das nenn ich irren,

    Von den Geigen hoer ich keine,

    Nur die Ferklein hoer ich quirren,

    Grunzen nur hoer ich die Schweine."

     

    Hoerst du nicht das Waldhorn blasen?

    Jaeger sich des Weidwerks freuen;

    Fromme Laemmer seh ich grasen,

    Schaefer spielen auf Schalmeien.

     

    "Ei, mein Freund, was du vernommen,

    Ist kein Waldhorn, noch Schalmeie;

    Nur den Sauhirt seh ich kommen,

    Heimwarts treibt er seine Saeue."

     

    Hoerst du nicht das ferne Singen,

    Wie von suessen Wettgesaengen?

    Englein schlagen mit den Schwingen

    Lauten Beifall solchen Klaengen.

     

    "Ei, was dort so huebsch geklungen,

    Ist kein Wettgesang, mein Lieber!

    Singend treiben Gaensejungen

    Ihre Gaenselein vorueber."

     

    Hoerst du nicht die Glocken laeuten,

    Wunderlieblich, wunderhelle?

    Fromme Kirchengaenger schreiten

    Andachtsvoll zur Dorfkapelle.

     

    "Ei, mein Freund, das sind die Schellen

    Von den Ochsen, von den Kuehen,

    Die nach ihren dunkeln Staellen

    Mit gesenktem Kopfe ziehen."

     

    Siehst du nicht den Schleier wehen?

    Siehst du nicht das leise Nicken?

    Dort seh ich die Liebste stehen,

    Feuchte Wehmut in den Blicken.

     

    "Ei, mein Freund, dort seh ich nicken

    Nur das Waldweib, nur die Lise;

    Blass und hager an den Kruecken

    Hinkt sie weiter nach der Wiese."

     

    Nun, mein Freund, so magst du lachen

    UEber des Phantasten Frage!

    Wirst du auch zur Taeuschung machen,

    Was ich fest im Busen trage?


    Heinrich Heine poetry

    kempis poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Heine, Heinrich


    Galerie Anita Berber – 8

     

    Galerie Anita Berber – 8

    Anita Berber (June 10, 1899 – November 10, 1928) was a German dancer, actress and writer. Anita Berber was painted by many artist, among them Otto Dix
    Her lover was dancer Sebastian Droste. In 1922, Berber and Droste published a book of poems, photographs, drawings: KokainBerber’s cocaine addiction and bisexuality were matters of public chatter. She was allegedly the sexual slave of a woman and the woman’s 15-year-old daughter. She could often be seen in Berlin’s hotel lobbies, nightclubs and casinos, naked apart from a sable wrap and a silver brooch filled with cocaine. Besides being a cocaine addict, she was an alcoholic.

    Anita Berber died of tubercolosis, at the age of 29, on November 10, 1928 in a Kreuzberg hospital and was buried at St. Thomas cemetery in Neukölln.
    In 1987 film Rosa von Praunheim made a film titled: Anita – Tänze des Lasters.

     

    kempis poetry magazine – magazine for art & literature

    Filed under: EXHIBITION,Anita Berber,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,EXPERIMENTAL POETRY,Berber, Anita


    Victor Hugo: Au Peuple

     

    V i c t o r   H u g o

    (1802-1885)

     

    Au peuple

    Il te ressemble ; il est terrible et pacifique.
    Il est sous l’infini le niveau magnifique ;
    Il a le mouvement, il a l’immensité.
    Apaisé d’un rayon et d’un souffle agité,
    Tantôt c’est l’harmonie et tantôt le cri rauque.
    Les monstres sont à l’aise en sa profondeur glauque ;
    La trombe y germe ; il a des gouffres inconnus
    D’où ceux qui l’ont bravé ne sont pas revenus ;
    Sur son énormité le colosse chavire ;
    Comme toi le despote il brise le navire ;
    Le fanal est sur lui comme l’esprit sur toi ;
    Il foudroie, il caresse, et Dieu seul sait pourquoi ;
    Sa vague, où l’on entend comme des chocs d’armures,
    Emplit la sombre nuit de monstrueux murmures,
    Et l’on sent que ce flot, comme toi, gouffre humain,
    Ayant rugi ce soir, dévorera demain.
    Son onde est une lame aussi bien que le glaive ;
    Il chante un hymne immense à Vénus qui se lève ;
    Sa rondeur formidable, azur universel,
    Accepte en son miroir tous les astres du ciel ;
    Il a la force rude et la grâce superbe ;
    Il déracine un roc, il épargne un brin d’herbe ;
    Il jette comme toi l’écume aux fiers sommets,
    Ô peuple ; seulement, lui, ne trompe jamais
    Quand, l’oeil fixe, et debout sur sa grève sacrée,
    Et pensif, on attend l’heure de sa marée.

     

    Victor Hugo poetry

    kempis poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Hugo, Victor


    Ton van Reen: Den Heer die schiep een schon mals wijf

     

    DEN  HEER  DIE  SCHIEP

    EEN  SCHON  MALS  WIJF

     door Ton van Reen


    Mijn grootmoeder verkocht turf op de markt in Den Bosch. Ze was een schippersdochter uit Veghel. Haar vader Jan van Asperen had er ook nog een keuterboerderijtje bij, met schrale grond en weinig mest: de keutels van een paar geiten en soms, als het in een jaar meezat, wat dunne stront van een kuuske en een hoop schijt van de hengst die de schuit trok, maar in de magere jaren, als het paard meer vrat dan het opbracht en verkocht moest worden aan een paardenslager uit Den Bosch of Antwerpen, werd het turfschip getrokken door de drie dochters en de jonge zoon van Jan. Kinderarbeid, slavenarbeid, er zijn geen goede woorden voor de uitbuiting van kinderen, veroorzaakt door armoede. Maar zoals het gezin Van Asperen leefden er in de negentiende eeuw duizenden gezinnen in Brabant en de Peel. Schippers, fabrieksarbeiders en boerenknechten, uit eigen bedrijf viel weinig boter te karnen, van hun bazen kregen ze allemaal hongerlonen en door de geestelijken werden ze, vanwege hun armoede die een straf moest zijn van God voor gedaan kwaad, voor zonden die ze in de toekomst zouden gaan doen of voor de zonden van hun ouders, gezien als brandhout voor de hel. Een aantal jaren lang moet vader Jan een klein turfveldje hebben gehad in de Peel, ter grootte van een half huisweitje, maar dat werd hem afgenomen door de gemeente Deurne die aan de heren van der Griendt al in 1853 610 ha veengrond verkocht. Dezelfde heren, uitbaters van het veen en uitbuiters van de veenarbeiders, kochten er nog wat lappen grond bij, zoals in 1885 van de gemeente Horst in één koop 410 ha, en verjoegen zo de kleine turfstekers en de scharrelaars die turfstrooisel voor in de stallen verkochten uit de veenwinning, om al het goud van de Peel in eigen zak te steken. Alle inkomsten van de familie Van Asperen bij elkaar geteld moet niet veel meer dan drie keer een halve cent zijn geweest, dus armoe troef. Al was het mijn grootmoeder Adriana, zeg maar Jaantje, ondanks alle ontbering zelf niet zo opgevallen toen ze jong was, want bijna iedereen was arm, en schrikkelijke armoe valt net zo goed te verdelen als puissante rijkdom. En als je samen arm bent, maar heel veel schik hebt met mekaar, dan valt de ellende te verdragen. In onze dagen is er heel veel armoede die erger is. De geestelijke armoede die van de ontevreden tronies druipt van mensen die alles al hebben maar altijd bang zijn dat hen tekort wordt gedaan en daarom op Wilders stemmen, lijkt me erger dan de materiële armoede van de negentiende-eeuwse klotboertjes en hun keindertjes. Als ze al eens in de put zaten, omdat uit een lege errepelpan niks te delen valt, hadden ze in ieder geval hun schon liedekens, om aan de mismoed te ontsnappen. Volkse deuntjes, centsliedjes over de gebeurtenissen van hun tijd die breed werden uitgemeten door de kermismuzikanten die ‘uit het leven gegrepen’ liedjes zongen, moordliedjes zoals over de moord in Raamsdonk waarin uit de doeken werd gedaan hoe een stel rovers een gezin hadden uitgemoord.

    En toen mèn was naor bed gegaon, toen klomme de schèlleme dur ’t schijthuisroam. De vrouw die wierd van bèd gesleurd en in de lèngte dur gescheurd. D’n ènne moordenaor trok z’n mes, en gaof hurre mens een steek of zes. En ’t jongste keind van allemaol, dreef in z’n bloed door ’t gangportaol. Mèr de schout van Raamsdonk lang nie mis, die viet ze bij hun verdommenis. De rechter zee, ’t is hun lot, hangt ze mer op, schon aon de haok, op ’t schavot.’

    En als de vastentijd aanbrak, zongen de meiskes Van Asperen en de andere durskes uit hun straotje over de vastenaovend en hadden ze feest om een stuk brood met reuzel en spekskes, maar niet te royaal, want in de holle kelders en op de lege zolders van de boerderijtjes van de boerenschipperkes stierven de muizen al vroeg in het jaar van de honger.

    Vrouwke, ’t is vastenaovend, ik kom niet thuis vur t’aovend. T’aovend in de maoneschèn, ès ons va en ons moe naor bèd toe zèn. Dan danse wij op ons klompe, van zimpe zampe zompe. Moeder ik heb niks te ete gehad, dan snijde mer ’n stuk van ’t verreke z’n gat. Mer ’t verreke z’n gat is toegevrorre, Jantje hè z’n mèske verlorre. Kinnebakspek, kinnnebakkerij, gèf me ‘nne cent dan gaoi ik vurbij.’

    Elke dag zongen de drie zussen Van Asperen en hun broertje de liedjes uit de Peel, de Kempen en de Meierij, vaak sarcastische levensliedjes of dubbelzinnige smartlappen vol venijnig commentaar op de samenleving en met veel doordenkers, deuntjes die ze in de herbergen langs de trekvaarten en gewoon bij hun eigen grootmoeder thuis hadden gehoord. Daar heb ik persoonlijk nog heel veel deugd van, want grootmoeder Jaantje heeft ze me ze nog allemaal geleerd voordat ik dertien was en zij van Gods lip de eeuwigheid in werd geblazen. Tegenwoordig zing ik ze voor aan mijn kleinkinderen, die er waarschijnlijk pas wat van zullen snappen als ik zelf door de wind naar de wolken ben gewiegd.

    Als schrijver krijg ik nog altijd een warm gevoel van het lied van d’n Vagebond, een man die schijt heeft aan alles, zoals een kunstenaar ook schijt hoort te hebben aan alles en iedereen om zijn eigen gang te kunnen gaan en eerlijk tegen zichzelf te kunnen blijven.

    Als vagebond bin ik gebaore, m’n ouwers heb ik nòit nie gekend, ik heb nòit niks gehad en nòit niks verlore, ik lij honger en dorst, dè zei ik gewend. Zo gaoi ik de straote op en en langs donker weege, zo zwerf ik rond gelijk ‘nne hond, ik zij en ik blijf ‘nne vagebond. De honde blaffe me al teges, mer ze bijte me nie want ik wor net zo geslaoge, ik bin ok ‘nne hond net als zij. ‘t Deftig volk hi mè nie gèère, ze zien me immers nog nie staon, mèr ik vèèg me gat aan rijke heere, ik bin toch mer ‘nne vaogebond. Ik tèl vur niks of niemand wa, want vur wie zou ik toch moete wèrke, ik heb gin keinder en gin vrouw, ik bin vrij en ik bin blij, ik bin en ik blijf ‘nne vagebond.’

    En het schone liedeke dat een loopje neemt met alle roomse preutsheid en de kwezeltjes te kakken zet.

    Er was ereis een nonneke faain, dat wilde bij geen mènse zaain. Het woonde in ‘n huiske allene, en ’t zag nooit nie ‘nne mens, nooit ene. En toen kwam er ‘nne engel aan de deur. O heiligen engel van waor komde gaai? Mijnen naom is Gabriël, da witte gaai. Onze heer gebiedt me vanwege mijne luste, da ik vannacht bij u mot komme ruste. En dat dè nonneke en dien engel, op Gods bevel elkaore toen kuste, da witte waai.’

    Maar ze zong ook van harte de Hollandse liedjes, die door de Rotterdamse schippers meegenomen waren naar het Brabantse kanalenvolk en hun eigen versies vonden op toedems en spinningen.

    Daar liep een oude vrouw op straat, Juttekei juttekei juttekei-sasa, en waar die oude vrouw ook liep, Juttekei, juttekei, juttekei-sasa, vergat zij haar witte mutsje niet, juttekei-sasa.’ Het deuntje klinkt wel vrolijk maar waarschijnlijk is het een liedje geweest om oude wijven te pesten, want Jut betekent gek oud wijf. Als je zegt: dat stelletje lijkt op Jut en Jul, bedoel je, het zijn net twee halve garen.

    Jan Huygen in de ton, met een hoepeltje erom, Jan Huygen, Jan Huygen, en de ton die viel in duigen.’ Het klinkt als een lief liedje, maar het tegendeel is waar. Jan Huygen had wat uitgevreten waarvoor hij de doodstraf had verdiend. Ze stopten hem in een ton vol spijkers, smeedden er een hoepeltje om zodat hij er niet meer uit kon, rolden hem de stad door en gooiden hem met ton en al van de stadsmuur af. Lekkere jongens waren dat in de middeleeuwen en mooie liedjes hebben ze ons nagelaten!

    Dat gaat naar Den Bosch toe, zoete lieve Gerritje,’ zong ze ook wel eens, maar meestal hield ze er na twee regels mee op, want dan kwamen bij haar de herinneringen terug aan alles wat ze in Den Bosch had beleefd en daar was weinig zoet en lief bij. Ze had een uitgesproken hekel aan Den Bosch, waar ze vaak met hun met turf beladen schuit naartoe trokken, ook al had ze er veul liedekens gezongen in de herbergen, begeleid door de muziek van trekzakken en de violen van de zigeuners en de vellenkopers die net als de turfhandelaren in de goedkoopste lokalen logeerden, als ze al niet buiten onder een zeiltje tussen de turven bleven slapen.

    Te veul erm mènse,’ zei Jaantje. ‘Maogere keinder en kefees vol erme sloebers die aon de zuip woare, umdè ze de honger van hun keinder nie konde aanschouwen’.

    Als ze de turf niet konden slijten, omdat er te veel kleine handelaren uit de Peel op een kluitje stonden, en omdat de rijke heren en madammen in de herenhuizen overgingen op stadsgas, steenkool, nootjes antraciet en briketten, trokken ze de schuit door de Langstraat naar Rotterdam. Daar lag haar hart. Van die toen al internationale stad hield ze veel. Er was leven in de brouwerij en ze waren er vreemd volk gewend, dus keken de wereldburgers uit Rotterdam op niemand neer. In Den Bosch was dat anders. De patriciërs, die allemaal goed rooms waren en gezegend met van God verkregen voorspoed, hadden vooral minachting voor het arme volk waar God minder zorg voor droeg omdat het spiritus dronk en hun dochters bij gebrek aan duiten voor hoer liet spelen in de herbergen waar de schippers van Dommel en Dieze, Maas en Zuid-Willemsvaart hun nachten doorbrachten. En waar de soldaten van de forten die bedoeld waren om opstandige Belgen op hun sodemieter te geven, mochten die ooit het lef hebben om op te trekken tegen Holland, hun soldij stuksloegen op de billen van de Bossche deernen. Met die soldaten en schippers meegeteld was het toch vooral arm volk dat de stad Den Bosch bevolkte, ook al vind je daar weinig over bij de historici die het gewoonlijk over de pracht en praal hebben en over de roomse zegeningen, kortom over de welvaart die slechts was weggelegd voor de kleine bovenlaag van aristocraten en de bestuurlijke laag van de clerus; tenslotte was Den Bosch een bisschopsstad. En naast dat bovenvolk had je nog de rijke kooplieden, die zoveel geld overhielden aan zwarte handel, het uitzuigen van kleine huurders en het onmenselijk laag belonen van arbeiders dat ze persoonlijk dure glas-in-lood-ramen konden schenken aan de Sint Jan bij de zoveelste restauratie van dit door de eeuwen heen altijd kreupel gebleven bouwwerk waaraan tot het einde der dagen gerestaureerd moet worden.

    Veul errum volluk dat nergens nie um mèètelde,’ zei mijn grootmoeder. Bovendien zei ze vaak dat in de herbergen in Den Bosch de vlooien zo dik waren als muizen en dat ze er ’s ochtends bij het ontbijt alleen maar beschuitenpap met waterige melk kregen. Bossche bollen had ze er nooit gezien.

    Den Bosch was op het eind van de negentiende eeuw, toen mijn grootmoeder turf langs de deuren ventte, soms met de hondenkar, weggezakt in de roem van zijn eigen geschiedenis. De stad was ingedikt tot een aantal straten met een inteeltkliek van rijke burgers en voor de rest wat wijken met paupers en habenichts. Den Bosch, dat de navel van de Nederlanden had kunnen zijn, teerde in en rekende zich rijk met de Sint Jan, de nalatenschap van Jeroen Bosch en de faam van de Bossche bollen. Het restaureerde haar geschiedenis toen katholieken in 1853 godsdienstvrijheid kregen, de Sint Jan op de protestanten werd teruggevorderd en men zich wentelde in het besef dat God zelf de standen had uitgevonden en dat het noodzakelijk was dat er arme mensen waren, om de rijken de kans te geven door aalmoezen en goede werken: lees door hongerlonen te betalen en pannetjes soep uit te reiken, de hemel te verdienen. En dat het vooral voor altijd zo moest blijven

    In het boek ‘Zij maakten Brabant katholiek’, schreef Dr. J. Peijnenburg pr. in dikke woorden over ‘De man der Voorzienigheid’, Mgr. Joannes Zwijsen, de bisschop die een gruwelijke pest had aan de liberalen die in opkomst waren, maar nog meer aan het socialisme dat aan de rafelranden van de stad begon te knagen. De bisschop had zich persoonlijk toegewijd aan de verering van Maria’s Onbevlekte Ontvangenis. Hij moet er veel natte dromen over hebben gehad, maar hij zal hebben gedacht dat het bekoringen van de duivel waren, die vooral de kop opstaken na het nuttigen van enkele flessen wijn van het eiland Samos. Zijn hulpbisschop Johannes Deppen was titulair bisschop van het Griekse wijneiland. Deppen schreef alle pastoors van het bisdom Den Bosch voor dat ze alleen nog wijnen van Samos als miswijn mochten gebruiken, wat hem een mooi profijt in de wijnhandel opleverde. Samen gaven de monseigneurs richting aan de zeloten van het geloof die heel Brabant wilden schenken aan Christus, maar dan wel soort bij soort wilden houden, stand bij stand, iedere gelovige in de stal van zijn eigen stand en de onwetende schapen van de achterbuurten het liefst in een grote kudde die door enkele roomse herdershonden makkelijk te controleren was. Behangen met ridderordes en onderscheidingen van koning Willem de Derde, die er in Brabant vrolijk op los neukte, en van de paus die als wereldlijk heerser in die jaren een grote oorlog voerde ter verdediging van zijn Kerkelijke Staat, een strijd waar Brabantse en Limburgse boerenjongens in het potsierlijke uniform van de zouaven nutteloos het leven lieten of de kopziekte kregen wat betekent dat ze gek werden, schreef Zwijsen zijn vastenbrieven. Daarin riep hij de gelovigen op slechte boeken en bladen te mijden, te weten alle lectuur die aan de arbeiders, knechten en geknechten duidelijk maakte dat zij ook als mens rechten hadden tijdens dit leven en niet alleen later in de hemel, en dat ze mochten eisen dat ze met hun werk hun dagelijks brood voor hen en voor hun keinders konden verdienen. Dat was opruiende taal in de ogen van de Nederlandse bisschoppen die doodsbang waren dat liberalisme en socialisme de eenheid van de roomse kudde kon ondermijnen. Ze hebben gelijk gekregen.

    Zo was het in Den Bosch in de tijd dat mijn grootmoeder Jaantje en haar zussen, Anna en Trui, en broertje Hendrik op de markt en in de straten met deftige herenhuizen stonden te blauwbekken omdat ze de turven niet verkocht kregen. Jaantje heeft er een gloeiende hekel aan bloedzuigers en parasieten aan over gehouden, een haat die ze aan mij, door mij haar liedekens voor te zingen en haar vertelselkes te vertellen, heeft doorgegeven. Met z’n vieren moeten ze daar hebben gestaan, in de kou van november, drie meiskes en een jungske, tussen de tien en de zestien, geen cent te makken, verdwijnend in het donker, de nacht in elkaars armen doorbrengend tussen de pakken turf, bang dat arme sloebers uit de grauwe straatjes, die tegenwoordig zo pittoresk gerestaureerd zijn, gedurende de nacht de turven kwamen jatten om hun eigen botten te verwarmen. Koude nachten onder de ramen die warmte uitstraalden, vensters in glas in lood waarachter de bisschoppen van Den Bosch hun wijnen van het eiland Samos dronken en naar de witte rook van hun deftige in kistjes van sandelhout bewaarde Koning Willem Twee sigaren staarden, tevreden over Gods Voorzienigheid die hen in zo’n luxe positie had gebracht.

    Blauwbekkend van de kou heeft Jaantje nooit van de schoonheid van de oude stad genoten. Door de kommer van het bestaan, heeft ze er geen oog voor gehad. Ze zal al dat fraais niet gezien hebben, zeker niet toen vader Jan vroeg stierf aan moeraskoorts – wat later de Nederduitse malaria werd genoemd en waaraan tien procent van de veenbewoners in Nederland stierf, kortom een heel normale dood in die tijd voor mensen in de Peel – en de turfhandel aan zijn vier te jonge keinder overliet, en ze de zorg kregen voor hun moeder Antonia, geboren Van Kilsdonk, die de kolder in de kop had gekregen door het verdriet over het verlies van haar man en de eeuwig schrijnende armoede.

    Om warm te blijven zullen ze nog wel een paar liedjes hebben gezongen om de moed erin te houden, misschien om door zo´n voornaam raam een cent aalmoes aangereikt te krijgen omdat ze zo mooi zongen, of om op te hoepelen.

    We han bè ons op stal, zo’n maoger kuuske staon. Dè beeske moes vur geld eweg, saome zin we nao de mèrt gegaon. Me kuuske ha zo’n schik, nè zo’n schik als ik. De kooplui kèèke van kop toe stert, mèr ons maoger kuuske was winnig wèrd. Vijftien gulde kreeg ik van de slachter, en me kuuske ha zo’n schik, nè zo’n schik als ik. Mèt me duite bèn ik naor ’t kefee gegaon, dao liet ik om m’n kuuske toen ’n dikke traon. Mer ik werd getroost door dikke Miek, met dikke Miek was ik dikke mik en ik had zo’n schik, zo’n schik. We hadden zo’n schik, ik mè dikke Miek en me kuuske op ‘t sesiesfabriek. Tot me geld op was en ik allenig buiten ston. Ik kon wel janken want me kuuske was sesies. En in m’nne stal vond ik van mèn kuuske allenig nog wa stront.’

    En om de moed erin te houden, en misschien ook wel om het humeur van de heren bisschoppen op te vrolijken, hebben de meiskes en het jungske zeker het lied van de schepping gezongen, waarvan mijn grootmoeder nog vele strofen kende die ik al lang weer vergeten ben, maar waarvan de boodschap was dat de mens niet op aarde is om een allenige ziel te blijven.

    Toen op d’n ursten scheppinsgsdag, d’n dauw nog op de werreld lag, ’t parredijs dat was ‘nne tuin, mee dikke bonne, mee slaoj en ajuin, ’t stond er ammel èven schon, van boeremoes tot flodderbon. De groten heer die zee er dan, ge zult nou vort hier wone man, ge kant hier krèk doen wa ge wilt, ik denk dat gij oe niet vervilt. En as gij appels of pèère lust, dan vatte gij die mèr gerust. Mèr van dizze boom d’r blijfde af, want anders graoft gij oew eige graf. Mer Adam zee, ‘ik ben ginne paoter, de bok lopt mee de geit door ’t groen, de katte maowe naor ‘nne kaoter, en ik hè hillemaol niks te doen.’ Toen snee d’n heer ’n rib uit Adams lijf, en schiep ervan ’n schon mals wijf.’

    Ton van Reen: Den heer die schiep een schon mals wijf

     

    kempis poetry magazine

    Filed under: FICTION & NON-FICTION,FICTION: SHORT STORIES,Reen, Ton van,FICTION & NON-FICTION,BOOKS,Ton van Reen


    Alfred Lord Tennyson: Adeline

    Alfred Lord Tennyson

    (1809-1892)

     

    A d e l i n e

    1

    Mystery of mysteries,

    Faintly smiling Adeline,

    Scarce of earth nor all divine,

    Nor unhappy, nor at rest,

    But beyond expression fair

    With thy floating flaxen hair;

    Thy rose-lips and full blue eyes

    Take the heart from out my breast.

    Wherefore those dim looks of thine,

    Shadowy, dreaming Adeline?

     

    2

    Whence that aery bloom of thine,

    Like a lily which the sun

    Looks thro’ in his sad decline,

    And a rose-bush leans upon,

    Thou that faintly smilest still,

    As a Naiad in a well,

    Looking at the set of day,

    Or a phantom two hours old

    Of a maiden passed away,

    Ere the placid lips be cold?

    Wherefore those faint smiles of thine,

    Spiritual Adeline?

     

    3

    What hope or fear or joy is thine?

    Who talketh with thee, Adeline?

    For sure thou art not all alone:

    Do beating hearts of salient springs

    Keep measure with thine own?

    Hast thou heard the butterflies

    What they say betwixt their wings?

    Or in stillest evenings

    With what voice the violet woos

    To his heart the silver dews?

    Or when little airs arise,

    How the merry bluebell rings

    To the mosses underneath?

    Hast thou look’d upon the breath

    Of the lilies at sunrise?

    Wherefore that faint smile of thine,

    Shadowy, dreaming Adeline?

     

    4

    Some honey-converse feeds thy mind,

    Some spirit of a crimson rose

    In love with thee forgets to close

    His curtains, wasting odorous sighs

    All night long on darkness blind.

    What aileth thee? whom waitest thou

    With thy soften’d, shadow’d brow,

    And those dew-lit eyes of thine,

    Thou faint smiler, Adeline?

     

    5

    Lovest thou the doleful wind

    When thou gazest at the skies?

    Doth the low-tongued Orient

    Wander from the side of the morn,

    Dripping with Sabsean spice

    On thy pillow, lowly bent

    With melodious airs lovelorn,

    Breathing Light against thy face,

    While his locks a-dropping twined

    Round thy neck in subtle ring

    Make a ‘carcanet of rays’,

    And ye talk together still,

    In the language wherewith Spring

    Letters cowslips on the hill?

    Hence that look and smile of thine,

    Spiritual Adeline.

     

    Alfred Lord Tennyson poetry

    kempis poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Tennyson, Alfred Lord


    Kröller-Müller Museum Otterlo: Het Museum

    MUSEUM  KRÖLLER-MÜLLER:  HET  MUSEUM

    (Nationaal Park De Hoge Veluwe – Otterlo)

    De verzameling van het museum is opgebouwd rond de omvangrijke collectie werken van Vincent van Gogh, één van de meest indrukwekkende overzichten van zijn oeuvre. Ook George Seurat, Pablo Picasso, Fernand Léger, Piet Mondriaan en veel andere kunstenaars zijn met belangrijke schilderijen vertegenwoordigd.
    Vanaf 1961 neemt ook de beeldentuin een belangrijke plek in. Hier wordt een unieke collectie sculpturen getoond. De beeldentuin geeft een overzicht van de ontwikkelingen in de beeldhouwkunst vanaf de 19e eeuw tot heden. Een wandeling door de beeldentuin van 25 hectare is een ware ontdekkingstocht. Op soms onverwachte plekken staat hier een unieke verzameling met onder andere beelden van Auguste Rodin, Henry Moore, Barbara Hepworth, Richard Serra en Jean Dubuffet. Twee paviljoens uit de jaren ’60 van Aldo van Eyck en Gerrit Rietveld sieren de tuin: juweeltjes uit de jaren ’60 die hier opnieuw een plaats hebben gekregen. De tuin is het hele jaar open en ademt ieder seizoen een andere sfeer.

     Museumcollectie Museum Kröller-Müller

    Het Museum Kröller-Müller herbergt een wereldberoemde collectie schilderijen en tekeningen van Vincent van Gogh. Daarnaast is er een belangrijke collectie moderne en hedendaagse kunst waaronder ruim 400 werken (internationale avantgarde uit de jaren ’60 tot heden) uit de voormalige collectie Visser. Waaronder werken van Anselm Kiefer, Richard Long en Ellsworth Kelly.

    In 2005 werd een legaat, bestaande uit 28 werken uit de nalatenschap van Rudi van Deventer aanvaard.

    Verder zijn er werken van onder meer:Hans Baldung Grien, Rudolf Belling, Joseph Beuys, Constantin Brâncuşi, Lucas Cranach de Oude, Pieter Claesz ,Theo van Doesburg, James Ensor, Juan Gris, Isaac Israëls, Bart van der Leck, Fernand Léger, Marino Marini, Piet Mondriaan, Pablo Picasso, Odilon Redon, Kurt Schwitters, Georges Seurat, Charley Toorop, Jan Toorop en herman de vries.

     

    KEMP=MAG – kempis poetry magazine – magazine for art & literature

    photos: kemp=mag 2009

    Filed under: EXHIBITION,K=M Art Gallery


    Kurt Schwitters: Untergrundgedicht

    K u r t   S c h w i t t e r s

    (1887-1948)

     

    U n t e r g r u n d g e d i c h t

    Häuser augen Millionen peitschen Lampen
    Fenster beißen Augen
    Brüllen Licht die Untergrundbahn Zähne
    Deutsche Tageszeitung rodelt und Musik (bester Schuputz)
    Additionsmaschinen wirren Zahlen, Gartenstadt
    Lieder zarten die Kanonen Gold (ärztlich empfohlen)
    Fenster leben ohne Licht erstarren
    Ohne Kohle holzt das Glas
    Flamme glast
    Brüllen beißen Licht die Fenster
    Flamme glast die Flamme
    Häuser augen Millionen funken Lampen
    Und die Flamme holzen Kohle brüllt das Licht.
    (Bei Andrang in den Mittelgang treten.)
     

    Poem of the week – September 27, 2009

    kempis poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,POEM OF THE WEEK,Archive 2009,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,EXPERIMENTAL POETRY,Schwitters, Kurt


    Monica Richter: Gesicht im Wald -5

    Monica Richter: Gesichte im Wald -5

    kempis poetry magazine

    Filed under: EXHIBITION,Monica Richter,KEMP = MAG POETRY LIBRARY,MODERN POETRY,Richter, Monica


    Gerard Manley Hopkins: 2 Poems

    Gerard Manley Hopkins

    (1844-1889)

     

    Inversnaid

    This darksome burn, horseback brown,
    His rollrock highroad roaring down,
    In coop and in comb the fleece of his foam
    Flutes and low to the lake falls home.

    A windpuff-bonnet of fawn-froth
    Turns and twindles over the broth
    Of a pool so pitchblack, fell-frowning,
    It rounds and rounds Despair to drowning.

    Degged with dew, dappled with dew,
    Are the groins of the braes that the brook treads through,
    Wiry heathpacks, flitches of fern,
    And the beadbonny ash that sits over the burn.

    What would the world be, once bereft
    Of wet and wildness? Let them be left,
    O let them be left, wildness and wet;
    Long live the weeds and the wilderness yet.

     

    I wake and feel the fell of dark

    I wake and feel the fell of dark, not day,
    What hours, O what black hours we have spent
    This night! what sights you, heart, saw; ways you went!
    And more must, in yet longer light’s delay.
    With witness I speak this. But where I say
    Hours I mean years, mean life. And my lament
    Is cries countless, cries like dead letters sent
    To dearest him that lives alas! away.

    I am gall, I am heartburn. God’s most deep decree
    Bitter would have me taste: my taste was me;
    Bones built in me, flesh filled, blood brimmed the curse.
    Selfyeast of spirit a dull dough sours. I see
    The lost are like this, and their scourge to be
    As I am mine, their sweating selves; but worse.

     

    Gerard Manley Hopkins poetry

    kempis poetry magazine

    Filed under: KEMP = MAG POETRY LIBRARY,CLASSIC POETRY,Hopkins, Gerard Manley


    « Continue reading

    Thank you for reading KEMP=MAG - KEMPIS POETRY MAGAZINE - magazine for art & literature