.jpg)
D a n i i l K h a r m s
(1905-1942)
Rehabilitierung
Ohne angeben zu wollen, kann ich sagen, daß ich Volodja, als er mir eine aufs Ohr gehauen und mir ins Gesicht gespuckt hatte, so erwischt habe, daß er es nie vergessen wird. Erst danach habe ich ihm den Primuskocher drübergehauen, und mit dem Bügeleisen habe ich ihn erst gegen Abend geschlagen. So daß er also keineswegs gleich tot war. Daß ich ihm das Bein dann am Tage abgeschnitten habe, ist kein Beweis. Zu der Zeit hat er noch gelebt. Und Andrjuscha habe ich einfach aus Trägheit erschlagen, das kann ich mir nicht zum Vorwurf machen. Warum sind Andrjuscha und Elisaveta Antonovna mir in die Hände gefallen? Sie hätten nicht plötzlich hinter der Tür hervorspringen dürfen. Blutrünstigkeit wirft man mir vor, man sagt, ich hätte Blut getrunken, aber das ist nicht wahr, ich habe die Blutlachen und Blutflecken aufgeleckt; es ist ein natürliches Bedürfnis des Menschen, die Spuren seines auch noch so geringen Verbrechens zu beseitigen. Auch habe ich Elisaveta Antonovna nicht vergewaltigt. Erstens war sie keine Jungfrau mehr, und zweitens hatte ich mit der Leiche zu tun und keine Zeit, sie zu trösten. Und daß sie kurz vor der Niederkunft stand? Ich habe das Kind doch rausgezogen. Und daß es überhaupt kein Erdenbewohner war, das ist nun mal nicht meine Schuld. Ich habe ihm den Kopf nicht abgerissen, schuld war der dünne Hals. Es war für dieses Leben nicht geschaffen. Es ist wahr, daß ich ihr Hündchen mit dem Stiefel in den Erdboden gestampft habe. Aber es ist schon Zynismus, mich der Tierquälerei zu besichtigen, wenn dicht daneben, kann man sagen, drei Menschenleben vernichtet wurden. Das Kind nicht mitgezählt. Also schön: in alledem (und dem kann ich zustimmen) möge man eine gewisse Brutalität meinerseits erkennen. Aber mir als Verbrechen anzurechenen, daß ich mich auf meine Opfer gesetzt und meine Notdurft verrichtet habe, – Sie müssen schon entschuldigen, das ist einfach absurd. Sich entleeren ist ein natürliches Bedürfnis, folglich durchaus kein verbrecherisches. Weshalb ich die Besorgnis meines Verteidigers zwar verstehe, aber dennoch auf meinen Freispruch hoffe.
kempis.nl poetry magazine
More in: Archive C-D, Archive K-L, Kharms (Charms), Daniil

Panamarenko
Workstation Biekorfstraat
Het artistieke parcours dat Panamarenko vanaf de jaren 60 tot vandaag heeft afgelegd, is internationaal gekend. Dat het belangrijkste gedeelte van zijn oeuvre tot stand kwam in zijn atelier annex woonhuis in de Antwerpse Biekorfstraat 2 is minder geweten. Nochtans is deze artistieke biotoop zo bijzonder als het oeuvre van de kunstenaar zelf.
Panamarenko woonde en werkte meer dan dertig jaar in de Biekorfstraat 2, een merkwaardig hoekhuis in de beruchte Antwerpse volksbuurt Seefhoek. Na zijn vertrek uit de stad in 2002, schonk de kunstenaar het pand aan het M HKA en werd gestart met het project Hammers Up!, wat de ontmanteling, renovatie en reconstructie van dit bijzondere stukje erfgoed omvat. Als onderdeel van het project werd de volledige inboedel geïnventariseerd en gefotografeerd. Het resultaat is een portfolio van ruim 1.300 opnames van uiteenlopende objecten, tekeningen, foto’s, artistieke experimenten, persoonlijke gebruiksvoorwerpen en collector’s items allerhande. Het boek toont de Biekorfstraat 2 als monument van een lange artistieke geschiedenis.

Panamarenko
Workstation
Biekorfstraat
* Pagina’s: 288
* Afwerking: luxe hardcover
* ISBN: 9789057203657
* Formaat: 30 x 23
* Verkoopprijs: € 49,95
‘Panamarenko, Workstation Biekorfstraat’
is verschenen bij Linkeroever Uitgevers.
kempis.nl poetry magazine

More in: Art & Poetry News 2010, Panamarenko

Gerrit Achterberg
(1905-1962)
November
De nederige dagen van November
zijn weer gekomen, grijze als een emmer;
tevreden met het licht dat minderde
op de gezichten van de kinderen.
De wereld heeft een derde dimensie over.
Stakerig door bomen zonder lover.
Door iedereen van ver te onderkennen,
moeten wij aan het nieuwe platvlak wennen
en lopen hoog voorbij de kale heg.
De fietsen rijden groot over de weg.
Verwintering gaat zienderogen door.
De eerste kouwe handen komen voor.
Geslachte varkens hangen te besterven;
ontnuchteren de paarse boerenerven.
De protestantse dagen van November
wijken uiteen op de kalender;
weduwen terend op een schraal pensioen;
gemeentewoningen, die weinig doen;
een rij weesjongens met gelijke trekken;
in ‘t lege land opengebleven hekken.
Toon van november klinkt het jagersschot.
Verder en verder valt een deur in ‘t slot.
Eerlijke kerken houden voor ‘t gewas
dankstonden achter dun, armoedig glas.
Alles wordt enkeling. een eigen graf
wacht op het kerkhof zijn bewoner af.
Huizen verwijderen zich van elkaar.
Wij kijken in de gaten van het jaar
November
The low days of November
have again returned, gray as a pail;
at ease with the lessening light
on the faces of children.
The world has third dimension still.
The trees stand pitifully without cover.
By distinguishing everybody at a distance,
we must get used to the new flat surface
and walk high past the bare border.
The bicycles ride large along the way.
Winter passes along before our eyes.
The first cold hands appear.
Slaughtered pigs are hung out to die;
sobering the purple nerves of farmers.
The protestant days of November
fall a good bit apart on the calendar;
widows, existing on meager pensions;
public housing, that does little;
a row of orphan boys with similar features;
open gates in the empty countryside.
Sound of November explodes in the hunter’s shot.
Further and further a door sinks into a ditch.
Honest churches hold services of thanksgiving
in front of the wash behind thin, poor glass.
Everything becomes singular. A grave
awaits its owner at the churchyard.
Houses grow further apart from each other.
We look into the holes of the year.

Gerrit Achterberg poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Achterberg, Gerrit, Archive A-B
.jpg)
Adriaan en de anderen
Een toekomstroman
waarin de literatuur wordt gered
en het Huis van Oranje tot bloei komt
door Merel van der Gracht
zevenenvijftig
Luud fietste door de straten en keek verbaasd naar al het volk dat naar Amsterdam was gekomen om Maxima en de prinsesjes toe te juichen.
Vanaf de bushaltes marcheerden de muziekkorpsen en schutterijen, trommelaars voorop, naar de Dam, waar de optocht werd geformeerd.
‘Kiek dao, dae gekke kaerel op dae witte fiets!’ riep een tamboer met aangeplakte baard en pruik.
‘Langhaorig tuug,’ riep een ander. ‘Sjorem.’
‘Pardon!’ riep Luud. ‘Ik heb mijn haren van mezelf. Jullie haar is nephaar.’
‘Huur, det sjtuk tuug,’ zei de tamboer. ‘Hae heet gin respek veur ooze aoje Limburgse kultuur.’
‘Slaon hem van zienne fiets aaf,’ riep iemand.
Voor hij het wist, was Luud ingesloten. Hij werd van zijn rijwiel getrokken en kreeg een paar rake klappen. Zijn fiets werd gesloopt door de bielemannen van de schutterij.
De stoet trok verder.
Luud bleef alleen achter, bloed aan zijn hoofd, liggend naast het wrak van zijn fiets.
Hij keek in een rioolputje. De zon scheen op het ijzeren rooster. Er stonden letters op. ‘God met ons’. Stomverbaasd las hij het nog eens. Het stond er echt! Stond zoiets vroeger niet op de rand van de zilveren gulden? Ineens zag hij op een stoeptegel staan: Seks met Goedele Kiekens.
Hij begreep het. Het stond er niet. Hij zag dingen die er niet waren. Hij vreesde dat hij een hersenschudding had.
Hoofdstuk 57 (wordt vervolgd)
Adriaan en de anderen: Uitgeverij Compaan in Maassluis, ISBN: 978-94-903740-6-8, aantal pagina’s: 288, prijs: € 17,90 te bestellen via de plaatselijke boekhandel of via ► Bol.com
E-mail: merelvandergracht X kempis.nl ( X = @ )
kempis.nl poetry magazine
.jpg)
More in: -Adriaan en de Anderen
.jpg)
Anna Achmatova
(1889 – 1966)
Crucifix
Do not cry for me, Mother,
seeing me in the grave.
I
This greatest hour was hallowed and thandered
By angel’s choirs; fire melted sky.
He asked his Father:"Why am I abandoned…?"
And told his Mother: "Mother, do not cry…"
II
Magdalena struggled, cried and moaned.
Peter sank into the stone trance…
Only there, where Mother stood alone,
None has dared cast a single glance.
Anna Andrejevna Achmatova poetry
(Анна Андреевна Ахматова)
kempis.nl poetry magazine
More in: Achmatova, Anna
.jpg)
Ton van Reen
Palaver
De mannen hurken onder de boom
hun geweren tussen hun benen geklemd
hun messen in de hand
de speren voor het grijpen
In hun midden de grootste krijger
hij heeft de meeste doden op zijn naam
aangetekend in de tatoeages op zijn rug
de boekhouding van zijn krijgersbestaan
Zes Karamojang heeft hij gedood
de dieven die de koeien terug kwamen stelen
die hij van hen had gestolen
Zijn hele leven staat in dienst van zijn eer
het recht is altijd op zijn hand
omdat hij weet dat alles op aarde van hem is
alle vee dat rondloopt heeft God aan hem gegeven
Hij geniet zo veel achting van de anderen
dat hij zijn stem kan uitbrengen door te zwijgen
hij hoeft maar even met het hoofd te knikken
om iedereen van zijn gelijk te overtuigen
hij hoeft maar met zijn ogen te knipperen
om de anderen te laten huiveren
De namen van de zes doden staan op zijn rug
zodat hijzelf hun initialen niet ziet
Ton van Reen: De naam van het mes. Afrikaanse gedichten
kempis.nl poetry magazine
More in: -De naam van het mes, Ton van Reen
.jpg)
Hank Denmore
Moord in lichtdruk
dertien
‘Ik geloof wel dat ze het is. Ze is tenminste aan de voorkant even vooruitstrevend als de Lolita die ik ken,’ zei Lime.
Millhouse keek angstig naar de twee en kreunde toen: ‘Blijf met je gore rotpoten van die foto’s af.’
‘Wat een lef heeft ons mannetje opeens,’ lachte Doc.
‘Ja, ik geloof dat het inderdaad zijn grietje is,’ lachte Lime terug, ‘kijk eens hoe heldhaftig ons jongetje wordt, dat is zijn natuurinstinct om het wijfje te beschermen.’ Met zijn geelgroene ogen star op die van Millhouse gericht liep hij op deze af. Langzaam stak hij een hand in z’n jaszak en haalde daar een soort potlood uit, waarvan hij een dopje verwijderde. Opgelucht keek Millhouse een andere kant uit en voelde opeens een intense pijn door zijn arm gaan. Iets warms liep over zijn arm omlaag. Vol afgrijzen zag hij dat de man zijn hele arm had opengesneden. Het potlood bleek een soort pennenmes te zijn, maar dan wel een vlijmscherp.
Lime schreeuwde opeens: ‘En nu wil ik het adres van die griet of ik snijd je helemaal aan flarden.’
Van schrik zei Millhouse: ’1221, East 135 street.’
Lime bukte zich over de op de vloer liggende man en vroeg op sinistere toon: ‘Nou, zie je wel hoe gemakkelijk je het antwoord op een simpele vraag weet. Is dat de waarheid of beduvel je ons? Als dat zo is geef ik geen cent meer voor je leven.’
Doc bulderde van de lach: ‘Dat kun jij gemakkelijk zeggen.’
Millhouse reageerde als een beest dat zijn einde voelt naderen. Hij legde figuurlijk het hoofd in de schoot en gaf zich over aan de dingen die onvermijdelijk gingen komen. ‘Waarom zou ik nog leugens vertellen,’ zei hij vermoeid.
‘Toch zal ik proberen of je werkelijk de waarheid hebt gezegd,’ zei Lime en trok tegelijk het hoofd van Millhouse achterover.
Diens halsspieren stonden nu strak gespannen. Met een snelle haal sneed Lime met het pennenmes de keel van Millhouse door.
‘Als je nog iets wilt verbeteren moet je snel zijn,’ lachte Doc tegen Millhouse, die vergeefs probeerde het gulpende bloed tegen te houden.
‘Nog een klein minuutje en je bent leeggebloed,’ zei Doc op een toon die van vertrouwen in eigen kennis sprak.
Blubberend probeerde Millhouse nog iets te zeggen maar zijn krachten begaven het. In een snel dichter wordende waas zag hij zijn moordenaars nog grijnzen. Pijn voelde hij niet meer, het was alsof hij zich losmaakte van de vloer waarop hij lag. Zijn hele leven trok als een film voorbij. Kleine voorvallen uit zijn kindertijd, die hij al lang vergeten was, kwamen met verrassende duidelijkheid terug. Met leedvermaak dacht hij aan de schuld bij de kruidenier, die nu niet meer betaald hoefde te worden. Een oneindige vrede kwam over hem en nam hem mee naar het grote onbekende. Nog eenmaal klopte zijn hart om dan voor altijd stil te staan.
Lime en Doc namen de paperassen van Millhouse mee, sloten de deur van de keet en gingen er vandoor.
Rustig reden de twee in de zware wagen naar het opgegeven adres. Ze waakten er angstvallig voor om door een rood licht of te hard te rijden. Na een klein half uur draaide de wagen de zo bereidwillig opgegeven straat in. Deze bleek parallel te lopen met Major Deegan Boulevard. Het nummer bleek in het tweede woonblok te liggen. De wagen werd, zoals gebruikelijk, een eindje verder geparkeerd.
De deur van de flat stond open en was in een zodanige staat van vervuiling en vervalling dat ze voor het woord deur een belediging moest zijn.
.jpg)
Hank Denmore: Moord in lichtdruk
kempis.nl poetry magazine
(wordt vervolgd)
More in: -Moord in lichtdruk

Adriaan en de anderen
Een toekomstroman
waarin de literatuur wordt gered
en het Huis van Oranje tot bloei komt
door Merel van der Gracht
zesenvijfig
De telefoon rinkelde. Adriaan nam op.
‘Ik ben het, Oek.’
‘O, dank je. Blij dat je me belt.’
‘Maxima wil je graag ontvangen.’
‘Heerlijk,’ zei Adriaan. Hij maakte een klein sprongetje van vreugde. ‘Wat een wijze rat als jij niet allemaal voor elkaar kan krijgen. Wat moet ik aan? Rood of paars? Ik heb een nieuw groen overhemd. Vind je dat het bij paars past? Of wit?’
‘Weet ik niet,’ zei Oek. ‘Ik draag nooit dat soort kleren. Ik heb genoeg aan mijn grijze bontjas. Maar jij bent een modepop.’
‘Welnee. Ik loop er graag goed bij. Kom jij ook?’
‘Te druk,’ zei Oek. ‘Er liggen stapels boeken op mijn bordje.’ Hij hing op.
Adriaan trok de krant uit de bus. Hij was stomverbaasd toen hij op de voorpagina van het ochtendblad, over de hele pagina, een foto van Tjeepie zag.
‘Ze flikt ’t hem weer!’ riep hij uit. ‘Net als bij haar debuut, toen ze paginagroot op het omslag van Het Idool stond!’
‘Had je het over mij?’ vroeg Mallotte Puntmuts die op haar balkonnetje de ingelijste oorkondes van haar literaire prijzen stond af te stoffen.
‘Het is Tjeepie,’ riep Adriaan. ‘Zo lijkt ze totaal vergeten, zo staat ze levensgroot op de voorpagina van de krant.’ Hij liet haar de foto zien.
‘Ze lijkt Kniertje wel,’ zei Mallotte. ‘Altijd komt ze terug op het podium, met haar pannetje soep.’
‘Je bedoelt dat ze er ook als Kniertje uitziet?’
‘Door het leven getekend en toch weer in staat om terug te vechten.’
‘Zie je wat ze in haar handen heeft? Een straatkei! Zie je waar ze die naartoe gooit? Naar de politie! En zie je wie er naast haar staat? Turk!’
‘Is ze op haar ouwe dag gristelijk geworden,’ schamperde Mallotte. ‘Dat zie je vaak bij types die hun hele leven de kont tegen de krib hebben gegooid. Op hun ouwe dag worden ze bang en willen ze bij de middelmaat gaan horen. Ze gaan bij een gereformeerd koor of ze spelen misdienaartje.’
‘Dat slaat op mij,’ zei Adriaan ontdaan. ‘Vind je mij dan ook een bange oude kwezel?’
‘Als ik eerlijk moet zijn, ja,’ zei Mallotte. ‘Jij bent ook een overloper, met je katholieke gehannes.’
‘Maar ik denk écht dat ik priester moet worden,’ riep Adriaan uit.
‘Collectant in de kerk is toch ook goed? Weet je Adriaan, eigenlijk heb ik meer respect voor Sjuul Spartaan en Trolletje Krol, die altijd zichzelf zijn gebleven. Die laten zich niet van de wijs brengen en gaan gewoon hun eigen gang.’
‘Zoveel moed heb ik niet,’ zei Adriaan. ‘Ik waai liever een beetje mee met de wind.’
‘Eigenlijk heb ik ook respect voor Tjeepie,’ vervolgde Mallotte. ‘Zij doet wat wij, jij en ik, niet meer durven te doen. Ze staat gewoon vooraan in de frontlinie als er oorlog is. Ze gaat voorop in de strijd tegen de dictatuur.’
‘Klopt,’ zei Adriaan. ‘We moeten Tjeepie meer gaan waarderen. Eigenlijk is ze net als Sartre, haar grote voorbeeld. Hij was net zo’n klein onderdeurtje als zij, maar hij stond wel vooraan tijdens de studentenrevolte in achtenzestig in Parijs. Net als Tjeepie nu.’
Adriaan liep terug naar binnen.
‘Ik hoorde het al,’ zei Deesje, een beetje minachtend. ‘Tjeepie heeft de pers weer gehaald.’
‘Afgeschreven maar nooit opgegeven,’ zei Adriaan. ‘Ik heb bewondering voor dat mens. Vroeger haakte ze aan bij pierewaaiers, tegenwoordig sluit ze zich aan bij rebellen.’
Hij zocht in de kast naar nette kleren. Hij vond een wit jasje, waarop een viertal onderscheidingen geprikt zaten. Ridder in de Orde van Oranje Nassau, het Franse Légion D’honneur, een wandelmedaille van de vierdaagse en het ereburgerschap van Côte d’Ivoire vanwege zijn grote consumptie van Côte d’Or-chocolade. Hij besloot het witte jasje aan te trekken, op een matrozenblauwe broek die hij ooit had gekregen van Droomkind zaliger. Het ensemble maakte hem een paar jaar jonger.
Hoofdstuk 56 (wordt vervolgd)
Adriaan en de anderen: Uitgeverij Compaan in Maassluis, ISBN: 978-94-903740-6-8, aantal pagina’s: 288, prijs: € 17,90 te bestellen via de plaatselijke boekhandel of via ► Bol.com
E-mail: merelvandergracht X kempis.nl ( X = @ )
kempis.nl poetry magazine
.jpg)
More in: -Adriaan en de Anderen
.jpg)
Masaoka Shiki
(1867-1902)
Haiku 6
scatter layer
by layer, eight-layered
cherry blossoms!
Haiku 7
I turn my back
on Buddha and face
the cool moon
Masaoka Shiki poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Shiki, Masaoka
.jpg)
Edith Södergran
(1892-1923)
At Nietzsche’s grave
Strange father!
Your children will not let you down,
they are coming across the earth with the footsteps of gods,
rubbing their eyes: where am I?
Vid Nietzsches grav
Den store jägaren är död…
Hans grav draperar jag med varma blomgardiner…
Kyssande den kalla stenen, säger jag:
här är ditt första barn i glädjetårar.
Gäckande sitter jag på din grav
såsom ett hån – skönare än du drömt dig.
Sällsamma fader!
Dina barn svika dig ej,
de komma över jorden med gudasteg,
gnuggande sig i ögonen: var är jag väl?
Nej, riktigt … här är min plats,
här är min faders förfallna grav…
Gudar – hållen evigt vakt på detta ställe.
(1918)
Edith Södergran poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Södergran, Edith

George Orwell
(1903-1950)
The Lesser Evil
Empty as death and slow as pain
The days went by on leaden feet;
And parson’s week had come again
As I walked down the little street.
Without, the weary doves were calling,
The sun burned on the banks of mud;
Within, old maids were caterwauling
A dismal tale of thorns and blood.
I thought of all the church bells ringing
In towns that Christian folks were in;
I heard the godly maidens singing;
I turned into the house of sin.
The house of sin was dark & mean,
With dying flowers round the door;
They spat their betel juice between
The rotten bamboos of the floor.
Why did I come, the woman cried,
So seldom to her beds of ease?
When I was not, her spirit died,
And would I give her ten rupees.
The weeks went by, and many a day
That black-haired woman did implore
Me as I hurried on my way
To come more often than before.
The days went by like dead leaves falling
And parson’s week came round again.
Once more devout old maids were bawling
Their ugly rhymes of death and pain.
The woman waited for me there
As down the little street I trod;
And musing upon her oily hair,
I turned into the house of God.
Poem of the week, November 28, 2010
KEMP=MAG # kempis.nl poetry magazine

More in: Archive 2010, Archive O-P


He used to throw dishes at his nurse
Visual poetry: Ready-mades
kempis.nl poetry magazine
More in: -Objets Trouvés (Ready-Mades)
Thank you for reading KEMP=MAG - kempis.nl poetry magazine - magazine for art & literature