Or see the index

Aimé Césaire
(1913-2008)
Entre autres massacres
De toutes leurs forces le soleil et la lune s’entrechoquent
les étoiles tombent comme des témoins trop mûrs
et comme une portée de souris grises
ne crains rien apprête tes grosses eaux
qui si bien emportent la berge des miroirs
ils ont mis de la boue sur mes yeux
et vois je vois terriblement je vois
de toutes les montagnes de toutes les îles
il ne reste plus rien que les quelques mauvais chicots
de l’impénitente salive de la mer
Recueil : “Cadastres”
Aimé Césaire poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Archive C-D, Césaire, Aimé

Léopold Sédar Senghor
(1906-2001)
Femme noire
Femme nue, femme noire
Vêtue de ta couleur qui est vie, de ta forme qui est beauté
J’ai grandi à ton ombre; la douceur de tes mains bandait mes yeux
Et voilà qu’au coeur de l’Été et de Midi,
Je te découvre, Terre promise, du haut d’un haut col calciné
Et ta beauté me foudroie en plein coeur, comme l’éclair d’un aigle
Femme nue, femme obscure
Fruit mûr à la chair ferme, sombres extases du vin noir, bouche qui fais lyrique ma bouche
Savane aux horizons purs, savane qui frémis aux caresses ferventes du Vent d’Est
Tamtam sculpté, tamtam tendu qui gronde sous les doigts du vainqueur
Ta voix grave de contralto est le chant spirituel de l’Aimée
Femme noire, femme obscure
Huile que ne ride nul souffle, huile calme aux flancs de l’athlète, aux flancs des princes du Mali
Gazelle aux attaches célestes, les perles sont étoiles sur la nuit de ta peau.
Délices des jeux de l’Esprit, les reflets de l’or ronge ta peau qui se moire
A l’ombre de ta chevelure, s’éclaire mon angoisse aux soleils prochains de tes yeux.
Femme nue, femme noire
Je chante ta beauté qui passe, forme que je fixe dans l’Éternel
Avant que le destin jaloux ne te réduise en cendres pour nourrir les racines de la vie.
Recueil : “Chants d’ombre”
Léopold Sédar Senghor poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Archive S-T, Senghor, Léopold Sédar

Hans Lodeizen
(1924-1950)
Toen ik nog . . .
toen ik nog met hem
leefde en wij de wereld samen
maakten, wevend en rafelend
toen ik zijn oog bij me had
en zijn witte handen
toen heb ik de sneeuw gezegend
en in de regen gelachen.
toen ik de middagen in zijn kamer
doorbracht en in zijn lichaam
rondliep of neerzat, een boek las
of sliep, toen ik de weg van zijn oor
kende en de rivier van zijn ogen
binnenvoer toen ik met zijn handen
speelde en over zijn lippen liep
toen ben ik mezelf vaak tegengekomen
lachend en huilend of dingen zeggend.
maar,
bij het komen van de herfst is hij weggegaan
nu ben ik zelf niet meer want ik ben meegegaan
ik heb zijn handen een hand gegeven
ik ben in zijn ogen gevangen
ik ben in zijn oren verward
ik ben in zijn lichaam verdwaald
in zijn lichaam verdronken.
Hans Lodeizen poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Archive K-L, Lodeizen, Hans

Aimé Césaire
(1913-2008)
An neuf
Les hommes ont taillé dans leurs tourments une fleur
qu’ils ont juchée sur les hauts plateaux de leur face
la faim leur fait un dais
une image se dissout dans leur dernière larme
ils ont bu jusqu’à l’horreur féroce
les monstres rythmés par les écumes
En ce temps-là
il y eut une
inoubliable
métamorphose
les chevaux ruaient un peu de rêve sur leurs sabots
de gros nuages d’incendie s’arrondirent en champignon
sur toutes les places publiques
ce fut une peste merveilleuse
sur le trottoir les moindres réverbères tournaient leur
tête de phare
quant à l’avenir anophèle vapeur brûlante il sifflait
dans les jardins
En ce temps-là
le mot ondée
et le mot sol meuble
le mot aube
et le mot copeaux
conspirèrent pour la première fois
Recueil : “Cadastres”
Aimé Césaire poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Archive C-D, Césaire, Aimé

Léopold Sédar Senghor
(1906-2001)
Poème à mon frère blanc
Cher frère blanc,
Quand je suis né, j’étais noir,
Quand j’ai grandi, j’étais noir,
Quand je suis au soleil, je suis noir,
Quand je suis malade, je suis noir,
Quand je mourrai, je serai noir.
Tandis que toi, homme blanc,
Quand tu es né, tu étais rose,
Quand tu as grandi, tu étais blanc,
Quand tu vas au soleil, tu es rouge,
Quand tu as froid, tu es bleu,
Quand tu as peur, tu es vert,
Quand tu es malade, tu es jaune,
Quand tu mourras, tu seras gris.
Alors, de nous deux,
Qui est l’homme de couleur ?
Léopold Sédar Senghor poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Archive S-T, Senghor, Léopold Sédar

Boris Vian
(1920-1959)
Quand j’aurais du vent dans mon crâne
Quand j’aurai du vent dans mon crâne
Quand j’aurai du vert sur mes osses
P’tet qu’on croira que je ricane
Mais ça sera une impression fosse
Car il me manquera
Mon élément plastique
Plastique tique tique
Qu’auront bouffé les rats
Ma paire de bidules
Mes mollets mes rotules
Mes cuisses et mon cule
Sur quoi je m’asseyois
Mes cheveux mes fistules
Mes jolis yeux cérules
Mes couvre-mandibules
Dont je vous pourléchois
Mon nez considérable
Mon coeur mon foie mon râble
Tous ces riens admirables
Qui m’ont fait apprécier
Des ducs et des duchesses
Des papes des papesses
Des abbés des ânesses
Et des gens du métier
Et puis je n’aurai plus
Ce phosphore un peu mou
Cerveau qui me servit
A me prévoir sans vie
Les osses tout verts, le crâne venteux
Ah comme j’ai mal de devenir vieux.
Boris Vian poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Archive U-V, Vian, Boris

Prijs der Nederlandse Letteren 2012 voor
Leonard Nolens
De Vlaamse dichter en dagboekschrijver Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947) ontvangt dit najaar de Prijs der Nederlandse Letteren. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 40.000 euro.
Dit maakte de voorzitter van het Comité van Ministers van de Taalunie, de Vlaamse Minister van Onderwijs Pascal Smet woensdagavond bekend in een uitverkochte Bourlaschouwburg in Antwerpen, waar de 65ste verjaardag van Nolens gevierd werd.
‘Nolens doet het Nederlands opnieuw zingen’, zo stelt de jury onder voorzitterschap van Herman Pleij. De jury noemt Nolens een ‘uitzonderlijk dichter en zeer begenadigd voorlezer’ en kenmerkt zijn werk als ‘een levenslange worsteling in taal en een zoektocht naar de eigen identiteit en die van de ander’.
De laureaat werd woensdagochtend overdonderd door het bericht. Hij zat in zijn werkkamer toen minister Smet belde: ‘Het was of de buitenwereld op een onwezenlijke manier binnenkwam’.
Bij de aankondiging in de Bourlaschouwburg zei minister Smet: ‘Leonard Nolens wijdt zich al zijn hele leven aan wat allicht economisch een van de meest nutteloze bezigheden is, en daar heb je in deze tijden uitzonderlijk veel lef voor nodig. Maar zonder taal, gevoed door taalkunstenaars, is er van economie waarschijnlijk helemaal geen sprake’.

Nolens heeft sinds zijn debuut in 1969 een indrukwekkend oeuvre opgebouwd. Zijn bundel Liefdes verklaringen (1990) werd in Nederland bekroond met de Jan Campertprijs en in België met de Driejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor poëzie. In 1997 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. In 2008 werd hem de VSB Poëzieprijs toegekend.
De Nederlandse Taalunie kent de Prijs der Nederlandse Letteren om de drie jaar toe aan een auteur van wie het werk een belangrijke plaats inneemt in de Nederlandstalige literatuur. De ene keer overhandigt de Belgische koning de prijs, de andere keer de Nederlandse koningin.
De jury van de Prijs der Nederlandse Letteren 2012 bestaat uit Herman Pleij (voorzitter), emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, Universiteit van Amsterdam; Chandra van Binnendijk, publicist, redacteur in Suriname; Leen van Dijck, directeur Letterenhuis Antwerpen; Iris van Erve, docent Nederlands, hoofdredacteur Passionate Magazine, adviseur Nederlands Letterenfonds; Judit Gera, hoogleraar moderne Nederlandse Letteren aan de Universiteit van Boedapest, literair vertaler; Ruth Joos, radiomaker bij de VRT; Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren Universiteit van Amsterdam; Hans Vandevoorde, docent Nederlandse literatuur Vrije Universiteit Brussel.
Leonard Nolens is sinds de instelling van de Prijs der Nederlandse Letteren in 1956 de twintigste laureaat. De eerdere laureaten waren: Herman Teirlinck (1956), A. Roland Holst (1959), Stijn Streuvels (1962), J.C. Bloem (1965), Gerard Walschap (1968), Simon Vestdijk (1971), Marnix Gijsen (1974), Willem Frederik Hermans (1977), Maurice Gilliams (1980), Lucebert (1983), Hugo Claus (1986), Gerrit Kouwenaar (1989), Christine D’Haen (1992), Harry Mulisch (1995), Paul de Wispelaere (1998), Gerard Reve (2001), Hella S. Haasse (2004),Jeroen Brouwers (2007) en Cees Nooteboom (2009).

Het Comitë van Ministers van de Nederlandse Taalunie bestaat uit Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel (voorzitter); Joke Schauvliege, Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur; Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart, Nederlands minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Halbe Zijlstra, Nederlands staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
De Nederlandse Taalunie is een beleidsorganisatie waarin Nederland, Vlaanderen en Suriname samenwerken op het gebied van de Nederlandse taal en letteren en het onderwijs in en van het Nederlands. De Taalunie ziet het als haar opdracht om ervoor te zorgen dat alle Nederlandssprekenden hun taal op een doeltreffende manier kunnen gebruiken. Meer informatie over de Taalunie is te vinden op www.taalunieversum.org
‘Leonard Nolens doet het Nederlands opnieuw zingen. Hij is een uitzonderlijk dichter, een begenadigd voorlezer en zijn werk kenmerkt zich als een levenslange worsteling in taal en een zoektocht naar de eigen identiteit en die van de ander’. (Citaat van de jury van de Prijs der Nederlandse Letteren 2012)
Leonard Nolens (Bree, 1947) debuteerde in 1969 met de bundel Orpheushanden en heeft in de jaren daarop een indrukwekkend oeuvre opgebouwd. Zijn bundel Liefdes verklaringen (1990) werd in Nederland bekroond met de Jan Campertprijs en in België met de Driejaarlijkse Staatsprijs. In 1997 kreeg Nolens de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre, in 2008 werd hem de VSB Poëzieprijs toegekend voor zijn bundel Bres (2007), de bundel die tien jaar lang een ‘dichtbundel in wording’ was, en waarvan delen in eerdere bundels verschenen.
‘Als de Vlaamse dichter Leonard Nolens schrijft, vangt een fluisterend zingen aan. Met schrijnende refreinen, welluidende zinnen en een vreugdevolle melodie.’ NRC Handelsblad
poëzie:
Orpheushanden (1969)
De muzeale minnaar (1973)
Twee vormen van zwijgen (1975)
Incantatie (1977)
Alle tijd van de wereld. een poëtica (1979)
Hommage (1981)
Vertigo (1983)
De gedroomde figuur (1986)
Geboortebewijs (1988)
Liefdes verklaringen (1990)
Hart tegen hart. Gedichten 1975-1990 (1991)
Tweedracht (1992)
Honing en as (1994)
En verdwijn met mate (1996)
De liefdesgedichten van Leonard Nolens (1997)
Hart tegen hart. Gedichten 1975-1996 (1998)
Voorbijganger (1999)
Manieren van leven (2001)
Derwisj (2003)
Laat alle deuren op een kier. Verzamelde gedichten (2004)
Een dichter in Antwerpen en andere gedichten (2005)
Een fractie van een kus (2007, Gedichtendagbundel)
Bres (2007)
Woestijnkunde (2008)
autobiografisch:
Stukken van mensen. Dagboek 1979-1982 (1989)
Blijvend vertrek. Dagboek 1983-1989 (1993)
De vrek van Missenburg. Dagboek 1990-1993 (1995)
Een lastig portret. Dagboek 1994-1996 (1998)
Dagboek van een dichter 1979-2007 (2009)
Jij bent schatrijk geboren
Jij en ik, dat is twee
Plus dit. Dat is drie. Dat is vragen
Om ruzie, men komt er niet uit.
Wij zitten perplex in elkaar.
Wij maken hetzelfde misbaar.
Jij en ik dat is een.
Jij bent schatrijk geboren
En kocht mij met gemak.
Dat zet ik je betaald
Op deze rekening.
Ik ben geen slapend geld
Vandaag, ik handel in ons.
Ik werk mij in het zweet
Van jou, ik bid en vloek mij
Uit de naad van ons,
Ik maak je winst op de markt.
Jij bent wat ik hier tel,
Mijn tol, mijn kapitaal.
Ik viel jou in de schoot
Van goud, ik woeker met wissels
Van ons en koop je terug
Nu ik ons doorverkoop
Aan vreemden, de truc is gelukt.
Wij staan op hetzelfde biljet.
Leonard Nolens
uit: ‘Derwisj’, 2003
kempis.nl poetry magazine
More in: - Art & Poetry News 2012, Archive M-N, Nolens, Leonard

Boris Vian
(1920-1959)
Je voudrais pas crever
Je voudrais pas crever
Avant d’avoir connu
Les chiens noirs du Mexique
Qui dorment sans rêver
Les singes à cul nu
Dévoreurs de tropiques
Les araignées d’argent
Au nid truffé de bulles
Je voudrais pas crever
Sans savoir si la lune
Sous son faux air de thune
A un coté pointu
Si le soleil est froid
Si les quatre saisons
Ne sont vraiment que quatre
Sans avoir essayé
De porter une robe
Sur les grands boulevards
Sans avoir regardé
Dans un regard d’égout
Sans avoir mis mon zobe
Dans des coinstots bizarres
Je voudrais pas finir
Sans connaître la lèpre
Ou les sept maladies
Qu’on attrape là-bas
Le bon ni le mauvais
Ne me feraient de peine
Si si si je savais
Que j’en aurai l’étrenne
Et il y a z aussi
Tout ce que je connais
Tout ce que j’apprécie
Que je sais qui me plaît
Le fond vert de la mer
Où valsent les brins d’algues
Sur le sable ondulé
L’herbe grillée de juin
La terre qui craquelle
L’odeur des conifères
Et les baisers de celle
Que ceci que cela
La belle que voilà
Mon Ourson, l’Ursula
Je voudrais pas crever
Avant d’avoir usé
Sa bouche avec ma bouche
Son corps avec mes mains
Le reste avec mes yeux
J’en dis pas plus faut bien
Rester révérencieux
Je voudrais pas mourir
Sans qu’on ait inventé
Les roses éternelles
La journée de deux heures
La mer à la montagne
La montagne à la mer
La fin de la douleur
Les journaux en couleur
Tous les enfants contents
Et tant de trucs encore
Qui dorment dans les crânes
Des géniaux ingénieurs
Des jardiniers joviaux
Des soucieux socialistes
Des urbains urbanistes
Et des pensifs penseurs
Tant de choses à voir
A voir et à z-entendre
Tant de temps à attendre
A chercher dans le noir
Et moi je vois la fin
Qui grouille et qui s’amène
Avec sa gueule moche
Et qui m’ouvre ses bras
De grenouille bancroche
Je voudrais pas crever
Non monsieur non madame
Avant d’avoir tâté
Le goût qui me tourmente
Le goût qu’est le plus fort
Je voudrais pas crever
Avant d’avoir goûté
La saveur de la mort…
Boris Vian poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Archive U-V, Vian, Boris

Boris Vian
(1920-1959)
Pourquoi je vis
Pourquoi que je vis
Pourquoi que je vis
Pour la jambe jaune
D’une femme blonde
Appuyée au mur
Sous le plein soleil
Pour la voile ronde
D’un pointu du port
Pour l’ombre des stores
Le café glacé
Qu’on boit dans un tube
Pour toucher le sable
Voir le fond de l’eau
Qui devient si bleu
Qui descend si bas
Avec les poissons
Les calmes poissons
Ils paissent le fond
Volent au-dessus
Des algues cheveux
Comme zoizeaux lents
Comme zoizeaux bleus
Pourquoi que je vis
Parce que c’est joli
Boris Vian poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Archive U-V, Vian, Boris

Boris Vian
(1920-1959)
Elle serait là, si lourde
Elle serait là, si lourde
Avec son ventre de fer
Et ses volants de laiton
Ses tubes d’eau et de fièvre
Elle courrait sur ses rails
Comme la mort à la guerre
Comme l’ombre dans les yeux
Il y a tant de travail
Tant et tant de coups de lime
Tant de peine et de douleurs
Tant de colère et d’ardeur
Et il y a tant d’années
Tant de visions entassées
De volonté ramassée
De blessures et d’orgueils
Métal arraché au sol
Martyrisé par la flamme
Plié, tourmenté, crevé
Tordu en forme de rêve
Il y a la sueur des âges
Enfermée dans cette cage
Dix et cent mille ans d’attente
Et de gaucherie vaincue
S’il restait
Un oiseau
Et une locomotive
Et moi seul dans le désert
Avec l’oiseau et le chose
Et si l’on disait choisis
Que ferais-je, que ferais-je
Il aurait un bec menu
Comme il sied aux conirostres
Deux boutons brillants aux yeux
Un petit ventre dodu
Je le tiendrais dans ma main
Et son coeur battrait si vite…
Tout autour, la fin du monde
En deux cent douze épisodes
Il aurait des plumes grises
Un peu de rouille au bréchet
Et ses fines pattes séches
Aiguilles gainées de peau
Allons, que garderez vous
Car il faut que tout périsse
Mais pour vos loyaux services
On vous laisse conserver
Un unique échantillon
Comotive ou zoizillon
Tout reprendre à son début
Tous ces lourds secrets perdus
Toute science abattue
Si je laisse la machine
Mais ses plumes sont si fines
Et son coeur battrait si vite
Que je garderais l’oiseau.
Boris Vian poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Archive U-V, Vian, Boris

Norbert de Vries
De Muzen van Kemp
Over Pierre Kemp
Pierre Kemp heeft diverse Muzen gekend. Hij ontmoette ze bijvoorbeeld in de trein, en schreef gedichten over en voor hen. Deze gedichten waren, volgens schriftelijke mededeling van Kemp aan Karel Reijnders (zie zijn verhandeling “Romanie oftewel eros en emeritus”), in eerste instantie bestemd voor ‘intern gebruik’. De zogenaamde Muzengedichten staan vol ‘saillante details’ en verwijzingen naar gesprekken, voorvallen en accessoires die door het vrolijke forensengezelschap onmiddellijk zullen zijn herkend, maar waarvan de betekenis de buitenstaander veelal zal ontgaan. Inderdaad, gedichten die met name voor de insiders genietbaar zijn.
In zijn bovengenoemd artikel verklaart Reijnders de identiteit van de Muzen niet te kennen. Wel concludeert hij, op grond van het feit dat Kemp vanaf omstreeks 1948 aan “Romanie” gewerkt heeft en dat hij per 1 januari 1945 met pensioen ging en na die datum nauwelijks nog reisde, dat Romanie geen ‘trein-Muze’ geweest zal zijn.
Romanie is een gedicht van bijna 940 regels waaraan Kemp hard heeft gewerkt (er zijn meerdere versies bewaard gebleven), en dat als zodanig nooit is gepubliceerd. Het is nadien gesplitst in twee wel gepubliceerde gedichten, namelijk Tzigane en Franse les in een korenveld. Deze beide gedichten staan in de bundel Au pays du tendre Mosan (1961). Overigens zij vermeld, dat in die bundel ook de Namiddag van een stille katholiek en Elegie om het verlies van 10 kilo sex-appeal staan, twee gedichten waarin de trein-Muzen prominent aanwezig zijn.
Waarom bleven de Muzen anoniem? Reijnders wijst er op de inspiratrices van de ‘ondeugend-erotische verhaalverzinsels in versvorm’ niet graag in ruimere kring hun identiteit onthuld zagen. De mensen mochten eens denken dat zij onoorbare dingen deden in die trein. In een niet gepubliceerd gedicht bezingt Kemp de Muze immers als volgt:
Muze
‘simple comme bonjour’….
Wat doe je toch de hele dag?
Ik zwem
voor hem
in de zonneschijn
of langs het zilvermaan-gordijn
en lach
dan zonder stem
en zo bevredig ik hem!
(variant: en dat bevredigt hem!)
Kemp beschouwde de materie ook zodanig delicaat, dat hij zelfs voor zijn beste vrienden, onder wie Reijnders, de identiteit van zijn Muzen geheim hield. Toch wilde hij die geheimhouding niet voor altijd in stand houden. Later, na zijn dood, mochten de Muzen met naam en toenaam bekend worden. Ik citeer hier een brief die Kemp op 18 september 1955 aan de Muze van de gedichten Tzigane en Franse les in een korenveld zond.
Hooggeachte Mya Maas-Brennenraedts,
Misschien is het volgende al niet aan Uw aandacht ontsnapt.
De afdruk van ‘Tzigane’, die ik U aanbood, is eigenlijk een certificaat, om het eens zo te noemen. Er staat nl. niet: “Voor M.B. wegens het medeleven met Romanie”, maar wel “Aan M.B. enz. enz.”
Als ik er vroeger of later eens niet meer ben, kunt U met die afdruk van “Tzigane” en dit briefje altijd aantonen, dat dit gedicht inderdaad aan U is opgedragen.
Bij leven kan ik dit niet zo tot uitdrukking brengen, en mijn complete dichtwerken – als er zich ooit een of meerdere uitgevers ter wille van de Nederlandse letteren aan verdienstelijk willen maken en willen bijleggen – krijg ik zelf nooit te zien.
Na zulke plechtige regels als voorgaande, eindig ik met de beste wensen voor Uw gezondheid en alle succes voor Uw werk.
Met vriendelijke groeten
Pierre Kemp

Kemp heeft over Romanie ( en de beide grote gedichte die daaruit zijn voortgekomen) diverse keren met Mya Brennenraedts gecorrespondeerd. Hij heeft haar zelfs gevraagd om de naam van de vrouwelijke hoofdpersoon te kiezen. Mya voelde zich hierover ‘niet weinig gevleid’, maar zag toch allerlei problemen: hoeveel lettergrepen moest de naam hebben, enzovoorts. Toen Kemp de naam ‘Romanie’ voorstelde ging ze onmiddellijk akkoord. In een brief van 11 augustus 1948 schrijft ze; “De naam “Romanie” voor de heldin van het Havergedicht lijkt me echt de geschiktste.”
(tussen haakjes: in eerste instantie was er sprake van een haverveld; in de gepubliceerde versie is dat een korenveld)
Naar mijn mening was Mya Maas-Brennenraedts een zeer belangrijke Muze voor Kemp. Misschien was ze wel zijn belangrijkste Muze. Anders dan de trein-Muzen, die hij dagelijks zag, heeft hij haar zelden in persoon ontmoet; hun verhouding was vooral een epistolaire.
Zij zond hem met haar brieven soms ook een stukje stof van een nieuwe japon, of een foto. Twee van die foto’s zijn heel bepalend voor Romanie; ze doorbraken de impasse waar Kemp toen ten aanzien van dat gedicht toen in verkeerde. De ene foto toont Mya met een Italiaanse vriendin aan de rand van een haverveld, op de andere foto zien we Mya die in het zwembad (en in badpak) languit in het gras ligt, terwijl ze in een lesboek studeert (een lesboek voor Franse correspondentie).
Er is in het verzameld werk van Kemp nog een ‘Petite suite pour Marguérite” te vinden (gepubliceerd in 1954). Deze ‘suite’ omvat 10 gedichten die alle zijn geschreven op basis van prozateksten waarin Mya Brennenraedts herinneringen aan haar jeugd ophaalt. Kemp had haar gevraagd om die geschreven herinneringen.
Het zijn zeker niet zijn beste gedichten. Je ziet, als je de gedichten naast de teksten van Mya legt, dat het poëtisch gehalte bedroevend laag is: tamelijk rechttoe-rechtaaan is de jeugdherinnering van de een omgezet in een gedicht van de ander.
Laat ik tot slot Mya citeren uit een tekst die de titel van de suite verklaart. Mya (Maria) was in haar jonge jaren erg ongelukkig over haar naam. Ze wilde een meer bijzondere naam. Toen ze op de lagere school kwam, sloeg ze haar slag.
“Nadat wij onze manteltjes netjes in de gang aan een haakje hadden gehangen, kregen wij onze plaatsen aangewezen. De mijne natuurlijk weer vooraan, de eerste bank! Dat heb je ervan, als je klein bent voor je leeftijd. En toen kwam het. Eén voor één moesten we hardop onze naam noemen, die door de nieuwe juffrouw werd genoteerd. Het hart klopte me in de keel, het bloed steeg me naar het hoofd, maar het was nú of nooit! “Margaretha”, zei ik. Ik stierf haast van schrik toen achter mij fluisterstemmen klonken. “Niet waar, zo heet je niet. Juffrouw, zo heet ze niet.” Een por in mijn rug zette kracht bij aan deze rectificatie. Ik had buiten de meisjes gerekend die met mij de kleuterschool hadden verlaten, om naar ‘de grote school’ te gaan. Gelukkig waren ze nog een beetje timide. En omdat de juffrouw op hun gefluister niet inging, durfden ze het niet hardop te verkondigen! De beurten gingen gewoon door, en ik zat, als Margaretha geboekstaafd, op de eerste bank.”
Een tijdlang ging ze aldus onder twee verschillende roepnamen door het leven: op school was het Margaretha en thuis Maria. Maar het bedrog kwam uit toen de moeder eens verlof vroeg voor haar dochter. Ten overstaan van de ginnegappende klas werd ze toen officieel ‘herdoopt’.
Het verhaal heeft nog een staartje, want in de vijfde klas werd ze door de zuster van die klas Grèta genoemd. Prompt gingen er vingers omhoog: zo heet ze niet! “Ach”, zei de zuster, “de juffrouw van de eerste klas noemde haar altijd zo, en dan doe ik het ook maar”, zeer tot ongenoegen van de latere Muze.
Een aardig gegeven, zou ik denken, voor een speels Kemp-gedicht, maar zie wat een slap versje hij er van maakte.
Liever Marguérite
Zovele bloempjes naar Maria heten.
Ik kan niet wandelen of staan,
overal kijken niet te tellen ongeweten
Maria-variëteiten me aan.
Ik ben een tuinbloem. Wilt dit niet vergeten!
Breed is mijn witte krans, mijn hart goud-geel.
‘k Wil als de grootste margerieten heten,
dit is mijn recht, dus zij ’t mijn deel.
Graag zal ik met de madeliefjes spelen,
’t zijn kindertjes van mij. Maar vergeet niet,
wilt gij mijn vriendschap blijven delen,
mijn naam is voortaan: Marguérite!
Norbert de Vries over Pierre Kemp (Maastricht 2008)
kempis.nl poetry magazine
More in: Kemp, Pierre, Norbert de Vries

Norbert de Vries
De Tocht
Over Pierre Kemp
Het zou een groots opgezet dichtwerk worden dat hij zou hebben opgedragen aan pater Van Well. Hij heeft er jarenlang hard aan gewerkt (van 1915 tot 1922/23). Het telt 43 getypte pagina’s. Maar helaas, het geheel is in zijn nagelaten papieren terug te vinden met een wikkel eromheen waarop Pierre Kemp geschreven had: ‘Fragmenten van een mislukte Dantiade’.
Inderdaad, Kemp heeft als jong dichter het plan gehad om naar het voorbeeld van Dante een religieus meesterwerk te dichten waarin een tocht beschreven wordt langs hel, vagevuur (plaats van loutering), en paradijs.
Aldus begint Kemps ‘Commedia’ (als ik die zo noemen mag):
Het Kathedraal-Paleis
Een donkere wachter stond aan bronzen poort,
die op zijn wenk ging open, dicht en door ‘t
portaal van paars porfier klonk dof en drong
de donkere booggang in van het sluiten: “Gong”!
Het was of ik zacht op harpen liep,
wier snarentrillen uit de wanden riep
een nieuw geslacht van wijzen-blij, wijl ik
hun eeuwige stilte stoorde een ogenblik.
De grootste gang leidde naar een stil vertrek.
Daar zat een man, dicht bij een boekenrek,
aan effen tafel, keek naar het behang
dat zich bewoog en dit beweeg gezang.
Die man scheen donker, zijn gewaad was zwart,
maar daarin brandde als gouden lamp zijn hart,
waarvan de vlam zijn ziel op zang verliefde.
Toen zag ik hem mij ziende, want hij hief ‘t
gelaat terzijde en keek mij peinzend aan
tot hij glimlachend naast zijn stoel ging staan
en reikend mij de hand zich vriendelijk boog
en vroeg, waar ik zo laat nog henentoog.
Ik zei: “Mijmerend doolde ik door mijn tuin.
Er viel een ster, gelijk een appel schuin
valt door den boom, geluidloos neer op het perk.
Een donker licht scheen, waar zij, diep in het zwerk,
begon haar kort bestaan van lijnige vlam,
die in de dampkring om te sterven kwam.
Ik had geen rust, geen lust, noch slaap, noch droom
en leek een ding, dat willoos op een stroom
drijft, tot dit kathedraal-paleis mij schrok
door het doffe bonzen van zijn bronzen klok.”
Wel, lezer, wat dunkt u van deze regelen? Ik vind het verschrikkelijk pompeus allemaal. Maar toch, maar toch…

Die vijfde regel is puur Kempisch. We vinden hem terug in het op 14 november 1948 geschreven gedicht ‘Verloren componist’ dat aldus eindigt:
Lees straks mijn verzen maar en kijk
naar de enkele schilderijen, die ik schiep;
is dat niet alles of ik over harpen liep
toen ik mijn weg zocht naar het Eeuwige Rijk?
Ook puur Kempisch zijn de regels over de vallende ster en de appel in de tuin. “Lijnige vlam die in de dampkring om te sterven kwam’ dat is toch ware poëzie, nietwaar?
Dit is het gevoel dat ik bij het lezen van De Tocht heb: de echte Kemp schijnt her en der door alle bombast heen; af en toe zie je een glimp van de latere, grote dichter.
Hier en daar lees je passages die je bijvoorbeeld aan Gezelle of Gorter doen denken. Neem bijvoorbeeld de volgende regels op pagina 5 (uit Het Gele Land):
Hoort gij niet die muziek zo hel en ver,
in ruizelende suizeling, of er
uit zakken kleine zilvermuntjes rollen,
die tinkelende duiken in een bolle
kristallen schaal? Of kralen klateren? Risten
geluidjes-buitjes? Een harmonisch twisten
van muggen, zingend luid hun kleine veten
uit in een hete nacht. En vlugge beten
van vogeltjes, die zaadjes van geluid
pikken in kooitjes, meer nog morsen uit
hun bakjes, dan ze met hun bekjes pellen.
Ook een geschoven dans van kleine schellen,
door wind geschudde kleine drupjes dauw,
gebonden aan een héél broos webbetouw,
dat met nog honderde andere draden trilt
met het witte spingewin in morgenkilt!
Is dat een brief muziek, een verre groet
gelijk de liefste aan haar liefste doet!
Ik voel me bij het lezen Mei-lijk, Gezellig en Gorteriaans, en tegelijk voel ik Kemp zelf in het geluid van gemorst vogelzaad, of liever: zaadjes van geluid, en vooral in die brief muziek.
De Mei heb ik nooit uit kunnen lezen (ik beken het met een blos van schaamte), en ook De Tocht heb ik niet voltooid. Het is te veel van het goede, en vooral ook het minder goede.
Maar toch, maar toch…..
Het is toch ook mooi om te zien hoe Kemp geworsteld heeft met zijn Tocht.
Neem de vraag hoe je zo’n onderneming aanvangt.
Bij Dante zien we hoe de ik-figuur is verdwaald en zich in een huiveringwekkend donker woud bevindt. Dan bereikt hij een heuvel die hij opklimt, terwijl angstaanjagende beesten hem omringen. Hij ziet iemand en roept om hulp. Het is Vergilius die hem antwoordt, en hem tot gids zal dienen op zijn verdere tocht.
Pierre Kemp heeft – zo blijkt uit zijn aantekeningen – aanvankelijk aan een veel minder dramatisch begin van de tocht gedacht: geen panter, leeuw en wolvin, geen angstige dwaling door een donker bos, maar een onbekommerde wandeling door de idyllische contreien van Zuid-Limburg:
“De tocht begint op 15 Oct. (prachtig herfsttafereel, blik over Limburgsch landschap, daarna ingang in de mergelgrot die afscheidt van de aardsche wereld). Terwijl de dichter voortschrijdt en in het halfduister zich op een mergelstuk neerzet en uitrust en met zijn stok in het mergelzand begint te teekenen, teekent hij ook de kelk en de hostie, als zijnde een van zijn intiemste en geliefdste gedachten en terwijl hij het kruis teekent en daarbij een groet doet aan het Allerheiligste Sacrament, tikt iemand hem op den schouder. Hij kijkt om en ziet een lichtende gedaante die hem wenkt te volgen. Hij volgt haar niet angstig en meent in de gedaante te herkennen St. Teresia, die in de wereld zoo en zoo heet, zie boek.”
Enfin, de aantekeningen gaan verder, maar het beeld zal u duidelijk zijn: een zwaar katholieke tocht onder leiding van de heilige Theresia.
In de latere versie van het gedicht is deze heilige niet meer te vinden; zij heeft plaats gemaakt voor De Deugd. En de tocht begint, zoals we boven zagen, niet meer met een wandeling en het bezoek aan een grot, maar met een vallende ster en het gevoel van willoos wegdrijven van de dichter.
De Tocht is nooit gepubliceerd. Terecht niet. Maar interessant is de mislukte reis wèl.
Norbert de Vries over Pierre Kemp (Maastricht 2008)
kempis.nl poetry magazine
More in: Kemp, Pierre, Norbert de Vries
Thank you for reading KEMP=MAG - kempis.nl poetry magazine - magazine for art & literature