• INDEX
  • ABOUT US
  • LINKS
  • AGENDA
  •        HOME  


    New

    1. Aloysius Bertrand: L’écolier de Leyde
    2. Jacques Perk: O, noodlot!
    3. Gabriele D´Annunzio: I Poeti
    4. Mark Twain: Post-Mortem Poetry
    5. Gevelgedicht van Erik van Os in Hulten NB
    6. Expositie n.a.v. De Val van Albert Camus in ZINGERpresents Amsterdam
    7. Ed Schilders Pietro Aretino. De geschiedenis van een reputatie (3)
    8. P.C. Boutens: In eenzaamheid
    9. George Eliot: Count That Day Lost
    10. A case of identity: Doris

    Categories

    1. -N E W S & E V E N T S
    2. EXHIBITION
    3. FICTION & NON-FICTION
    4. KEMP = MAG POETRY LIBRARY
    5. MUSEUM OF LOST CONCEPTS
    6. MUSEUM OF NATURAL HISTORY
    7. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
    8. STORY ARCHIVE
    9. ULTIMATE LIBRARY
    10. zone


    1. Subscribe to new material: RSS

    P.A. de Génestet: De Liefste Plek

    P. A.   d e   G é n e s t e t

    (1829 – 1861)

     

    De Liefste Plek

     

    Elk heeft een plekje’ op aarde

    Hem dierbaar bovenal,

    Een landstreek of een gaarde,

    Een dorpjen of een dal,

    Een plekje, waar hij blijven

    En vrede zoeken wou,

    Waarheen zijn droomen drijven

    Met stille liefde en trouw.

     

    Voor mij, schoon mijn verlangen

    Soms dwaalde heinde en veer:

    Al hoorde ik tooverzangen

    Aan ’t dichterlijke meer

    Al staarde ik op de reize

    Vol plannen wel in ’t rond,

    En sprak na lang gepeize:

    Zoo hier ons kluisje stond!

     

    Toch, Hollands rozentuinen,

    U bleef mijn hart verpand;

    Op Hollands blonde duinen

    Prijs ik mijn eigen land!

    U heb ik uitgelezen,

    Mijn bosch en duin en dal,

    Daar half mijn thuis. mocht wezen,

    U eer ik, bovenal!

     

    Neen, frissche bloemengaarde,

    Zoo needrig, maar zoo rijk,

    In vriendlijkheid, op aarde,

    Geen plekjen u gelijk

    Laat schooner oorden spreken

    Van kracht, van majesteit,

    Mijn uitverkoren streken,

    Gij ademt lieflijkheid!

     

    Waar rijzen zoeter geuren?

    Waar mengelt de avondstond

    Zoo vriendelijke kleuren,

    Zoo lieflijk bruin en blond?

    Ik weet geen lentedreven

    Zoo rijk aan melodij

    Waar had ook ’t jonge leven

    Een bljder glans voor mij!

     

    Wij plachten hier te dwalen

    Zoo menig, menig uur,

    Ik ken hier al uw talen

    En stemmen, mijn natuur!

    ’k Versta de teedre woorden

    Van weemoed, liefde en lof,

    Die ruischen in de akkoorden

    Van deez’ uw mildèn hof!

     

    ’k Weet wat de koeltjes kozen

    Des morgens in onz’ tuin,

    Des avonds met de rozen,

    De rozen van het duin;

    Wat, als de najaarsvlagen

    Hier dwarlen door het hout,

    De sombre dennen klagen,

    Die dichtren van het woud.

     

    Mijn zielsgeheimen weten

    Drie plekjes in het bosch,

    Daar wij zoete uurtjes sleten

    Op ’t geurig, krakend mos.

    Waar ’t lelietje der dalen

    Ginds welig opwaart schiet,

    Daar zongen nachtegalen

    Ons ’t eerste liefdelied!

     

    O lusthof mijner ziele,

    Goed plekje mij zoo waard,

    Hoe wèl mijn snoeren vielen

    Ginds bij mijn hof en haard,

    Ik mag toch ook belijden

    Dat ik u stil betreur,

    En dat mijn hart bij tijden

    Hijgt naar uw rozengeur!

     

    Ik zoek u telkens weder

    Dan, met een traan, een lach,

    Gedenke ik lang en teeder

    Den schoonen levensdag,

    Dien ’k leefde in deze gaarde,

    Beminnend en bemind,

    Bij al mijn liefste’ op aarde

    En, – God, uw dankbaar kind!

     

    Dan fluistren de avondwinden

    Mij zangen van weleer,

    ’k Hoor namen van mijn vrinden.

    ’k Zie al mijn jonkheid weer;

    Dan klaag ik aan mijn duinen

    Mijn opgegaarde smart,

    En ’t lied uit de eikekruinen

    Stort balsem in mijn hart.

     

    En ware ik Heer in ’t leven,

    Neen, neen, ik scheidde niet;

    ’k Bleef nestlen in dees dreven

    En zong u lied op lied.

    Ik leefde van mijn droomen

    En nederig fortuin,

    In schaûw van de eikeboomen,

    Ginds aan den voet van ’t duin.

     

    En niemand zou daar vragen:

    Hoe welkte uw ………

    Een bloem van korte dagen –

    Nog vóór het zomertij?

    Neen, ’t hart is vol verhalen,

    Vol zangen mijn gemoed –

    Maar ’k dierf de lucht der dalen,

    Die ’t lied ontluiken doet!

     

    Bloemendaal 1854


    P.A. de Génestet gedichten

    k e m p i s   p o e t r y   m a g a z i n e

    kempis | 4:00 pm | July 16, 2010 | Génestet, P.A. de

    Previous and Next Entry

    « | »

    Thank you for reading KEMP=MAG - KEMPIS POETRY MAGAZINE - magazine for art & literature