• INDEX
  • ABOUT US
  • LINKS
  • AGENDA
  •        HOME  


    In this category:

      KEMP = MAG POETRY LIBRARY - classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
      CLASSIC POETRY
      Bilderdijk, Willem

    New on KEMP=MAG

    1. Hans Hermans foto’s – Gedicht Johann Wolfgang von Goethe
    2. Van Abbemuseum: Spirits of Internationalism
    3. William Shakespeare: Sonnet 114
    4. John Milton: On time (Vertaling Cornelis W. Schoneveld)
    5. Forum d’art contemporain Luxembourg: L.A. Raeven – Ideal Individuals
    6. Poolse dichteres Wislawa Szymborska overleden
    7. Desinteresse
    8. Freda Kamphuis photos: Colours (1)
    9. Ton van Reen gedicht: spitsuur
    10. Bookshop: Shakespeare and Company in Paris. Death of George Whitman

    Or see the index

    All categories

    1. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc. (700)
    2. FICTION & NON-FICTION – books, literary history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, dead poets corner, etc. (744)
    3. KEMP = MAG POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc. (1769)
    4. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung (26)
    5. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra (40)
    6. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry (44)
    7. NEWS & EVENTS – art & poetry news, talk of the town, repression of writers & artists (448)
    8. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens (16)
    9. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman (74)
    10. _ (3)

    Or see the index



    1. Subscribe to new material: RSS

    Willem Bilderdijk: Uitboezeming

    Willem Bilderdijk

    (1756-1831)

    U i t b o e z e m i n g

    ô Gy, die met doordringende oogen
    de plooien van mijn hart doorziet!
    Gy ziet my voor U neêrgebogen,
    En hoort mijn fluistrend avondlied.

    Ai, zie het zuchtend boezemprangen
    Eens harts dat van verkropping berst!
    Aanschouw de tranen op mijn wangen,
    Door de onderdrukking uitgeperst!

    Aanschouw ze, sla de gunstig gade,
    Gy die nooit hopende verstoot!
    Aanschouw ze, Godheid van genade,
    Gy, trouwe toevlucht in den nood!

    Ik weet, geen zuchten, schreien, klagen
    Eens harts aan allen kant doorboord,
    Geen ziel, getroffen door uw slagen,
    Verdient, o God, dat gy ze hoort.

    Wat kan, wat zou mijn boezem lijden
    Van ’t geen den hoogsten nood vervult,
    Van wat my immer moog bestrijden,
    Gelijkbaar by zijn zondenschuld!

    Neen, God, behaagt het u, mijn leven
    In alle ramp te doen vergaan
    Die ooit een balling aan kan kleven,
    Ik bied het U te vreden aan.

    Gy riept me, uit aanzien en vermogen,
    In ’t ondoorzienbaarst van de ellend:
    Ik volgde moedig, onvertoogen,
    en heb uw roeping niet miskend.

    Ach! heb ik de onafzienbre keten
    Dier toekomst van noodlotigheên,
    Voor ’t menschlijk oog niet af te meten,
    Wel eens onwillig afgebeên!

    Neen, ’k nam U, daar uw wil zich toonde,
    Met plichtige onderwerping aan;
    En, zoo ik ooit weldaân hoonde,
    Ik heb uw roede niet weêrstaan.

    Ik zal, ik wil haar, hoe benepen,
    Zoo lang ge, ô Godheid, dit gebiedt,
    Ik wil die zware keten slepen,
    En wraak uw Hooge wijsheid niet.

    Ik buig het hoofd in zielbetrouwen,
    En hoe uw staande hand my grieft,
    Ik kan het als een gunst aanschouwen,
    En voel dat gy my teder lieft.

    Dan, ô genadig God en Vader,
    Gy, die my dit betrouwen schenkt,
    Bevestig het my na en nader,
    En trek my waar uw hand my wenkt!

    Helaas! er vallen oogenblikken,
    Die duister zijn dan ’s Afgronds nacht!
    Die ook eens Christens moed verschrikken,
    Terwijl hy op uw redding wacht.

    ’t Is weinig, van ’t Heelal vergeten,
    Op ’t vuile bedstro uitgestrekt,
    Het dorre brood te moeten eeten,
    Met stille tranen overdekt : —

    ’t Is weinig, door de felste vlagen,
    Ontbloot van deksel, vuur en dak,
    Het kranke lichaam om te dragen,
    Dat wegzinkt onder ’t ongemak : —

    ’t Is weinig ’t luttel opgegaârde,
    Voor ’s levens onderhoud bestemd,
    Om niet en zonder keer of waarde,
    Meêdogenloos te zien ontvreemd : —

    ’t Is weinig zich in vreemde landen
    Den arbeid moedig aan te biên,
    En ’t werkzaam brein of vlugge handen
    Bewonderd, maar versmaad te zien : —

    ’t Is weinig zelfs, met kille schrikken
    Voor ’t eerlang naadrend tijdsbestek,
    De holle kaken aan te blikken
    Van ’t alverslindende gebrek : —

    Dit al valt hard, mijn God, voorzeker,
    Voor zielen nog gehecht aan ’t vleesch;
    Maar echter, ’k nam dien wrangen beker
    Blijmoedig op, en zonder vrees : —

    Doch, God van heil en zaligheden,
    Gy ziet het waar mijn hart op beeft!
    De panden van U afgebeden,
    En waar geheel dat hart in leeft…!

    Die panden!… Heb ik ze af zien scheuren
    Van ’t bloedig opgereten hart,
    En zal het nimmer my gebeuren
    Dat deze wond genezen werd?

    Moet, moet de troost van wat ik dulde
    Sints dat ik ’t eerst bewustzijn had,
    Wat al mijn hartezucht vervulde,
    En ’t eenigste daar ik ooit om bad, —

    Zal ’t kostlijkste aller onderpanden
    Den stervling van uw gunst verleend,
    Mijn eigen hart en ingewanden,
    Van my ontroostbaar zijn beweend?

    Zal nooit de blijde dag weêr dagen,
    Waarop ik Gâ en minzam kroost,
    Met de armen om mijn’ hals geslagen,
    Van ’t geen zy doorstaan zie vertroost?

    Of zou, ô God, de loop der tijden
    Dit streelend uitzicht my verbiên,
    Van eens het doorgeworsteld lijden
    In zoeter heil verkeerd te zien?

    In grooter heil! — Genadig Vader!
    Mijn boezem mort niet, neen, ô neen!
    Maar echter — ! kent gy bron en ader
    Van alles wat ik heb geleên.

    Geleên, ô God! in d’arm der weelde,
    Als ’t alles im my loeg op aard,
    En elk mijn noodlot zich verbeeldde
    Als afgunst- en benijdingwaard.

    Ach! heb ik toen, ô Hartdoorgronder,
    Wel ooit een’ andren staat beproefd,
    Dan als by ’t naadren van den donder,
    Wanneer zich ’t hart voelt toegeschroefd?

    En waarom? waren ’t ijdel droomen
    Van angst of klemmend voorgevoel,
    Uit zwarte dampen voortgekomen,
    Waaraan mijn boezem stond ten doel?

    Was ’t onvernoegdheid met uw gaven
    En gretigheid naar ’t eindloos meer;
    Of de ijdle drift van ’s warelds slaven,
    De zucht naar nietsbeteeknende eer?

    Neen, neen: gy hadt me een hart geschonken,
    Gevoelig voor uw minste gift,
    En licht ontvlambaar door de vonken
    Der u beminnelijke drift.

    ’k Was dankbaar! ’t trachtte ’t steeds te wezen;
    En, wel te vreden in mijn lot,
    Waar is me ooit denkbeeld opgerezen,
    Dat onbetaambaar waar voor God?

    Steeds heb ik met een blij genieten,
    Waarin mijn hart zijn Godsdienst zocht,
    Uw’ zegen dankbaar uit doen vlieten,
    En dankte wen ik weldoen mocht.

    Vaak by uw’ zoo zichtbren zegen
    My ’t hart in dankbre tranen uit,
    En vloog uw zalige Englen tegen,
    Door Aardsche kwelling niet gestuit.

    En wie op wareldslip mogt bouwen,
    Of steunen op een Aardschen staf,
    Gy kent, ô God, het vol betrouwen,
    Waarmeê ik me aan U overgaf.

    Of stortte in ’t prangen van gevaren
    In ’t uiterst nijpen van den nood,
    Mijn boezem al zijn zielbezwaren
    Niet steeds bemoedigd in uw’ schoot?

    Heeft ooit in eenig deel van ’t leven
    Mijn hart de toekomst van mijn lot
    U niet verzekerd opgegeven,
    Gerust op ’t zorgen van zijn’ God?

    En hoe dan — van uw gunstbewijzen
    Geen zaligend genot gehad?
    U met een dankbaar hart te prijzen
    En niets te smaken van zijn’ schat!

    Gy weet het, ach ! — ô Leer my zwijgen —
    Gy weet het wat my lag op ’t hart,
    En wat my dan naar troost deed hijgen,
    Als niets de teekens droeg van smart.

    Gy weet wat me alles kost vergallen,
    En, als mijn ziel genieting zocht,
    Van ’t hartgevoeligst welgevallen
    De hatelijkste terging wrocht.

    Ach! konde ik ooit genoegen smaken,
    Waar ’t voorwerp van mijn zuivre vlam,
    Waar zy, die heel mijn ziel deed blaken,
    Geen smaak voor had, geen deel in nam!

    Gy, tuig het, Godheid die ons paarde,
    Die beider handen hebt verknocht!
    Waar was ooit lust voor my op de aarde,
    Dan die ik met haar deelen mocht?

    Ach! was ’t vereenigd samenvlieten,
    Het smelten in elkanders ziel,
    Niet steeds het eenige genieten
    Waarom mijn beê U lastig viel

    En dan, de wellust van mijn leven,
    De Gâ, my van uw hand verleend,
    By al uw weldaân koud gebleven,
    En voor mijn tederheid versteend!

    De Gâ, die in mijn vreugde deelen,
    Die ze aan mijn hart verdubblen zou,
    Verdiept in aaklig zelfvervelen,
    En smaakloos voor het zoet der Trouw!

    De borst, aan wier verrukkend zwellen
    Ik als den wellust smaken moest,
    Die frissche jeugd zich voor mag spellen;
    Door geen’ onrijpen lust verwoest!

    Het hart dat me alle tegenspoeden,
    Dat me al de kwijning van mijn jeugd
    Zoo duizendvoudig kost vergoeden
    In onvermengde huwlijksvreugd.

    De schoot, die my een kroost moest kweken,
    Door God mijn’ heden toegezegd;
    Waarin zijn zegen niet zou breken
    De frissche bloemkrans van mijn Echt!

    Die borst, dat hart zoo aangebeden, —
    Die schoot, voor zoo veel heils bestemd,
    Gevoelloos voor mijn tederheden —
    En roerloos in mijn’ arm geklemd!

    En ach, mijn God, ook deze doren,
    Hoe hard, hoe bloedig zy my viel,
    Wat niet geschonken in uw’ toren,
    Maar tot een’ wachter voor mijn ziel.

    Ja, zonder haar, licht zwijmeldronken,
    Ware ik, met onbeklemden geest
    In d’arm der liefste Gâ geklonken,
    Te zalig voor deze aard geweest.

    ô God, vergeef my zoo ik dwaalde
    En hier uw wijdheid niet doorzag;
    Ja, wen ik mijn’ dank betaalde,
    Mijns ondanks uitborst in beklag!

    Ach! eischt een weeldrige Eigenliefde,
    Waaraan ik ’t hart zoo noode onttrek,
    Nog scherper prikkel dan haar griefde,
    Nog harder breidel voor haar’ nek;

    Ook hierin zij uw wil my heilig!
    Ook hier bidde ik uw goedheid aan!
    ô Laat van wraakbren zelfwil veilig
    Mijn hart aan uwe leiding gaan!

    Wat toch, wat zou dat hart begeeren,
    ô Onuitputbre zegenaar,
    Van ’t geen uw hand my deed ontbeeren,
    Indien het my ten nutte waar?

    En wat zoude ik verbidden mogen
    Van ’t geen uw wijsheid op my leidt,
    Dat niet mijn’ heilstand zou beoogen,
    En strekken tot mijn zaligheid?

    ô God! gy die my doet gevoelen
    Hoe zeer uw goedheid voor my waakt!
    Hoe zoude ik willen of bedoelen,
    Wat door die goedheid wierd gewraakt?

    Neen, ’k smeek u niets, ô Albestuurder;
    Volvoer uw’ eeuwig wijzen wil,
    En, ’t vall’ der menschheid zuur en zuurder,
    Ik zwijge aanbiddend, dankend, stil.

    Hamburg, 1795


    Willem Bilderdijk gedichten

    k e m p i s   p o e t r y   m a g a z i n e

    More in: Bilderdijk, Willem

    Previous and Next Entry

    « | »

    Thank you for reading KEMP=MAG - kempis.nl poetry magazine - magazine for art & literature